Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan marcel wintels voorzitter van de knwu

5 vragen aan Marcel Wintels, voorzitter van de KNWU

24 juni 2014

Nieuws


door: Leo Aquina | 24 juni 2014

1. Waar komt uw liefde voor de fiets vandaan en hoe bent u voorzitter van de KNWU geworden?
“Toen ik nog op de lagere school zat, wilde ik al een racefiets. Maar mijn ouders vonden dat veel te gevaarlijk, dus ik heb altijd gevoetbald. Ik weet nog hoe ik als jochie in een geel T-shirt door de straten van Noordwijk fietste, dromend van de Tour de France. Hoewel ik zelf nooit op enig niveau heb gefietst, ben ik altijd een gepassioneerd wielerliefhebber en sportgek geweest. In mijn jonge jaren had je de Raleigh-ploeg van Peter Post. Ik volgde alles. We hebben toen een jaar gehad met meer dan tien etappezeges in de Tour (1980 red.). Tot 2005 heb ik geen bestuursfuncties in de sport gehad, maar toen kwam er een vraag vanuit NOC*NSF. De KNWU was op zoek naar een opvolger van Joop Atsma als voorzitter. Ze zochten iemand die van buiten het wielrennen kwam, een professioneel bestuurder met passie voor wielrennen, zonder directe banden binnen de sport. Ik heb toen gesprekken gevoerd met een sollicitatiecommissie. Nadat ik had besloten het te doen, kwam er nog een duveltje uit een doosje: er was nog een tegenkandidaat. Uiteindelijk ben ik het wel geworden, maar het was wel meteen een goede kennismaking met besturen in de sport.”

“Wat besturen in de sport anders maakt dan besturen in andere sectoren, is het vergrootglas van de media en alle emoties. Ik kan op allerlei plekken belangrijke bestuurlijke beslissingen nemen, waar bijna niemand ooit aandacht voor heeft, maar veel van wat ik als sportbestuurder doe of zeg, komt in de krant. Iedereen heeft er een mening over en iedereen heeft er verstand van. Dat is ook het mooie van sport.. Ik zeg wel eens gekscherend: als voorzitter van de bond ben je een beetje de kop van jut. Dat moet je dan ook maar voor lief nemen. Juist die emotie en de onvoorspelbaarheid maken de sport extra boeiend. Wat besturen in de sport bovendien complex maakt, is het feit dat je werkt met enorm veel verscheidenheid, van profs tot vrijwilligers en veel verschillende belangen. Je opereert in een speelveld van professionele ploegen waarin heel veel geld omgaat, maar er staan ook mensen die in hun vrije tijd hekken langs het parcours zetten. In het bestuur zie je dat ook. Wij zijn vrijwilligers, maar wij moeten dat werk wel heel serieus en professioneel doen. Ik las ondanks een tweet van iemand die kritiek had op mij over iets waar hij het niet mee eens was en daar stond bij: ‘en dan krijgt hij er ook nog eens dik voor betaald.’ Dat is niet het geval en dat hoeft overigens ook helemaal niet, maar het feit dat je in alle geledingen met veel vrijwilligers werkt, maakt de sport wel anders.”

2. Na de etappezege van Pieter Weening in de Giro retweette u NuSport: “Met 8 World Tour-zeges behoort Nederland momenteel tot de succesvolste wielerlanden.” In hoeverre is dat de verdienste van de KNWU en hoe erg is het dat eerst Rabobank en nu Belkin wegvallen als wielersponsor?
“Ach, dat is niet direct de verdienste van de KNWU. Als bond investeer je in de basis, talentontwikkeling, de verenigingen, trainingscentra, opleidingen. Uiteindelijk komen die talenten bij de grote profploegen. Daar wordt het laatste stukje verschil gemaakt. Onze belangrijkste doelstelling als bond is het interesseren van de mensen voor de sport, het mogelijk maken daarvan en de doorontwikkeling, zowel in de breedte als in de top. Daarvoor hebben we zeker ook rolmodellen nodig zoals nu Pieter Weening, Wilco Kelderman, Bauke Mollema en vooral ook Marianne Vos. Maar we moeten niet alleen aandacht geven aan topsporters. Voor nieuwe toppers heb je vooral een goede en brede basis nodig. Vooral daar moet de KNWU ook aan bijdragen.”

“Rabobank heeft de afgelopen vijftien jaar een enorm belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van het Nederlandse wielrennen en ik vind dat ze daar nog steeds de credits voor verdienen. Rabobank is er op een andere manier in- en ook uitgestapt dan Belkin. Het is uitermate teleurstellend dat Belkin zo snel al weer afhaakt. In de wetenschap dat ze anderhalf jaar vooral op de doorlopende financiering van Rabo even maximale exposure pakken en vervolgens onverwacht afhaken, voelt niet goed. Maar goed, contractueel was dat blijkbaar ingebouwd, dus zakelijk kan het. Wellicht was dit zo zelfs wel vooraf bedacht. Laat ik het daar maar bij houden, heel jammer.”

“Het Nederlandse wielrennen komt deze klap uiteraard te boven, zonder twijfel. We hebben een bijzonder goede generatie renners. Die zullen binnen of buiten Nederland uiteraard hun plek weer vinden. Het klinkt wat cru, maar de markt zal zijn werk doen. Misschien moet het hier en daar daarom financieel een tandje terug. Daarbij moet ik wel zeggen dat het voor het Nederlandse wielrennen toch wel heel mooi zou zijn als we in 2015 tenminste één en liefst
twee ploegen op het hoogste niveau actief hebben. Maar dat zal nog een hele klus zijn.”

3. Doping. We kunnen niet over wielrennen praten zonder dat het onderwerp ter sprake komt. Is het wielrennen dan eindelijk echt schoon en in hoeverre is de schoonmaak geloofwaardig als er in het ‘nieuwe’ wielrennen nog altijd veel mensen werken die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in het verleden ook doping hebben gebruikt zonder het te hebben bekend?
“Niemand zal mij horen zeggen dat het wielrennen helemaal schoon is, of ooit helemaal schoon zal worden. Het is net als in het verkeer, hoe goed je ook voorlichting geeft en de regels handhaaft, er zal altijd wel iemand door rood rijden. Maar waar ik wel hoop dat we nu naartoe werken is een systeem en cultuur waarin de dopinggebruiker de uitzondering is. Uit rapporten van de verschillende onderzoekscommissies komt naar voren dat 10-15 jaar geleden negentig procent van de renners waarschijnlijk doping gebruikte. Het was usance, dan heb ik het wel over het profpeloton bij de mannen, niet bij de vrouwen of bij de amateurs. Ik denk dat de cijfers tegenwoordig anders liggen. De maatregelen van de afgelopen hebben wel voor verandering gezorgd. Je ziet ook dat toprenners als Robert Gesink en Bauke Mollema zich openlijk uitspreken tegen doping. Het gaat er nu om dat sporters elkaar aanspreken. We moeten werken aan een cultuur waarin de sport een zelfreinigend vermogen ontwikkelt ten aanzien van doping.”

“Als je me vraagt: zijn we als KNWU in het verleden tekortgeschoten? Dat denk ik wel. We zijn als sport tekortgeschoten. Dat geldt niet alleen voor het wielrennen. Collega’s van andere bonden laten me wel eens weten blij te zijn dat wij altijd in het middelpunt van die storm staan. Het gebeurt natuurlijk ook in andere sporten, maar het is niet aan ons om daarop te wijzen. Wij hebben zelf een groot probleem en het is onze verantwoordelijkheid om onze eigen problemen op te lossen. Hebben we in het verleden genoeg aan voorlichting gedaan? Ik denk het niet. Hebben we genoeg controles gedaan? Ik denk het niet. Dat komt ook uit het rapport van de Commissie Sorgdrager naar voren. We hebben de aanbevelingen uit dat rapport dan ook zeer ter harte genomen. We hebben de controles flink opgevoerd en dat is nog een behoorlijke discussie geweest op de Algemene Ledenvergadering want extra controles kosten ook extra geld. Maar controles zijn belangrijk. Er gaat ook een preventief effect vanuit. Er is ook voorgesteld om meer controles uit te voeren bij de andere categorieën dan de profs, waarbij de urine misschien niet altijd naar het laboratorium gaat. Dat houdt het betaalbaar en je hebt wel de bewustwording en preventieve werking van de controle. Daar wordt over nagedacht. Niet ieder flitskastje langs de snelweg staat aan, maar je gaat wel langzamer rijden als je een kastje ziet.”

“In hoeverre de schoonmaak geloofwaardig is? Ik heb in het verleden ook al gezegd dat ik de uitkomst van het dopingconvenant, een initiatief vanuit de ploegen, verbazingwekkend vond. Van de tweehonderd (oud-)renners gaven er slechts drie of vier toe. Ik begrijp de frustratie van Michael Boogerd wel enigszins. Hij voelt zich geslachtofferd, de media maakten vooral jacht op hem, terwijl een grote groep renners uit die tijd blijft zwijgen.”

4. U noemde de verkiezingen van Brian Cookson als opvolger van Pat McQuaid als voorzitter van de Internationale wielerunie UCI een wanvertoning. Waait er inmiddels een nieuwe wind door de UCI?
“Mart Smeets heeft recent een boekje geschreven Niets is wat het lijkt, daarin beschrijft hij op grappige wijze hoe het op dat congres aan toeging; er was in de maanden voorafgaand aan die verkiezingen al met modder gegooid en dat werd op het congres zelf voortgezet. Het was echt tenenkrommend. Ik heb tijdens het congres getwitterd dat ik wel weg had willen lopen. Mart vraagt zich in zijn boekje af waarom ik dat niet heb gedaan. Het antwoord is simpel: als ik weg was gelopen, had ik geen stem meer gehad. Ik wilde per se gebruik maken van mijn stemrecht als gedelegeerde om ervoor te zorgen dat er een nieuwe man aan het roer kwam.”

“Ik denk inderdaad dat er inmiddels een nieuwe wind waait. Cookson heeft een flink aantal zaken in gang gezet. Hij heeft internationaal een commissie ingesteld zoals wij de commissie Sorgdrager hebben gehad en die commissie komt eind dit jaar met een rapport. Ten tweede is er een onderzoek in gang gezet naar alle beschuldigingen aan het adres van de UCI. Wat daaruit komt kan ik niet zeggen. Natuurlijk ken ik Hein Verbruggen en hij zegt dat hij een onderzoek naar alle aantijgingen vertrouwen tegemoet ziet. Laten we dus gewoon de onderzoeksresultaten afwachten. Cookson is daarnaast ook bezig om alle dopingcontroles buiten de UCI om te laten gaan. De controle wordt dan niet meer gedaan met directe betrokkenheid van de UCI, wat de onafhankelijkheid ten goede komt. Tot slot is Cookson met een plan gekomen om het hele wedstrijdprogramma aan te passen zodat er meer duidelijkheid is voor de ploegen en er meer continuïteit komt. Pat McQuaid was ook al met een aantal veranderingen begonnen, maar hij had op een gegeven moment ruzie met bijna iedereen en dan wordt het moeilijk om nog effectief te kunnen besturen.”

5. U bent sinds een kleine drie maanden voorzitter van de Raad van Toezicht van NISB. Wat spreekt u aan in die functie?
“Topsport is mooi, maar breedtesport is eigenlijk veel belangrijker. Iedereen moet worden gestimuleerd om te sporten op zijn eigen niveau. Dat geldt zeker in een samenleving waarin het veel minder vanzelfsprekend is dat mensen sporten en bewegen. Wij gingen vroeger als kind na school op het schoolplein voetballen. Tegenwoordig staat er een groot hek om dat schoolplein dat na schooltijd dicht gaat. Dat vind ik ongelooflijk jammer. Overgewicht is een enorm probleem in de samenleving en onder de jeugd, waarvan een deel alleen nog met sport in aanraking komt via computerspelletjes. De betekenis van sport is groot. Kinderen leren te winnen en te verliezen, ze leren er samen te spelen, ze leren er fouten te maken, ze leren discipline. De betekenis van sport voor de samenleving is zoveel groter dan alleen die individuele sportbeoefening. Ik zou willen dat ieder kind al op jonge leeftijd de mogelijkheid krijgt om in aanraking te komen met sport. Meer gymles op school bijvoorbeeld. NISB is een instituut dat zich op allerlei manieren bezighoudt met de vitale samenleving en ik vind het prachtig om daar een steentje aan bij te kunnen dragen.”

“NISB is een instelling die voor het grootste deel draait op subsidie. Daarmee ben je afhankelijk van de politiek. Ik denk dat dat vast ook een van de beweegredenen is geweest om mij te benaderen voor deze rol. Het is prettig om een groot netwerk te hebben, niet alleen in de sport, maar ook in de politiek en in het bedrijfsleven. Je bent als instituut afhankelijk van de onvoorspelbaarheid van de overheid, maar veel instellingen stellen zich in dat opzicht ook wel erg afhankelijk op. Ik vind dat je als instelling moet zorgen dat je een betekenisvolle rol hebt in de samenleving. Je moet zorgen dat je echt bestaansrecht hebt en gewaardeerd wordt. Dan maak je het voor de politiek een stuk moeilijker om een streep door de subsidie te zetten. Bij NISB wordt er nu hard over nagedacht hoe we daar in de toekomst nog beter invulling aan gaan geven. De directie is onder leiding van Remco Boer nu bezig met een meerjarenplan 2015-2019. Daar worden alle belanghebbenden ook nauw bij betrokken. Een punt van discussie is daarbij ook hoeveel we op basis van subsidie doen en hoeveel ruimte er is voor commerciële activiteiten. Die vermenging is moeilijk. Voor je het weet concurreer je op oneigenlijke wijze. Het belangrijke is en blijft dat we als NISB aan de samenleving en aan de overheid duidelijk maken dat we het geld ook echt waard zijn.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.