29 mei 2012
Nieuws
door: Karianne van der Zant | 29 mei 2012
1. Je was universitair docent Sport en Recht sinds 2007. Waarom heeft het zo lang geduurd eer je benoemd werd als bijzonder hoogleraar? En zijn er wezenlijke verschillen in je werkzaamheden voor de Vrije Universiteit nu je geen universitair docent maar professor bent?
“Op het moment dat Heiko van Staveren in 2007 met emeritaat ging, werd ik universitair docent Sport en Recht; ik moest nog promoveren dus een opvolging was sowieso niet aan de orde. Wel nam ik vrijwel alle taken van Heiko over. Toen ik in 2009 promoveerde, kwam er vanuit de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Sport en Recht het initiatief om de leerstoel in ere te herstellen. Waarom dat niet eerder is gebeurd, zou je aan het bestuur kunnen vragen. Vervolgens zijn er nog een paar jaar overheen gegaan, wat vooral te maken had met fondsenwerving. Toen het eenmaal financieel rond was, moest er een formele aanstellingsprocedure doorlopen worden. Zo heb ik gewoon gesolliciteerd. Of er nog andere sollicitanten waren, heb ik nooit gevraagd. Ik ben in ieder geval blij dat ik het ben geworden en me nu bijzonder hoogleraar Sport en Recht mag noemen. Niet omdat dat mooier zou staan op mijn visitekaartje, want daar hecht ik weinig waarde aan. Maar ik merk dat het vooral in het buitenland deuren opent die eerder gesloten bleven. Vooral in Duitsland werkt dat zo. In mijn werkzaamheden verandert er weinig. Het enige is dat ik nu promotor mag zijn; ik hoop dan ook binnenkort een promovendus aan te kunnen stellen. En ik ben nu twee dagen in plaats van één dag verbonden aan de VU. De andere dagen werk ik als advocaat bij VMW Taxand. Een mooie verdeling; ik werk graag in de praktijk, maar ik ben ook blij dat ik door mijn wetenschappelijke functie de zaken vanuit een ander perspectief kan zien en een ander geluid kan laten horen. Ik mis in de advocatuur soms mensen die onafhankelijk denken, die staan voor hun eigen mening.”
“In beide functies moet ik snel schakelen tussen verschillende rechtsgebieden. De sport raakt immers op veel vlakken het recht. Daar ben ik goed in, vooral dat is mijn kracht. En ook dat ik binnen onze praktijk meteen ga shoppen als ik merk dat ik onvoldoende gespecialiseerd ben in een bepaald rechtsgebied voor een zaak. Als een van de weinige advocatenkantoren werken we bij VMW Taxand in een team en voor mij is dat heel prettig. Ik kan altijd makkelijk beroep doen op de specifieke kennis van een collega.”
2. Het vakgebied Sport en Recht is relatief jong. Hoe heeft het zich de afgelopen jaren ontwikkeld? En wat worden de belangrijke thema’s van de toekomst?
“Als je het vroeger over Sport en Recht had, had je eigenlijk over Sport en Arbeidsrecht. Bijna alle advocaten waren arbeidsrecht advocaten. De ontwikkeling zit ’m vooral in het feit dat de sport met steeds meer rechtsgebieden in aanraking komt. Het intellectuele eigendom van sporters, de commerciële exploitatie van sportevenementen, privacywetgeving, schadeaansprakelijkheid. Daarmee raken ook steeds meer juristen betrokken bij het vakgebied. Ik vind het belangrijk dat ook deze juristen zich bezighouden met de vraag die Heiko van Staveren steeds stelde: hoe verhoudt de sport zich tot het recht? Om kennis daarover te delen is er sinds vorig jaar door mij de postacademische leergang Sport, sportorganisatie en recht aan de VU van de grond getild, waarin onder anderen Jan Loorbach (deken van de Nederlandse orde van advocaten en voormalig chef de mission van NOC*NSF – red.) en Henk Kesler (oud-directeur van de KNVB – red.) hun visie geven. Zo’n leergang, waar veel animo voor is, bewijst dat het vak groeit en steeds serieuzer genomen wordt.”
“Verder zie je dat het op internationaal niveau meer aandacht krijgt. Nederland loopt aardig voorop, maar als je wilt weten wat er in de toekomst gaat spelen, moet de blik nog altijd op de Verenigde Staten gericht zijn. Ze kijken daar wel op een andere manier naar Sport en Recht - meer vanuit antitrustwetgeving - maar de meeste issues komen hier vanzelf ook aan de orde. Dat zag je met mededingingsrecht en cao’s in de sport, en dat gaat zeker gebeuren met de genderproblematiek, waarover in de VS nu volop discussie wordt gevoerd. Mogen vrouwen meedoen in een mannencompetitie? Ik vind dat een lastig verhaal. Sport discrimineert per definitie; daar heb ik helemaal geen moeite mee. Ik ben het er bijvoorbeeld mee oneens dat gehandicapte sporters mogen deelnemen aan de Olympische Spelen. Er wordt snel gezegd dat je dan discrimineert, maar het is inherent aan de sport om mensen uit te sluiten. Denk alleen al aan nationale teams. Zo op het eerste gezicht zou ik er dus niet voor pleiten om vrouwen toe te laten bij mannenwedstrijden. Maar wat als niet duidelijk is of iemand een man of vrouw is? Zoals al in de jaren 50 bij de Nederlandse hardloopster Foekje Dillema? Of bij transgenders? De vraag is hoe je een en ander zal moeten testen. In het atletiek gaat er nu om of je een verdeling moet maken op basis van testosteronwaarden. Ik moet me nog eens goed verdiepen in deze kwestie, ik ben daar nog niet uit.”
“Een ander issue dat zeker gaat spelen, of eigenlijk al speelt is match fixing, het kunstmatig beïnvloeden van sportwedstrijden. Er zijn onderzoeken waaruit blijkt dat het op grote schaal voorkomt. Maar ook al zou het slechts om een paar wedstrijden gaan, elke gefixte wedstrijd is een aanslag op de sport. Alle regels die het hart van de sport raken zouden immuun moeten zijn voor de toepassing van het gewone recht. Gelukkig staat dit onderwerp hoog op de agenda. Op 24 mei waren allerlei experts op dit gebied - onder wie ik - uitgenodigd om te praten over deze kwestie in de vaste commissie voor VWS. En om aanbevelingen te doen. Ik ben voorstander van meer transparantie. Het is toch vreemd dat we in Nederland op sportgebied alleen De Lotto kennen als legale kansspelorganisatie? Mijn studenten gokken wat af op internet en weten niet eens dat het illegaal is. Ik pleit voor meer legale aanbieders van kansspelen, die een licentie kunnen krijgen als ze aan bepaalde strikte voorwaarden voldoen. Ik weet zeker dat je de kansspelaanbieders meekrijgt, want de goede zijn natúúrlijk gebaat bij onzekerheid van het resultaat. Alternatief is dat je een dikke muur bouwt, maar daar geloof ik niet in. Gokken op sportwedstrijden bestaat al sinds mensenheugenis. Je kunt het beter proberen te controleren.”
3. Hoe sta jij tegenover sporters of sportorganisaties die bij een juridisch conflict hun heil zoeken bij de burgerrechter?
“Het zijn vaak sporters die de stap naar de rechter móeten maken omdat ze geen andere keuze hebben. In de meeste gevallen gaat het in zulke conflicten erom dat de bond een sporter uitsluit van deelname aan een belangrijk evenement en erger kun je een sporter niet raken. De bond heeft daarmee een enorme machtspositie. Maar de inzet bij al mijn cliënten die sporter zijn, is om de gang naar de rechter te voorkomen. Dat lukt ook bijna altijd. Beide partijen zijn er immers bij gebaat de zaak buiten de media te houden en als je met juridische stappen dreigt, blijkt er gelukkig vaak veel ruimte voor onderhandelingen. Maar als het belang van mijn cliënt gebaat is bij een rechtszaak, is er geen twijfel. In het geval van Jeffrey Wammes en Epke Zonderland bijvoorbeeld - waarbij de turnbond te voorbarig was geweest bij het aanwijzen van Zonderland als deelnemer aan de Olympische Spelen in plaats van Wammes - zou ik ook zonder meer naar de rechter zijn gestapt. Maar leuk is dat natuurlijk niet. Twee ambitieuze mannen die elkaar in het turncircuit steeds tegenkomen, staan voor de rechter ongewild tegenover elkaar. Dat kost veel energie, waar geen enkele sporter op zit te wachten.”
“Als een sporter in meer principiële zaken - zoals controversiële dopingreglementen - de strijd aangaat, heeft hij al helemaal weinig te winnen. In het allerbeste geval - na veel tijd, geld en moeite - beslist de rechter dat de sporter gelijk heeft. Denk aan de zaak Meca Medina die diende voor het Hof van Justitie EG. Dan heeft deze individuele sporter er baat bij gehad, maar in essentie verandert er niets: de sportorganisatie past de regels licht aan zodat deze juridisch weer afgedekt zijn, en een volgend geval kan weer helemaal opnieuw beginnen. Het is dan ook niet zo gek dat dopingreglementen nog nauwelijks door Europese rechters of door het Hof van de rechten van de mens getoetst zijn.”
4. Zie jij onderscheid tussen sportorganisaties in de manier waarop zij hun regels, procedures al dan niet op een professionele wijze verankerd hebben? Wie doen het (heel) goed, wie (heel) slecht?
“Er is een enorme professionalisering doorgemaakt met de oprichting van het Instituut Sportrechtspraak. Als sportbonden hun tuchtrechtspraak wilden overdragen aan dit Instituut, werden er onder meer eisen gesteld aan de statuten. Op bondsniveau zie je daardoor vaak recente, moderne statuten. Bovendien zorgt dit Instituut ervoor dat partijen bij conflicten beroep kunnen doen op een onafhankelijke tuchtcommissie. Wat nog wel problemen geeft, zijn reglementen die niet goed aansluiten op die nieuwe statuten, of regels van de internationale bond die niet overeenkomen met de nationale. Reglementen zouden - zeker na een statutenwijziging - eigenlijk altijd gecheckt moeten worden door een goede jurist. Dit kost geld en vooral bij bonden met lagere inkomsten wordt daarop bezuinigd. Ze lopen daardoor onnodige (financiële) risico’s. Ik reken voor sportorganisaties zeer toegankelijke tarieven omdat ik vind dat dat bij mijn werk hoort, maar ook een sportorganisatie moet weten dat kwaliteit geld kost. En uiteindelijk geld bespaart. Maar bij onze grote sportbonden zoals de KNVB, KNHB en KNLTB is het goed geregeld. Op clubniveau laat het vaker te wensen over; ik zie nog regelmatig statuten voorbij komen van voor de Tweede Wereldoorlog. Dan weet je nauwelijks waar je moet beginnen om er iets fatsoenlijks van te maken.”
5. Je was commissaris bij Ajax. Daar wil je inhoudelijk liever niet over praten, maar zou je in de toekomst – als je daarvoor gevraagd zou worden – een dergelijke bestuursfunctie bij een andere eredivisieclub accepteren?
“Ik schuw een - al dan niet toezichthoudende - functie in de sport zeker niet. Ook niet in de voetbalwereld. Ik heb een reëler beeld van een dergelijke functie gekregen en veel geleerd. Die ervaring zou ik juist goed kunnen gebruiken. Ik ben zelfs al gepolst door een paar eredivisieclubs maar ik neem er even afstand van. Ook vanuit de optiek van de geheimhouding en good governance. Hoewel ik mijn werk met heel veel plezier doe en veel dingen die erbij horen meer als hobby zie, kost het veel tijd. Daarnaast heb ik ook een gezin, dat op het moment de nodige aandacht verdient. Allicht in de toekomst.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.