27 november 2012
Nieuws
1. Wanneer en hoe heeft NOC*NSF de Olympische Spelen van Londen 2012 geëvalueerd en wat is de uitkomst van die evaluatie?
“Voor die evaluatie hebben we externe partijen ingeschakeld: adviesbureau BMC en prof. Maarten van Bottenburg (hoogleraar Sportontwikkeling aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit Utrecht, red.). Zij hebben anderhalf jaar voor de Spelen samen met ons een evaluatiemodel ontworpen. Onderdeel van de opdracht destijds was om te kijken hoe we een continu evaluatiemodel konden ontwikkelen. Want we wilden op meerdere momenten spreken met alle betrokkenen. Eens in de vier jaar evalueren is niet genoeg in de topsport. Voor Londen 2012 hadden we drie evaluatiemomenten. Vóór de Spelen deden we een prebrief met alle coaches. En in Londen zelf deden we een hot debrief, waarbij we direct na afloop van de competitie met de coaches hebben gesproken om de eerste reacties en emoties op te tekenen. Vervolgens hebben de belangrijkste betrokkenen - coaches, supportstaf, sporters en technisch directeuren - allemaal een enquête ingevuld. En tot slot hebben we drie dagen met elkaar samen gezeten om de belangrijkste uitkomsten te bespreken.”
“Uit die evaluatie is in ieder geval naar voren gekomen dat alle partijen tevreden zijn. Ik wil niet te veel op de uitkomsten vooruitlopen want die worden in december gepresenteerd. Een paar dingen die aan bod komen: we hebben onder het motto London Calling de Olympic Sessions georganiseerd. Drie bijeenkomsten met grote inbreng van een aantal oud-olympiërs in de aanloop naar de Spelen, waarin ‘dromen, denken en doen’ centraal stonden. Daar is door de sporters heel positief op gereageerd. Maar ze vroegen ook waarom we daar pas in het laatste jaar voor de Spelen mee kwamen. Atleten zijn immers veel langer met hun voorbereiding bezig.”
“We werken nog aan de invulling van die continue evaluatie. De subjectieve kant hebben we goed geregeld met de enquêtes. Bovendien zijn er veel één-op-één gesprekken. Daarnaast is het zaak alles te onderbouwen met cijfers en feiten. Dat moet verder gaan dan het meten van de prestaties. Tot nu toe werd er vooral naar de bekende medaillelijstjes gekeken. Dat is uiteraard belangrijk, maar er liggen een hoop vragen achter en daar zou je veel specifieker per sport in moeten duiken. Om daar grip op te krijgen hebben we een Sports Intelligence Group opgezet met onder meer de Infostrada Sports Group. Daarnaast zijn we nog op zoek naar een partij die goed is in de analyse.”
2. De Spelen in Londen waren voor Nederland succesvol met twintig medailles, vier meer dan in Beijing. Wat waren de succesfactoren, is er ook iets misgegaan en wat zijn de belangrijkste lessen van Londen 2012?
“Succesfactoren vind je terug in lange termijnbeslissingen: de medailles in Rio worden gewonnen dankzij de beslissingen die nu worden genomen. De basis van het succes in Londen is dus al eerder gelegd. Je moet daarbij denken aan het aanstellen van fulltime coaches, technisch directeuren, maar ook de eerste aanzet tot focusbeleid en de start van de vier CTO’s (Centra voor Topsport en Onderwijs, in 2009 gestart in Amsterdam, Eindhoven, Heerenveen en op Papendal, red.). Naast de beleidskant heeft de sfeer in de ploeg enorm bijgedragen. Er was sprake van een echte prestatiesfeer. Ik ben ervan overtuigd dat de atleten elkaar hebben gemotiveerd en geïnspireerd en dat is het model dat ik voor ogen heb. Hoe je die sfeer creëert? Dat hebben we onder meer gedaan met het zogeheten expertiseteam, waarbij gebruik wordt gemaakt van de kennis van specialisten op verschillende vakgebieden. Daarnaast hebben de Olympic Sessions een rol gespeeld. Sporters uit de verschillende disciplines leren van elkaar en begrijpen daardoor ook beter waar andere atleten mee bezig zijn. Een judoka traint vier jaar voor één dag en dan moet het gebeuren. Terwijl teamsporters op de eerste dag van de Spelen hun eerste wedstrijd hebben en als het goed is op de slotdag de finale. Het is goed om dat soort dingen van elkaar te weten.”
“Wat er mis is gegaan? Gelukkig niets ernstigs. Dat vind ik buiten de sportieve resultaten de grootste verdienste van de sporters en de staf. We hebben geen grote incidenten gehad zoals het missen van een dopingtest, fouten met de media of social media, noem maar op. Daaruit kunnen we de conclusie trekken dat we goed voorbereid waren. Het is lastig om lessen te trekken uit Londen, want alle Olympische Spelen zijn anders. Londen was dichtbij en we hebben hard aan gewerkt om daar een maximaal voordeel van te maken. Rio is juist ver weg, er is een ander klimaat, tijdsverschil, een andere cultuur. Sommige dingen zijn wel algemeen geldig. Op de Spelen is het bijvoorbeeld altijd zaak om ervoor te zorgen dat je de atleten gefocust houdt. Tegen het eind zijn er steeds meer atleten klaar en dan is voor hen de druk eraf, terwijl anderen nog aan de bak moeten. Wij zijn er in Londen in geslaagd die prestatiesfeer binnen de ploeg vol te houden, maar ik heb dat bij andere landen en buren in het Olympisch Dorp wel mis zien gaan. Dat zijn ook zaken die wij bij het IOC zullen aankaarten. Als ik de Spelen in Londen in zijn algemeen moet typeren dan vind ik dat ze de belofte dat het Spelen voor de atleten zouden zijn, echt helemaal hebben waargemaakt.”
3. Onlangs heb je jouw contract als technisch directeur bij NOC*NSF voor onbepaalde tijd verlengd. Maar er is nog niet besloten of je in Rio - net als in Londen - weer Chef de Mission zult zijn van de Olympische ploeg. Tot Londen had je een contract voor vier jaar. Waarom heb je nu een contract voor onbepaalde tijd gekregen? En kun je de functies van technisch directeur en chef de mission in jouw ogen goed combineren?
“Voor Londen was er al een intentie van beide kanten om door te gaan. Het bestuur had daar wel bij gezegd dat ze eerst wilden zien hoe de Spelen zouden verlopen. Dat is goed gegaan en dan is het logisch om met elkaar verder te gaan. Dat het een tijdje heeft geduurd, komt doordat we de tijd wilden nemen om ‘Londen’ goed af te ronden. NOC*NSF gelooft in mijn beleidslijn en de accenten die ik heb gelegd. Daarbij vinden ze continuïteit belangrijk. Er spreekt veel vertrouwen uit het feit dat ik nu een contract voor onbepaalde tijd heb. Dat is overigens geen uitzondering. Bij NOC*NSF wordt voor de belangrijke functies vrijwel altijd met contracten voor onbepaalde tijd gewerkt, dus eigenlijk was de functie van Technisch Directeur daarop de uitzondering. Het betekent overigens niet dat er geen evaluatiemomenten meer zijn. In de topsport wordt je altijd afgerekend op resultaat, dat ben ik in mijn leven niet anders gewend.”
“In Sotsji (Russische stad waar in februari 2014 de Winterspelen worden gehouden, red.) zal ik net als in Londen chef de mission zijn. Maar voor Rio is daarover nog geen beslissing genomen. Het belangrijkste vind ik dat er niet zoals in het verleden een vrijwilliger op die post komt. Het moet een professional zijn, iemand uit mijn team of ikzelf. Dat is iets wat ik tegen die tijd samen met algemeen directeur Gerard Dielessen zal oppakken. Zelf vind ik het goed dat de twee functies bij dezelfde persoon liggen. Het is een constante afweging tussen korte en langetermijnbelang. Als we nu al het geld en alle middelen inzetten op Sotsji en Rio raakt de basis voor het succes op de lange termijn uit zicht. Dus je moet iemand hebben die in staat is om constant die afweging te maken. Als je aan de ene kant een technisch directeur hebt en aan de andere kant een chef de mission, krijg je eindeloze debatten tussen die twee. Dat zou leiden tot minder slagkracht en verspilling en daar hebben we de tijd en de middelen niet voor. Het is dus goed om beide functies te verenigen. Het enige nadeel is dat het daardoor wel een zware baan is, maar dat heb ik de afgelopen jaren met heel veel passie en plezier gedaan.”
4. Het nieuwe kabinet heeft besloten niet langer in te zetten op het naar Nederland halen van de Olympische Spelen in 2028. Wat vind je van dat besluit? En wat betekent het voor de doelstellingen van de Nederlandse topsport?
“Persoonlijk betreur ik dat kabinetsbesluit, maar als ik naar het macro-economisch plaatje van dit moment kijk, vind ik het wel begrijpelijk. Dat staat mijn droom om die Spelen ooit nog in Nederland te zien echter niet in de weg en het kan ook allerlei mensen bij NOC*NSF niet tegenhouden om nog steeds in die droom te blijven geloven. Ik denk dat we de Spelen in Nederland heel goed zouden kunnen organiseren en dat het ons land een ontzettende boost zou kunnen geven. Als er een brede volksbeweging zou ontstaan van mensen die ook geloven dat het een goed idee zou zijn, gaat de politiek ook weer overstag. Dat is nu niet het geval en hoe jammer ik dat ook vind, het kabinet heeft gelukkig ook uitgesproken wel te willen investeren in onze sportambitie. Ze omarmen de toptien-ambitie en dat leidt hopelijk ook tot concrete maatregelen. Dan gaat het om twee dingen: ten eerste gymlessen op scholen en ten tweede investeren in de topsport op de langere termijn.”
“We willen bij de beste tien landen van de wereld horen. In Londen hebben we gezien dat we daar de potentie voor hebben. In het officiële medailleklassement zijn we dertiende geworden, maar je moet iets verder kijken. Op de Paralympische Spelen waren we tiende in het medailleklassement en als je naar het totale aantal medailles op de Olympische Spelen kijkt – en dat vind ik belangrijker dan het officiële klassement waarbij goud voorop staat – zijn we elfde geworden. De toptien-ambitie blijft dus overeind, maar we hebben het nog niet concreet omgezet in een doelstelling voor Rio. Er is sprake van toenemende internationale concurrentie en we zijn een klein land dus we moeten duidelijke keuzes maken hoe we onze middelen willen inzetten. Op 4 december maken we die keuzes openbaar. We kijken daarbij vooral naar prestatieperspectief. Een sport moet aannemelijk maken dat ze binnen een termijn van acht jaar succes kan hebben en wij geloven dat niet zomaar op de blauwe ogen. Daarbij moeten namen en rugnummers worden genoemd.”
5. Tot slot je persoonlijke ambitie. Je bent lang coach geweest. Mis je dat niet? En wat zou je in je carrière los van je huidige functie ooit nog heel graag willen doen?
“Gelukkig heb ik in mijn huidige werk nog heel veel momenten dat ik aan het coachen ben. Indirect in het contact met atleten en heel direct als het gaat om het contact met bondcoaches. In die zin is er altijd een heel sterke linke met coaching, want dat beschouw ik toch wel als mijn vak. Doordat ik als technisch directeur van NOC*NSF voor alle sporten verantwoordelijk ben, moet ik dagelijks bijleren. Wil je iemand van advies voorzien, dan moet je toch de essentie van een sport begrijpen. Dat is ook het allerleukste aan deze baan, dat je zo dicht op die sport zit. Ik heb echt het gevoel dat ik mijzelf dagelijks aan het verrijken ben.”
“Als je me vraagt wat ik buiten mijn huidige functie nog zou willen doen? Mochten wij in Nederland ooit een groot sportevenement organiseren, dan zou ik graag in een rol zitten waarin ik regel dat het voor de sporters die van over de hele wereld hierheen komen, perfect voor elkaar is. Of het nu bij de Jeugdspelen is of bij de Olympische Spelen, dat zou ik mooi vinden en daar ligt mijn expertise. Vanuit de ervaringen die ik nu opdoe, kan ik een bijdrage leveren aan alle topsportorganisaties in Nederland. Het is een bevoorrechte positie en die ervaring zal ik altijd inzetten voor de topsport. In Nederland of daarbuiten? Op dit moment ben ik met hoofd en hart verpand aan de Nederlandse toptien-ambitie, maar ik heb eerder met veel plezier dingen gedaan in India en natuurlijk Spanje. Daar ken ik veel mensen in de topsport met wie ik warme banden onderhoud. Maar uit Nederland weggaan? Dan moet het wel voor iets heel bijzonders zijn.”
NASCHRIFT | Inmiddels is bekend hoe NOC*NSF de topsportgelden gaat verdelen, klik hier voor informatie daarover
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.