3 november 2015
Nieuws
Marjolein van Unen nam onlangs afscheid als bondscoach van de Nederlandse judovrouwen. De NOS meldde dat zij met een achttienjarig dienstverband de langstzittende bondscoach ooit van Nederland is. Onder Van Unen, zelf drievoudig Europees kampioenen medaillewinnares op vier WK’s, werden Edith Bosch en Marhinde Verkerk wereldkampioen. Daarnaast wonnen haar pupillen zeven Europese titels en zes olympische medailles. Het afscheid valt Van Unen zwaar, maar vanwege fysiek ongemak kon zij de sporters niet meer optimaal begeleiden. Tijd voor een interview met de bondscoach die het vrouwenjudo definitief op de kaart zette in Nederland.
door: Leo Aquina | 3 november 2015
1. Voordat je als bondscoach aan de slag ging, heb je zelf op topniveau aan judo gedaan. Hoe ben je het coachvak ingerold en moet een goede coach zelf ervaring hebben als topsporter?
“Ik denk niet dat het per se moet. Mijn eigen trainer Chris de Korte en bijvoorbeeld Cor van der Geest zijn geen topsporter geweest, maar waren wel heel goede topsportcoaches. Je moet je goed kunnen verplaatsen in een topsporter. Voor mijzelf vond ik het wel een pre dat ik die ervaring had. Ik had als sporter dingen meegemaakt, die ik zelf als coach anders wilde doen met mijn sporters. Ik heb bijvoorbeeld een coach gezien die wegliep van de mat toen zijn judoka had verloren. Dan dacht ik bij mezelf 'jezusmina, je hebt er dus echt helemaal niets van begrepen'. Weet je wel wat het betekent als je verliest en van die mat afkomt? Als je alles hebt gegeven en je coach is er niet eens. Juist dan is het belangrijk om er te zijn voor die sporter, om even een arm om de schouder te slaan zodat de sporter het zelf ook in perspectief kan zien. Als de judoka wint is het makkelijk, dan zijn we allemaal meejuichers.”
“Nadat ik gestopt was met topjudo ben ik er even tussenuit geweest, maar ik was alweer vrij snel terug als coach. Dat was wat ik wilde en dat wist ik eigenlijk al heel vroeg, ook als judoka. Ik wilde de beste van Europa en de wereld worden. Het zit in mijn systeem om rechtdoor te gaan en goed te weten wat je wil. Mensen vroegen mij wel eens of ik het niet vervelend vond dat ik mijzelf allerlei dingen moest ontzeggen, maar zo voelde dat helemaal niet. Het was prachtig om te doen. Ik heb drie Europese titels gewonnen en vier WK-medailles. Het heeft me wel wat gebracht hoor. Het enige jammere is dat ik nooit wereldkampioen ben geworden, maar daar lig ik niet wakker van hoor.
“Na het judo heb ik eerst mijn eigen sportschool opgebouwd, maar ik had altijd wel in mijn achterhoofd dat ik iets wilde doen in de begeleiding van topsporters. Ook omdat ik vond dat er nog zoveel te verbeteren was. Toen ik zelf op de mat stond, was Karel Gietelink bondscoach en hij heeft me geïnspireerd. Dat wilde ik ook, maar het heeft wel een tijdje geduurd. Ik heb een paar keer gesolliciteerd, maar het bleek als vrouw toch best moeilijk te zijn om binnen te komen.”
2. Uiteindelijk ben je er toch tussengekomen en heb je het vrouwenjudo in Nederland definitief op de kaart gezet. Hoe moeilijk is het om als vrouw in de mannenwereld van de topsport te werken?
“Ik heb het altijd wel als prettig ervaren om in die mannenwereld te werken, maar het is toch typisch dat er maar zo weinig vrouwen in het coachvak zitten. Aan de ene kant begrijp ik het wel. Ik heb de afgelopen 18,5 jaar veel over de wereld gereisd, je bent nauwelijks thuis. Er is wel eens uitgerekend dat we in ons vak in een pre-olympisch jaar 1,75 fte aan het werk zijn. Daar moet je heel duidelijk voor kiezen en ik begrijp best dat voor veel vrouwen het moeilijk is."
"Ik heb de keuze voor mijn werk heel bewust gemaakt. Ik heb wel een relatie, maar ik heb bewust over nagedacht om geen kinderen te krijgen als dit al voor mij weggelegd zou zijn. Ik wist heel goed wat ik wilde en ik vond niet dat kinderen de dupe moesten worden van iets dat ik zelf heel graag wilde doen. En ik heb er geen moment spijt van. Of mijn judoka’s mijn kinderen zijn? Daar lijkt het soms wel op hè (lacht). Mensen zeggen het wel eens, maar er is ook genoeg professionele afstand. Ze komen niet bij mij over de vloer.”
“Vrouwen moeten er ook wel harder voor vechten voor een baan als trainer of coach in de topsport. De meeste mensen zijn toch gewend aan trainers en niet aan trainsters. Kijk maar eens wat er in het judo overblijft nu ik weg ben. Véronique Akkermans is ook weg bij de junioren. Er is geen enkele vrouwelijke coach meer en dat is jammer. Er zijn wel degelijk verschillen in aanpak tussen mannelijke en vrouwelijke aanpak, waarbij ik niet zeg wat beter of slechter is. Wat goed is voor de een is niet per se goed voor de ander. Ik denk dat vrouwen de emotionele kant bij vrouwen toch vaak iets beter begrijpen dan mannen.”
“Er is in de loop der jaren wel veel veranderd in de positie van het vrouwenjudo. Ik heb er altijd voor gevochten dat het vrouwenjudo binnen de bond op dezelfde plaats kwam te staan als het mannenjudo. Daar was Cor van der Geest voor mij natuurlijk ook al mee begonnen. Ik denk dat we dat inmiddels ook wel hebben bereikt. We krijgen meer belangstelling, ook in de media krijgen vrouwelijke sporters tegenwoordig meer aandacht. Goede resultaten werken daar ook aan mee natuurlijk.”
3. Een deel van je motivatie om coach te worden, kwam voort uit je eigen ervaring als topjudoka. Wat wilde je als coach veranderen?
“Een van de dingen waar ik me wel druk over heb gemaakt is de omgang met blessures, fysiek en mentaal. Het was in mijn tijd nog niet erg professioneel allemaal. Maar toen ik bondscoach werd, kwam ik terecht in het hele circus bij de bond en dingen veranderen was niet altijd even gemakkelijk. Het was in de bond destijds een ontzettende puinhoop. Iedereen rolde over elkaar heen. Coaches stonden vooraan in de rij om op de mat te komen, maar op een aantal na deden ze er lang niet alles aan om ook echt het beste eruit te halen. Dat heeft mij de nodige sores gegeven, maar toen kwamen Chris de Korte, Cor van der Geest en Maarten Arens erbij en vanaf dat moment hebben we ook echt een organisatie neergezet rondom clubcoaches. We hadden een duidelijke visie over hoe je nou eigenlijk met sporters om moest gaan.”
“Van mijn eigen bondscoach Karel Gietelink heb ik destijds ook het nodige geleerd. De manier waarop hij omging met teleurstellingen. Dat is voor een sporter ook enorm belangrijk. Topsport is toch vaak heel erg rechtdoor, maar je moet ook kunnen relativeren om weer met een frisse blik verder te kunnen. Natuurlijk zit je op weg naar een kampioenschap wel eens in een tunnel, maar je moet je ogen openhouden voor verbetering. Als je alleen maar doet wat je altijd deed, sta je niet meer open voor verbetering. Natuurlijk moet je voor een evenement niet gaan bedenken wat er gebeurt als het allemaal niet lukt zoals je wil. Maar als je verloren hebt, moet je wel realistisch zijn. Een sporter die er alles aan heeft gedaan, kun je niet verwijten dat hij iets heeft laten liggen. Misschien was die ander op dat moment gewoon net even iets beter, of moet je volgende keer je huiswerk beter doen omdat je tactisch toch iets hebt laten liggen. De tunnel is zeker nodig in de voorbereiding maar je moet je wel af kunnen vragen of alles wat je doet ook echt goed is.”
4. Toen je stopte als bondscoach meldde de NOS dat je de langstzittende bondscoach in de Nederlandse sport ooit bent. Heb je in die 18,5 jaar wel eens het bijltje erbij neer willen gooien? En keer je nog ooit terug in de topsport.
“Na de Olympische Spelen van 2012 heb ik het heel serieus overwogen. Ik sukkelde al langere tijd met mijn fysiek, maar ik wilde ook niet weg uit de topsport. Ik wilde toen technisch directeur worden, maar dat was helaas niet voor mij weggelegd. Ik vind het nog altijd heel jammer dat ik niet de mogelijkheid kreeg om door te groeien bij de bond. Ik vind het ook nog steeds vreemd dat er toen iemand van buitenaf is aangetrokken die er eigenlijk een puinhoop van heeft gemaakt. Daardoor lopen we nu weer een paar jaar achter.”
“Bij mijzelf kwamen er toen toch weer judoka’s op mijn pad en ik wilde er ook niet zomaar uitstappen. Toen ben ik dus toch maar weer doorgegaan, maar dat het toen in de organisatie waar ik toch voor heb gestreden minder ging lopen, is me niet in de kouwe kleren gaan zitten. Toch viel de uiteindelijke beslissing om te stoppen eerder dit jaar me wel zwaar. Maar ik moest die keuze maken. Ik heb altijd gevonden dat een topsporter op weg naar de Spelen de best mogelijke begeleiding moet hebben. Buiten het feit dat het voor mijzelf vervelend is dat ik het fysiek niet aankan, was ik niet meer in staat om het voor de sporters optimaal neer te zetten. Dan moet je jezelf in de spiegel aankijken en een eerlijk besluit nemen. Dat is hard maar op dit moment kan het even niet anders. De technische staf neemt het hele traject tot Rio over. Het is niet goed om binnen een jaar voor de Olympische Spelen nog heel veel te veranderen in een begeleidingsteam. Je moet voor de sporters niet te veel overhoop halen. Met Maarten Arens (bondscoach bij de mannen, red.) neemt een deel van de algemene leiding over.”
“Ik wil zeker terugkomen in de topsport, dat is waar ik altijd enorm veel plezier aan heb beleefd. Ik heb met plezier bij de JBN gewerkt. Of dat als bondscoach is betwijfel ik, maar een rol als technisch directeur zie ik wel zitten. Op dit moment heb ik mezelf voorgenomen eerst een jaar rustig aan te doen. Ik heb een aantal verschillende fysieke ongemakken. Vorige week heb ik een ablatie gehad vanwege hartritmestoornissen en ik heb een slechte nek. Eigenlijk loop ik met een aantal oude blessures waar ik in al die jaren veel te weinig aandacht aan heb besteed. In mijn tijd als judoka was er ook veel minder aandacht voor het medische verhaal en de arbeid-rust-verhouding. Het was gewoon hard trainen, doorgaan en niet zeuren. Op dat gebied is er de afgelopen jaren wel enorm veel verbeterd.”
5. Er is de afgelopen jaren veel discussie geweest over centralisatie van het topjudo in Nederland. Ook tijdens het afgelopen NK bleek dat niet alle judoka’s daar even blij mee zijn. Hoe kijk jij daar tegenaan?
“Ik begrijp wel dat Herny Bonnes (directeur topsport bij de judobond, red.), die er namens de bond op reageerde, een beetje verbaasd was. Een tijdje terug is de beslissing genomen dat alles na de Olympische Spelen van Rio wordt samengebracht op Papendal. Natuurlijk geeft dat onrust want sporters weten niet waar zij tegen die tijd exact aan toe zijn. Het is nieuw en daar zitten onzekerheden aan vast. Maar het besluit is genomen en er komt in november nog een bijeenkomst waarop meer uitleg komt.”
“Wat die centralisatie zelf betreft, daar ben ik niet op voorhand tegen. We kunnen natuurlijk pas over acht jaar echt zeggen hoe het heeft uitgepakt, maar op zich zie ik wel voordelen in centralisatie. We waren de afgelopen jaren ook al min of meer mee bezig met vier regionale steunpunten. Helaas is dit niet verder doorgetrokken. Het voordeel is dat alles straks op een plek goed geregeld is. Er zijn goede accommodaties en daar kun je altijd gebruik van maken. Je hoeft niet meer constant te reizen en alle kennis is geconcentreerd op één plek. Natuurlijk heeft het ook nadelen. Sparringpartners zijn misschien moeilijker te vinden, maar ik weet vanuit de gesprekken, dat daar heel veel aandacht aan is geschonken We moeten waken voor onrust. Iedereen moet zich nu gewoon concentreren op Rio.”
“Zelf ga ik zeker niet mee naar Rio. Ik weet nu al dat ik er absoluut niet tegen kan om op de tribune te zitten. Ik vind het vreselijk om er niet bij te zijn. Het is toch iets waar ik altijd het vizier op het gehad. Op dit moment begeleid ik alleen Marhinde Verkerk nog een beetje op de achtergrond. Hoe het straks met de judoploeg gaat in Rio durf ik niet te zeggen, maar ik geloof zeker in de Nederlandse medaillekansen, met Marhinde Verkerk, Annika van Emden en Kim Polling bij de dames. Bij de heren hebben we Henk Grol en Dex Elmont, Roy Meijer, Noël van ’t End en het jonge talent Frank de Wit.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.