27 januari 2015
Nieuws
door: Leo Aquina | 27 januari 2015
1. De Stuurgroep Sectorplan Sportonderoek heeft een overdrachtsdocument opgesteld voor het nieuw gevormde Topteam. Wat was de precieze rol van jullie als stuurgroep?
“In 2010 is het Sectorplan Sport opgesteld en als stuurgroep was het onze opdracht de implementatie van dat sectorplan te begeleiden. Als het gaat om sportonderzoek gebeurde er in het verleden wel het een en ander, maar dat was her en der verspreid door het land zonder echte samenhang. Doel van het sectorplan was om op verschillende thema’s tot meer samenwerking en afstemming te komen. Onderzoeksresultaten kunnen elkaar daardoor versterken en er komen ook betere aanknopingspunten voor implementatie.”
“Nadat wij het overdrachtsdocument hebben gepresenteerd is er nog geen officiële overdracht aan het Topteam geweest, maar dat document is natuurlijk ook verreweg het belangrijkste. Daarmee zit de taak van de stuurgroep erop. Het is nu aan het Topteam om de kennis- en investeringsagenda op te stellen. Wij hopen dat het Topteam haar taak in dat opzicht breed opvat. In het overdrachtsdocument leggen wij het Topteam de vraag voor wie de regie gaat voeren op de kennis- en innovatieagenda tot 2020. Door die vraag te stellen hopen wij dat het Topteam hierin ook zijn verantwoordelijkheid neemt en bijvoorbeeld een bijdrage levert aan het tot stand komen van een netwerkorganisatie die hierin een rol zou kunnen spelen.”
“Als stuurgroep hebben wij geen invloed gehad op de samenstelling van het Topteam. Ik ken ook niet iedereen die erin zit. Maar als ik naar de samenstelling kijk, denk ik dat er een interessante mix is van ervaring in bedrijfsleven en in onderzoek. Als het om de meer sociale agenda van de sport gaat zal iemand als Eric van de Burg (wethouder sport in Amsterdam, red.) de nodige inbreng hebben. Het gaat erom dat dit team een evenwichtig programma kan samenstellen en ik heb geen enkele reden om aan te nemen dat dat niet het geval zou zijn. De belangrijkste boodschap die wij als stuurgroep aan het Topteam willen meegeven, is om goed te kijken wat er in de afgelopen periode allemaal al is gedaan op het gebied van sportonderzoek. Er waren natuurlijk veel grotere ambities dan middelen, maar er is al veel tot stand gekomen. Bouw daarop voort.”
2. 'Er waren veel grotere ambities dan beschikbare middelen?' Wat waren de ambities en waar komt dat gat vandaan?
“In het sectorplan werden vijf thema’s geformuleerd: Talentvol, Meedoen, Vitaal, Nederland in Beeld en Nederland op de Kaart. Later is daar ‘Ondersteuning studie Topsporters’ als zesde thema aan toegevoegd. In totaal was er op die verschillende thema’s voor zo’n 55 miljoen euro aan onderzoeksvragen geformuleerd, maar er was slechts 10 miljoen euro beschikbaar. Dat verschil moet je zien in het licht van de ontstaansgeschiedenis. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft aanvankelijk in samenwerking met VWS opdracht gegeven voor het sectorplan. Er zijn destijds in twintig verschillende sectoren sectorplannen opgezet om onderzoeksvragen beter in beeld te brengen. Bij het sectorplan sport is aansluiting gezocht bij de prioriteiten uit het regeringsstandpunt over het toenmalige Olympisch Plan. De ambities van dat plan waren groot. Het was de bedoeling om Nederland op olympisch niveau te brengen op alle genoemde thema’s. Als je dan gaat kijken welke relevante aspecten er zijn om onderzoek naar te doen – en daarbij kijk je ook naar onderzoek dat niet alleen voor de sport, maar ook voor de rest van de samenleving toegevoegde waarde heeft – dan kom je uit op die ambities.”
“Het sectorplan heeft die ambities en de bijbehorende onderzoeksvragen in beeld gebracht. Het plan loopt tot 2016. Dat de beschikbare middelen niet aansloten bij die ambitie had voor een groot deel te maken met de economische crisis die erover heen kwam. Dat moet geen reden zijn om die ambities maar even in de prullenbak te gooien, die zijn nog steeds actueel. Ik zie de komende jaren in het overheidsbeleid meer ruimte ontstaan en uiteindelijk gaat het natuurlijk maar om beperkte bedragen. Tien miljoen euro is helemaal niets op de totale rijksbegroting, maar dat is politiek.”
3. Waarom moet het sportonderzoek in Nederland eigenlijk gecoördineerd worden? Wetenschappers laten zich toch niet sturen? Was er vanuit die hoek geen weerstand tegen de plannen?
“Van weerstand heb ik zelf weinig gemerkt, maar dat wil natuurlijk nog niet zeggen dat die er helemaal niet is. Natuurlijk gaan mensen in individueel onderzoek gewoon hun gang, maar de winst van het sectorplan is dat door samenwerking en afstemming één plus één drie wordt. Gecoördineerde onderzoeksprogramma’s hebben meerwaarde ten opzichte van zaken die niet op elkaar aansluiten. Het is goed als iemand in Groningen weet dat iemand in Maastricht met een soortgelijk onderzoek bezig is. Ze kunnen elkaar versterken en ze kunnen ook hun definities synchroniseren, zodat de resultaten wederzijds bruikbaar zijn.”
“Een andere reden is geld. Als stuurgroep hebben we ook gekeken of we andere geldbronnen kunnen aanboren. We hebben een uitgebreide stakeholdersanalyse gedaan. Welke ontwikkelingen zijn er gaande en waar kunnen we op aanhaken, ook in Europees verband. Welke samenwerkingsverbanden zijn er mogelijk tussen verschillende universiteiten en wat is de behoefte van het bedrijfsleven? Wij hebben een heleboel uitzoekwerk op dat gebied laten doen. Daar komen lokale instellingen normaal gesproken niet aan toe. Daarnaast heeft de stuurgroep de aansluiting onderzocht bij het topsportsectorenbeleid van de overheid, de onderzoeks- en innovatieprogramma’s in andere sectoren. In totaal ging daar een paar honderd miljoen in om en we hebben nadrukkelijk raakvlakken gevonden. Op die manier kon het sportonderzoek kijken of er ook financieringsmogelijkheden waren vanuit andere sectoren. En tot slot hebben wij ook gekeken naar EU-gelden voor sportonderzoek.”
“Op dit moment leunt de financiering van sportonderzoek voornamelijk op overheidsgeld. Dat is niet de ideale situatie, zeker niet als je kijkt naar de mogelijke opbrengsten van het onderzoek. Er komen veel toepassingen uit voort die ook in de rest van de samenleving zinvol zijn, of die goed commercieel in de markt kunnen worden gezet. Het is goed om de mogelijkheden voor derde geldstroomonderzoek goed te in beeld te hebben.”
4. Het NeSSI (Netherlands Sports Science Institute), later NISSI (Netherlands Institute for Sports Science and Innovation) was een van de speerpunten uit het sectorplan. Dat is er niet van gekomen. Waarom niet?
“Daar is natuurlijk enorm veel discussie over geweest. Het is jammer dat het niet van de grond is gekomen, maar de discussie heeft er wel toe geleid dat er nu op zo’n elf plekken in Nederland onderzoekscentra zijn bij universiteiten en hogescholen. Dat is heel goed, want dat betekent ook dat het onderzoek voor de buitenwereld herkenbaar en bereikbaar wordt. De resultaten komen beter over het voetlicht, ook in het buitenland. Er is in het verleden wel het nodige onderzoek gedaan, maar wie wist dat nou?”
“Er is een heleboel ruis in de beeldvorming wat NeSSI of NISSI nou eigenlijk echt zou moeten zijn. Het is altijd de bedoeling geweest dat het een netwerkorganisatie zou worden, waarin instellingen op een aantal gemeenschappelijke aspecten zouden samenwerken. Op die manier zouden zij de onderzoeksprogramma’s kunnen afstemmen, de toegang tot kennis vergroten en zouden er meer mogelijkheden komen om de resultaten in de markt te zetten. Ook zou die organisatie de relatie met de Europese Unie kunnen onderhouden. Dat zijn allemaal zaken die via een netwerkorganisatie meer resultaat opleveren dan als iedere instelling het apart zou doen.”
“Er ontstond echter een beeld dat het NISSI vooral 'Amsterdam' was en dat daar een paar anderen bij mochten aansluiten. Die beeldvorming was niet terecht, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat hierin toch de voornaamste reden voor het afketsen ligt. Bij Groningen (De RUG was oorspronkelijk een van de initiatiefnemers van het NeSSI, maar haakte later af, red.) speelde ook mee dat men bij de honorering van de onderzoeksgelden buiten de boot was gevallen. Geleidelijk aan ging de discussie niet meer over wat we nou echt met zijn allen wilden, maar over wie waar kwam te zitten en wie de baas was. Daar komt bij dat VWS sowieso geen boodschap had aan het NeSSI. Ik vind het spijtig dat het niet van de grond is gekomen, maar dat neemt niet weg dat die onderzoekscentra er wel zijn en dat je die netwerkorganisatie nu van onderop misschien wel beter kan organiseren. De toekomst zal het leren.”
5. Tot slot het Olympisch Plan. Een van de taken van de Stuurgroep was verbinding met het Olympisch Vuur en het Olympisch Plan te houden. Olympisch Vuur en het Olympisch Plan zijn geschiedenis. Bent u daar rouwig om en wat betekent dat voor het sportonderzoek in Nederland?
“Als stuurgroep hebben we geen opvatting over het afblazen van het Olympisch Plan. De thema’s uit het sectorplan zijn relevant, ongeacht of er nu Olympisch Plan is of niet. Neem als voorbeeld de relatie tussen cognitieve ontwikkeling en bewegen. Dat is een prominent thema en er is al onderzoek naar gedaan. Bewegen lijkt goed voor de cognitieve ontwikkeling, maar echt harde bewijzen zijn er nog niet. Onderzoek is dus relevant. Als dat harde bewijs er wel is, zou de overheid in onze kennissamenleving gymnastieklessen op de basisschool verplicht moeten stellen. Nu is dat een beetje vrijwillig. De meeste scholen doen het wel, maar het wordt niet echt financieel ondersteund.”
“Het is moeilijk in te schatten wat de rol van het Olympisch Plan is geweest als aanjager van het sportonderzoek in Nederland. Ik denk dat veel onderzoek er ook zonder dat plan wel was geweest, maar het simpele feit dat het ministerie van OCW destijds een sectorplan sportonderzoek heeft ingesteld, is voor een groot deel aan het Olympisch Plan te danken. Het is maar zeer de vraag of dat sectorplan sportonderzoek er zonder het Olympisch Plan was geweest.”
“Er gaan nu weer stemmen op om dat Olympisch Plan nieuw leven in te blazen. Als voorzitter van de stuurgroep heb ik daar geen mening over, maar op persoonlijke titel wil ik er wel iets over zeggen. Ik heb de Olympische Spelen zelf een paar keer meegemaakt en als je kijkt naar de proporties waartoe dat is uitgegroeid, denk ik dat moeilijk wordt om dat in Nederland te organiseren. Ik was in 2000 als staatssecretaris verantwoordelijk voor het EK voetbal. Dat was een enorm evenement, met zestien landen, vier speelsteden in Nederland en vier in België Als je dat afzet tegen de Olympische Spelen, met 20.000 atleten en meer dan 300 medaille-evenementen… Daarvoor heb je een gigantische infrastructuur nodig en die is er niet. We hebben prachtige accommodaties. Een WK hockey kunnen we prima organiseren, maar de Spelen zijn van een andere orde."
“Er is nu binnen het IOC een discussie gaande over compactere Spelen en daarmee zou het voor Nederland misschien weer dichter bij komen, maar het is op dit moment niet zinvol om te roepen dat je die Spelen wil organiseren. Eerst zal in de samenleving het idee moeten leven dat het zinvol is om te doen. Of we het kunnen, is geen argument. Nederlanders hebben op allerlei vlakken wel aangetoond dat we tot veel in staat zijn. Het gaat erom dat het voldoende draagvlak heeft en dat het een goede bijdrage levert aan de samenleving. Die discussie moet je niet overhaast voeren. Komt tijd komt raad.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.