29 april 2008
Nieuws
door: Peter Hopstaken | 29 april 2008
1. Je bent sinds 1 maart jl. voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Rabo Wielerploegen. Heb je bij je besluit om voorzitter van deze raad te worden van tevoren alle afbreukrisico’s in je afweging meegenomen?
“Uiteraard. Maar ik kwam geen voldoende redenen tegen om die verantwoordelijkheid niet aan te willen gaan. Juist in moeilijke omstandigheden heb je mensen nodig die de klus willen klaren. Je moet daarbij bedenken dat ik al lid was van de Raad van Advies van de Rabo Wielerploegen. Er waren voorheen dus twee organen. De Raad van Commissarissen was in de oude situatie voornamelijk verantwoordelijk voor toezicht op de financiële bedrijfsvoering. En de Raad van Advies gaf gevraagd en ongevraagd advies aan de directie over bijvoorbeeld het dopingbeleid, arbeidsrechtelijke kwesties en de sporttechnische kant van het geheel. Naar aanleiding van het rapport ‘Vogelzang’ is de Raad van Advies geïntegreerd in de Raad van Commissarissen. Deze nieuwe raad is samengesteld uit een mix van mensen die al betrokken waren bij de Rabo Wielerploegen en mensen ‘van buiten’.”
2. Is het in theorie mogelijk dat de Rabo Wielerploegen in de toekomst nog eens een ‘affaire Rasmussen’ zal meemaken?
“De Rabo Wielerploegen heeft een beleid geformuleerd met uitgangspunten, afspraken en regels. Bovendien tekenen de renners een contract. Tóch kan je niet voorkomen dat renners zich niet aan de afspraken of een contract houden. Daarin verschilt de wielerwereld overigens niet van de samenleving in zijn geheel. Al met al is de kans dat renners ongemerkt doping gebruiken tegenwoordig bijna nul denk ik. De wielerploegen die meedoen aan de grote rondes hebben strakke afspraken gemaakt en zich geconformeerd aan een heel streng controlebeleid. Er worden nu zo’n twaalfduizend ‘out of competition’-controles per jaar uitgevoerd, renners worden een paar keer per maand gecontroleerd. Voor de Rabo Wielerploegen geldt overigens dat het anti-dopingbeleid al veel eerder heel hoog in het vaandel stond. Alleen hebben we het nu ook organisatorisch beter geregeld dan voorheen het geval was.”
3. Je bent ook voorzitter van het Auditteam Voetbalvandalisme. Hoe functioneert dat team?
“Het Auditteam Voetbalvandalisme heeft een dubbele taak. Ten eerste onderzoek doen naar het voorkómen van voetbalvandalisme. Voor preventie van problemen is een geoliede organisatie als basis van groot belang. We hebben daarom hard gewerkt aan heldere procedures en goede afspraken tussen alle partijen die betrokken zijn bij voetbalvandalisme: de voetbalclubs, de gemeenten, politie en justitie. Daarnaast wordt het Auditteam ingezet om de oorzaken van incidenten te onderzoeken. Zoals laatst bij FC Groningen-Ajax. Als onderdeel van de licentie hebben clubs met de KNVB afspraken gemaakt op het gebied van veiligheid. We zullen dus nagaan of FC Groningen zich in dit geval aan de afspraken gehouden heeft. De politie en brandweer zijn voor deze case trouwens ook bezig met een onderzoek, maar dan gericht op de technische aspecten. Bijvoorbeeld of de nooduitgangen en brandblussers wel aan de eisen voldeden. Ons rapport hopen we medio mei af te ronden. Maar dat is mede afhankelijk van de vraag of we alle mensen te pakken krijgen die we willen spreken. De mei-vakantie zit er tussen, het kan dus ook wat later worden. Het team is bijna vijf jaar geleden door de minister van Binnenlandse Zaken ingesteld. Komende zomer eindigt de zogenaamde instellingsbeschikking. We zijn bezig met het opstellen van een eindrapport waarin we onder meer over de toekomst adviseren.”
4. Stel jij zou morgen weer staatssecretaris sport worden, wat zou je dan absoluut de hoogste prioriteit geven?
“Daar overval je me mee! Op die manier denk ik eigenlijk nooit na, maar okay... Ik zou in dat geval nooit aan één zaak prioriteit geven. Het gaat altijd om de samenhang van beleid. Bij de breedtesport zou ik vooral denken aan een verdere versterking van de samenwerking tussen scholen, kinderopvang en sportverenigingen. Met als voornaamste doel het creëren van laagdrempelig aanbod voor jongeren. Daarmee bestrijd je ook één van de problemen waar we mee kampen: overgewicht onder de jeugd. Ook op het gebied van topsport zou ik vooral een basale versterking nastreven, bijvoorbeeld op het gebied van infrastructuur, de positie van coaches, talentontwikkeling.
Het streven om Nederland bij de beste tien sportlanden in de wereld te krijgen? Nee, dat vind ik geen doelstelling voor de overheid. VWS streeft dat nu wel na, maar persoonlijk vind ik dat de georganiseerde sport zoiets zelf moet uitmaken. De overheid zou in mijn ogen hooguit de randvoorwaarden daarvoor moeten scheppen. Als het wel een overheidsdoelstelling is om bij de beste tien landen te behoren, dan moet je ook de consequenties daarvan aanvaarden. Als het een afrekenbare doelstelling voor de overheid is dan moet je er ook navenant veel geld voor uittrekken. Anders is het loze symboolpolitiek. Dat gaat voorbij aan de afweging die de overheid moet maken ten opzichte van onder andere de breedtesport danwel andere maatschappelijke sectoren. Ik vind het bevorderen dat topsport op een hoog niveau beoefend kan worden wel een taak van de overheid maar niet iets dat in absolute zin de rest zou moeten verdringen. Bovendien, stel dat de doelstelling niet gehaald wordt. Moet je dan het geld dat ervoor uitgetrokken was weer weghalen? Dat slaat nergens op.”
5. Je zat in de jury om een Top-50 samen te stellen van de ‘meest invloedrijke mensen in de sport’, een idee van de Volkskrant. Heeft de jury objectief meetbare criteria gebruikt of is de uiteindelijke samenstelling van de lijst voornamelijk subjectief te noemen?
“De juryleden hebben een basislijst gekregen met daarop een groot aantal personen. We mochten zelf namen toevoegen of namen schrappen. Vervolgens moesten we de namen in de gewenste volgorde zetten en daarbij kort wat argumenten aangeven. De juryleden hebben onderling geen contact gehad, de krant heeft vervolgens alle ingezonden lijsten geïntegreerd tot een Top-50. Mijn belangrijkste criterium was de daadwerkelijk invloed van iemand op de besluitvorming. Om te beginnen heb ik daarom alle commentatoren van de basislijst verwijderd. Zij hebben immers geen echte invloed. Mogelijk beïnvloeden zij weliswaar opinies, maar gelukkig lang niet van iedereen. De staatssecretaris stond bij mij op nummer één. Zij heeft volgens mij de grootste feitelijke invloed op het sportbeleid. Op nummer twee heb ik de voorzitter van NOC*NSF gezet.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.