14 september 2010
Nieuws
1. Hoe leerde je Anton kennen?
“Ik ontmoette Anton voor het eerst in 1973. Ik was 29 jaar en gymleraar op de Technische School - later College Rolduc geheten - in Kerkrade. Anton organiseerde destijds een schooljudotoernooi in Utrecht en onze school nam daar aan deel. Zo’n toernooi organiseren was in die tijd zeer vooruitstrevend en innovatief, sport en lichamelijke opvoeding waren namelijk nog twee totaal gescheiden werelden. Anton en ik kwamen zo voor het eerst met elkaar in contact en ik beloofde hem om in Kerkrade een volgend schooljudotoernooi te organiseren. En dat deed ik in de Rodahal, vervolgens enkele achtereenvolgende jaren, steeds voorafgaand aan de Open Nederlandse Kampioenschappen Judo onder auspiciën van de judobond. In diezelfde periode traden wij beiden toe tot de Stichting Nederlandse Schoolsport en werd Anton voorzitter van de sectie judo van deze stichting. Deze werd volledig gerund door vrijwilligers, telde 23 takken van sport en organiseerde door het hele land veel nationale toernooien. Wij organiseerden ook internationale scholierenjudotoernooien in het judomekka van het Zuid-Franse Beauvallon sur Mer. Zo groeide onze samenwerking en bleven we elkaar tegenkomen. Later – in 1988 – is de stichting overgedragen aan de huidige Koninklijke Vereniging van Leraren Lichamelijke Opvoeding - kortweg de KVLO - die bereid was de doelstelling over te nemen. In die tijd organiseerden wij in Utrecht ook een congres met als titel ‘School, Sport en Samenleving’. Het was een doorbraak en opmerkelijk dat de werelden van school en sport elkaar ook daardoor ondertussen wél steeds beter vonden. Anton heeft daar gedurende twaalf jaar een belangrijke bijdrage aan geleverd.”
“In 1985 werd Anton hoofdbestuurslid van de Internationale Judo Federatie en voorzitter van de IJF Education & Diffusion Commission. Hij vroeg mij om hem in zijn werk te ondersteunen en dat ben ik gaan doen. In 1986 organiseerde Anton een internationale stage voor judoleraren op Papendal, het World Trainer Seminar. Met steun van het IOC was hij in staat ook de beste judoleraren uit economisch minder sterke landen door gratis deelname te laten profiteren van de vele experts die er een week lang optraden. Voor studenten van de CIOS-sen en Academies voor Lichamelijke Opvoeding was een programma samengesteld. In 1987 werd Anton ook lid van het IOC en vanaf dat moment werd ik nog sterker zijn vaste assistent en vriend. Zowel voor Anton als voor mij was het puur vrijwilligerswerk. Daarnaast heb ik dan ook altijd een betaalde baan gehad, steeds in het onderwijs. Als leraar lichamelijke opvoeding, als directeur van een onderwijsinstelling, als landelijk coördinator voor projecten voor ongediplomeerde schoolverlaters bij OCW en als lid van het Proces Management Voortgezet Onderwijs dat door OCW was ingesteld vanwege de grote veranderingen in speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs vanaf 1998. Daarna bleef ik actief in diverse onderwijsprojecten van OCW en de VO-Raad. Toen ik vervroegd met pensioen ging, bleef ik als zzp-er parttime actief in het onderwijs. Tegenwoordig met name in de ondersteuning van scholen die hun eigen kwaliteit willen beoordelen. Ik kon deels mijn eigen agenda beheren. Door te schuiven met vrije dagen kon ik doorgaans Anton vergezellen waar hij dat graag zag. Een aantal jaren was ik lid van de NOC*NSF Bestuurscommissie Olympische Beweging en Fair Play, waarvan Anton voorzitter was. Mensen als Ton Bijkerk, Peter Blangé, Michel Bartman, John Blankenstein, Paul van Maanen, Theo Stevens, Ernst Faber en Oscar Erken zijn in wisselende samenstelling lid van die commissie geweest.”
2. Hoe verliep de samenwerking met Anton?
“Sowieso belden we elkaar iedere ochtend tussen acht uur en half negen, ook in het weekend. We bespraken even waar we mee bezig waren en wat er gedaan moest worden. Soms hadden wij alleen over het weer of privéaangelegenheden. Soms duurde zo’n gesprek tien minuten, soms een half uur. Ik denk dat we in vijfendertig jaar hooguit tien van dergelijke telefoontjes hebben overgeslagen. Daarnaast ging ik - als het kon - met hem mee op reis als dat functioneel was. Zo bezocht ik elf Olympische Spelen. Anton was IOC-gedelegeerde tijdens Olympische Spelen, officieel heet dat Delegate Member of Games Observation. In die functie leidde hij vanaf 1992 - in Albertville en Barcelona - het programma voor de IOC-leden die dagelijks als waarnemers optraden op de trainings- en wedstrijdaccommodaties, het Olympisch dorp, het medisch centrum, de mediacentra en aan Anton rapporteerden. Op zijn beurt moest Anton naar aanleiding van gerapporteerde knelpunten zo snel mogelijk oplossingsgericht handelen. Dat kon door zelf naar betreffende locatie te gaan, door het IOC team dat daarvoor beschikbaar was in te zetten of - afhankelijk van het probleemniveau - ’s ochtends het probleem voor te leggen aan de Dagelijkse Coördinatievergadering onder leiding van de IOC President. Anton’s rapportage was vast agendapunt op die vergaderingen die werden bijgewoond door de top van het Organisatiecomité, enkele IOC bestuursleden en directeuren, vertegenwoordigers van de NOC’s en Internationale Federaties en - zeker in de winter niet onbelangrijk - een weerman.”
“Anton had mij bij het IOC voorgedragen in de functie van bureaucoördinator. Die voordracht werd gehonoreerd. Ik kreeg telkens een accreditatie als staflid van het IOC of als IOC-adviseur. Daarmee had ik vrijwel dezelfde faciliteiten als de IOC-leden zelf en dat was nodig om dat coördinerend werk adequaat uit te voeren. De werkzaamheden van de medewerkers van het organisatiecomité en IOC op en rond ons tijdelijk kantoor coördineerde ik. In wezen onderhield Anton de contacten op bestuursniveau en ik op uitvoerend niveau. Anton stelde altijd het belang van de atleten centraal bij de observaties. Daar drong hij ook bij de IOC-leden op aan. Atleten moesten zich thuis voelen zodat ze optimaal konden presteren. Heel interessant werk. Wij hoorden vaak als eerste van problemen en hij of ik - afhankelijk van de probleemzwaarte - pakten die dan op. De impact van dat werk ervoeren wij al tijdens een der eerste dagen van de Olympische Winterspelen van Albertville. Uit verschillende rapporten bleek dat de bussen die het vervoer verzorgden voor atleten tussen het Olympisch Dorp en de wedstrijdlocaties in de bergen problemen veroorzaakten. De bussen zorgden voor opstoppingen op de smalle bergwegen met scherpe bochten. Ze hadden bovendien veel lege plaatsen en onderhielden een soort lijndienst die verschillende locaties aandeed waardoor atleten en hun begeleiders langer in de bus zaten dan nodig. Anton signaleerde het probleem en zocht in de coördinatievergadering naar een oplossing. Gevolg: dezelfde nacht werden naar ik meen honderd splinternieuwe Renaults uit Parijs naar Albertville gebracht. Het probleem in de bergen was daarmee opgelost.”
“De vele brieven en notities die Anton verstuurde binnen NOC*NSF om zijn gedachtegoed te verspreiden, kwamen in principe uit zijn eigen koker. Maar de ene keer schreef ik een eerste versie op basis van een eerste overlegronde en de andere keer deed hij dat zelf. Vervolgens discussieerden we erover, als het nodig was heel stevig, en dan kon dat stuk soms wel tien keer bewerkt worden voor het de deur uitging. Vaak ook na commentaar van anderen die Anton geraadpleegd had. Wie dat waren, kon per thema verschillen. Wel had hij een vast ploegje vertrouwelingen. Naast mij en zijn zoon Anton jr. waren dat Jos Hell – voorzitter van de judobond – en Ernst Faber, voormalig bestuurslid van NOC*NSF. Uiteindelijk ontstond er een eindversie van een brief of notitie die altijd door Anton gemaakt werd.”
“Anton maakte zich hard voor drie hoofdthema’s: atleten, bondsbestuurders en de stakeholders, vooral het bedrijfsleven en overheid. Hij probeerde vanaf 1987 de posities van deze drie groepen te versterken. En dan in de sfeer van ’liever een hengel dan een vis’. Zo moesten atleten over het algemeen zelfstandiger worden en meer autonome macht krijgen dan ze hadden en moesten bestuurders van sportbonden tegelijkertijd in het bestuur van NOC*NSF kunnen zitten, zodat ze de invloed van de sportbonden op het NOC*NSF-beleid konden vergroten en ook makkelijker konden doorstromen naar internationale bestuursfuncties. Het bedrijfsleven moest daarnaast als belangrijke financiële partner van de sport beter gepositioneerd worden. Let wel: dat was in de periode waarin sportsponsoring in de kinderschoenen stond.”
“Zoals bij iedereen welbekend is, botste hij regelmatig met voorzitters van NOC*NSF, uitgezonderd toenmalig interim-voorzitter Joop van der Reijden en huidig voorzitter André Bolhuis met wie hij kon lezen en schrijven. Anton had overigens nooit moeite met de personen zelf. Wel met de wijze waarop ze hun functie uitoefenden en geniepigheden die ze daarbij gebruikten. Vooral Hans Blankert moest het om die reden ontgelden. Anton’s werkwijze riep veel weerstand op. Dat is goed te verklaren vanuit het drieluik Persoonskenmerken-Functiekenmerken-Organisatie en zijn rol in NOC*NSF. Kijk naar zijn karaktereigenschappen: hij was een autonoom denker en scherp waarnemer, een gevoelsmens, altijd zichzelf, nieuwsgierig ‘open minded’, vasthoudend eigenzinnig en een innovator. Vooral dat laatste strookte vaak niet met mensen die primair stabiliteit in hun organisatie nastreefden, die niets wilden veranderen zelfs als dat beleid aantoonbaar gestold was. En daar zijn er veel van. Kijk naar de functie- en organisatiekenmerken: Anton’s dadendrang werd niet altijd gelegitimeerd door een belangrijk kenmerk van een bestuursfunctie bij NOC*NSF waar beleidsvoorbereiding en uitvoering zaak van de professionals is geworden; Anton was veel directer en van de handen uit de mouwen steken. Toch mogen wij niet over het hoofd zien dat veel meer mensen respect voor Anton hadden - zowel als sporter als bestuurder - dan een enkele Nederlandse ex-voorzitter teniet kan doen. Dat blijkt ook uit de geweldige reacties van heel veel (inter)nationale bestuurders, politici en sportminded mensen op de dood van Anton”.
3. Zijn relatie met NOC*NSF leek met de directie- en voorzitterswisseling toch ten goede te keren?
“Het is erg jammer dat Anton niet de kans heeft gekregen om aan het eind van zijn bestuurlijke carrière nog een paar jaar op een prettige manier met NOC*NSF samen te werken. Een aanzet daartoe was al genomen. Op 10 juni hadden we op Papendal een gesprek met de nieuwe voorzitter en nieuwe directeur samen, André Bolhuis en Gerard Dielessen. Het was een officieel gesprek, maar in een inofficiële entourage: gewoon buiten op een terras. Na het gesprek gingen we goed uit elkaar. Anton was erg verheugd over de voortgang van de kerntakendiscussie en was optimistisch over de toekomst. Hij ging huiswaarts met het gevoel dat het verbod dat goede bestuursleden van sportbonden ook bestuurslid van NOC*NSF mochten zijn, eindelijk bespreekbaar is gemaakt en uit de statuten zou verdwijnen. Het zou de doorstroom van sportbestuurders naar NOC*NSF-bestuur en naar belangrijke internationale functies bevorderen en het benoemen van buitenstaanders – niet zelden uit het netwerk van zittende bestuurders - in het NOC*NSF bestuur afremmen omdat de vijver waarin gevist kon worden groter wordt. Anton zag de betreffende passage in de statuten als ongewenste bevoogding van de leden en inperking van hun rechten om zelf te bepalen of ze een kandidaat bestuurslid van NOC*NSF willen of niet willen.”
“Anton was enorm blij met Bolhuis als nieuwe voorzitter. Hij voldoet in de ogen van Anton aan drie belangrijke criteria: ex-topsporter, deelnemer aan de Olympische Spelen én ruime ervaring als sportbestuurder. Bovendien had hij ervaring als Chef de Mission. Anton deed er alles aan om Bolhuis warm te maken voor het voorzitterschap. Al in 2008 had hij met Bolhuis in Beijing een lang gesprek waaruit bleek dat het klikte. En toen Anton indertijd als patiënt de tandartsenpraktijk van Bolhuis bezocht, probeerde hij zelfs het personeel daar ervan te overtuigen dat ze Bolhuis moesten helpen door tandartsenwerk uit diens handen te nemen. Zodoende zou Bolhuis beter de gelegenheid krijgen om voorzitter van NOC*NSF te worden. Zoals Anton Junior in zijn toespraak de crematieplechtigheid zei: ‘Pa wist dat NOC*NSF bij André Bolhuis in goede handen was. Het gaf hem rust.’”
4. Je hebt heel erg lang met hem samen gewerkt. Wat was je eerste gedachte toen je hoorde dat hij was overleden?
“Het moment dat ik hoorde dat Anton was gestorven, voelde als een ijskoude douche. Maar later was ik – op een enkele uitzondering na – blij met alle reacties daarop en de commentaren die gepubliceerd werden. Dat voelde als een warm bad. Dat gold ook voor de crematieplechtigheid. Die vond plaats in kleine en familiaire kring, maar er waren daarbuiten een aantal mensen die er graag bij wilden zijn en daar toestemming voor kregen: kroonprins Willem-Alexander was er, André Bolhuis, Thomas Bach (vice-voorzitter van het IOC), Yong Sung Park (voormalig voorzitter van de Internationale Judo Federatie), Patrick Hickey (voorzitter van het Europese Olympische Comité’s), twee vertegenwoordigers van de Franse judobond in de persoon van Jean-Luc Rougé en Pierre Albertini en George Kerr, de ere-voorzitter van de Britse Judo Associatie en net als Anton tiende dangraadhouder, momenteel de hoogste dangraad ter wereld.”
“Het is volgens mij niet zeker dat Anton in het IOC op korte termijn door een Nederlander wordt opgevolgd. Prins Willem-Alexander blijft nu als enig IOC-lid over. Net als Anton dat was, is hij lid op persoonlijke titel. Door toenmalig minister-president Wim Kok is destijds met succes bedongen dat de kroonprins niet ook in het bestuur van NOC*NSF plaats zou nemen, omdat dat vanuit staatsrechtelijk oogpunt niet wenselijk was. Hij is dus IOC-vertegenwoordiger in Nederland, maar dat betekent nu wel dat na Antons overlijden het IOC in bestuurlijke zin niet meer in het NOC*NSF bestuur vertegenwoordigd is. Dat is echter in meer landen het geval. Er zijn bovendien nog veel landen die geen IOC-lid hebben, terwijl wij daarentegen nog een Nederlander – immers de kroonprins – in het IOC hebben. Wat het IOC gaat beslissen, moeten we afwachten. Ik begreep in de wandelgangen dat het wel een poosje kan duren voordat er een opvolger van Anton wordt gekozen. Dat gebeurt altijd in een IOC-sessie”.
5. Hoe ziet je toekomst zonder Anton eruit?
“Al tien jaar geleden zei Anton tegen Junior en mij: ‘In 1987 ben ik in het diepe gegooid. Als ik er niet meer ben, moet er een goed overdrachtsdossier komen voor mijn opvolger’. Hij wilde dat zijn gedachtegoed bewaard zou blijven. Als hij iets schreef, wilde hij dat het gelezen werd. En als hij iets zei, moest het gehoord worden. Maar wat mensen er vervolgens mee deden, moest iedereen zelf weten. Er ligt veel materiaal dat Anton nalaat. Heel veel daarvan is gerealiseerd, ook al wekten enkele voorzitters de indruk dat ze zijn voorstellen negeerden, terwijl enkele maanden later in alle stilte negentig procent van zo’n voorstel toch werd opgepakt. Wel moet bij een aantal thema’s nog vlees op de botten komen en sommige hebben behoefte aan een zetje in de goede richting. Junior en ik gaan ermee aan de slag. Eerst gaan we inventariseren wat er allemaal aan materiaal voorhanden is. Dat is trouwens nogal wat.”
“Over wat voor gedachtegoed ik het heb? Toen Anton gekozen werd als IOC-lid was er geen NOC-atletencommissie, geen Olympic Day Run, geen nationale Olympische Academie, geen deelname aan de International Olympic Academy. Dat is er nu allemaal wel. Ook was er bijvoorbeeld geen Olympische lespakket in de periode rond de Olympische Spelen voor het onderwijs. Anton noemde het NOC in 1987 een ‘sleeping beauty’ die één keer in de vier jaar ontwaakte. Hij koppelde de aandacht voor de breedtesport en scholierensport aan de topsport. Zelf ben ik ervan overtuigd dat dat bijdroeg aan de fusie tussen NOC en NSF in 1993. Ook al verzette Anton zich eerst tegen de fusie omdat in eerste instantie de gelijkwaardigheid van twee organisaties ontbrak en een-tweetjes vanwege persoonlijke belangen de boventoon voerden. In 1990 pleitte Anton als eerste voor de ‘out of competition’ dopingtest met zijn actie ‘Ik sport en presteer eerlijk’. Dat kan je toch de geestelijke voorloper noemen van de huidige ‘100% Dope Free’-campagne van de Dopingautoriteit. Weer later - in 2001 - introduceerde Anton ‘good governance’ in de sport, met zijn nota ‘Liever een hengel dan een vis’. Hij gebruikte daarvoor de ideeën van John Carver. In 2005 liet NOC*NSF de nota ‘13 aanbevelingen voor Goed Sportbestuur’ het licht zien.”
“Zo kan ik nog wel even doorgaan met het noemen van voorbeelden. Ter gelegenheid van zijn twintigjarig lidmaatschap van het IOC was Anton in 2007 initiatiefnemer van het onafhankelijk onderzoek ‘Besturen als sport’, uitgevoerd onder leiding van bestuurskundige professor De Vries. In 2008 vroeg Anton met zijn notitie ‘Re-socialization to be provided by the entourage in case of doping abuse’ aandacht voor het verschijnsel dat het onacceptabel is dat moordenaars uiteindelijk wel geholpen worden met hun terugkeer in de maatschappij, maar topsporters die dopingregels hebben overtreden geen enkele vorm van ondersteuning krijgen van degenen die van hun prestaties hebben geprofiteerd. Kernpunt van die bijdrage was dat Anton meer evenwicht wilde zien tussen voorlichten, controleren, bestraffen en resocialiseren. Ik denk dat Yuri van Gelder daar bijvoorbeeld geprofiteerd van heeft.”
“Ik hoop met die voorbeelden duidelijk te maken dat het blijkbaar heel wat jaren kost voordat goede intenties zijn ingezakt in de praktijk. Terugkijkend naar onze beginactiviteiten in de schoolsport en het schooljudo zie je dat ruim dertig jaar na dato de samenwerking tussen onderwijs en de georganiseerde sport pas echt op regionaal niveau wordt gerealiseerd. Denk aan de combifunctionarissen. Ook het judo krijgt anno 2010 veel aandacht - denk ook aan het valbreken in de gymles - terwijl Anton voor de aanpassingen die hij destijds omwille van veiligheid en pedagogische waarde voorstelde op een haar na geschorst werd. Ook over structuur en cultuur van NOC*NSF had Anton uitgesproken ideeën die nog onvoldoende aandacht kregen. Al met al gaan Junior en ik proberen het hele gedachtegoed van Anton te ontsluiten en het toegankelijker te maken dan het nu is. Hoe lang we daarmee bezig zullen zijn? Ik heb geen idee. Tot dan zullen wij niet te beroerd zijn Anton’s stukken bij betrokkenen ter overweging aan te bieden op momenten waarop wij denken dat ze een bijdrage kunnen leveren aan bepaalde discussies. Maar het pijnlijkst voor mij zal het spreken over Anton in de verleden tijd blijven! Zowel tijdens werk als daarbuiten hebben wij gelukkig veel plezier kunnen maken. Ieder die Anton goed kent, kan daarvan getuigen.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.