door: Leo Aquina | 12 november 2013
1. Je bent nu één jaar bondscoach van België en afgelopen jaar werd de ploeg onder jouw leiding tweede op het EK in eigen land. Heb je lang na moeten denken over het aanbod om in België aan de slag te gaan? En wat is de sleutel van het Belgische succes?
“Nee, ik heb niet lang na hoeven denken. Na het goud met de Oranjedames in 2008 in Bejing had ik me voorgenomen om een sabbatical te nemen. Ik wilde rondkijken in andere sporten en ik heb presentaties gegeven in het bedrijfsleven. Vier jaar later ging het tijdens de Olympische Spelen van Londen toch weer kriebelen en België kwam als eerste op me af. Er was veel talent en een goede organisatie. Op de Spelen was ik onder de indruk van de jonge ploeg die daar vijfde werd en op het EK -21 won België in 2012 goud dankzij winst in de finale op Nederland. Eigenlijk had ik geluk dat juist zij op dat moment kwamen.”
“Of België inmiddels een tophockeyland is? We staan nu zesde op de wereldranglijst en dat is een reële positie. Natuurlijk hebben we zilver gewonnen op het EK, maar het gaat erom wat je over een periode van drie à vier jaar doet. We zitten dicht tegen de top aan en ik merk dat de jongens elke dag groeien. Die progressie is niet alleen aan mij te danken. Het is hier tien jaar geleden al ingezet, toen de Belgische bond de Nederlander Ben Wentink heeft aangetrokken als technisch directeur. Hij heeft structuur aangebracht, met name bij de jeugd. Daardoor is er veel talent. Het huidige begeleidingsteam geeft het laatste zetje.”
“Het belangrijkste is dat we het team de overtuiging hebben gegeven dat ze van iedereen kunnen winnen. Belgen zijn bescheiden, denken altijd dat ze iets niet kunnen terwijl ze het wel kunnen. Nederlanders zijn precies andersom. Mijn collega Jeroen Delmee was belangrijk in dat proces. Hij heeft de jongens met video-analyses laten zien welke kwaliteiten ze hebben. Beelden zeggen meer dan woorden. Daarnaast werken we met statistieken. Hoe vaak pak je de bal af? Hoe vaak kom je in de cirkel? Dat soort cijfers. Die statistieken krijgen de spelers in diagrammen te zien. Op die manier zien ze waar ze goed in zijn. Dat moet je weten. Ik heb nog nooit een wedstrijd gewonnen op mijn zwakke punten. Wat de sterke punten van België zijn? Dat ga ik natuurlijk niet allemaal in de media roepen. We zijn heel gedisciplineerd. De jongens durven de keus te maken echt voor de sport te gaan en zijn mede daardoor fysiek enorm fit.”
2. Je werkt toe naar Rio 2016. Welk land geef je daar een grotere kans op goud, België of Nederland?
“Als je puur naar de kansrekening kijkt, is Nederland de grote favoriet. In Nederland zijn 300.000 hockeyers en in België 30.000. Wij blijven de outsider. Er is in België de afgelopen tien jaar enorm veel gebeurd. We hebben vier man in het begeleidingsteam van de nationale ploeg in vaste dienst. De jongens trainen al een jaar lang elke maandag en dinsdag samen en we zitten dan intern in een hotel. Of er in België meer geld beschikbaar is dan in Nederland om dit te kunnen doen? Dat weet ik niet. Ik moet ook uitkijken met het maken van de vergelijking want ik ben natuurlijk al heel lang weg uit Nederland. Ik weet niet hoeveel fulltimers daar nu in dienst zijn bij de nationale ploeg. Hier in België worden juiste keuzes gemaakt. De Waalse en de Vlaamse olympische comités werken veel beter samen dan in het verleden, waardoor er meer mogelijk is. Wij worden ondersteund door een topsportlab, de universiteit van Leuven helpt ons en ik heb een fulltime inspanningsfysioloog in dienst die de krachttraining en de conditietraining in de gaten houdt. Daardoor hebben we bijvoorbeeld veel minder last van blessures.”
“Je ziet dat het Belgische voetbal óók enorm in de lift zit. Dat hangt allemaal met elkaar samen. Bij de voetbalbond is een goed marketingplan en er wordt hard gewerkt met de jeugd. Het grote voordeel van België is natuurlijk dat ze nog maar erg weinig hebben gewonnen, dus er is erg veel honger. En als het dan lukt, zie je enorme euforie. Het hele land is supertrots en die trots heeft ook weer zijn uitwerking op de spelers. Je probeert als sportteam in een flow te komen en dan ben je afhankelijk van het enthousiasme om je heen. Dat zie je in het voetbal en ook in het hockey. Die sporten versterken elkaar. Wij zijn ook bij het voetbal gaan kijken en de spelers hebben onderling contact. Je motiveert en inspireert elkaar over en weer.”
3. Je bent in totaal acht jaar bondscoach geweest van de Nederlandse dames. Kun je een ploeg zo lange tijd achter elkaar blijven prikkelen? Hoe doe je dat?
“Daarbij zijn drie dingen belangrijk. Ten eerste: je moet jezelf blijven veranderen, want dan word je in de loop der jaren steeds weer een andere coach. Ten tweede: je moet je team blijven veranderen: ‘ever change a winning team’. En ten derde: blijf je processen constant veranderen, blijf kijken wat beter kan en durf continu te vernieuwen. Ik denk niet dat er per se een maximale houdbaarheidsduur zit op een coach bij een elftal. Natuurlijk zie je vaak dat coaches na een jaar of vier afscheid nemen, maar daar zijn ook uitzonderingen op. Neem Sir Alex Ferguson bij Manchester United of Foppe de Haan bij sc Heerenveen. Je moet wel blijven veranderen want coaches die altijd hetzelfde blijven doen, zullen ook altijd hetzelfde krijgen. Foppe de Haan vertelde me wel eens dat hij weliswaar meer dan tien jaar trainer was bij Heerenveen, maar dat hij na vier jaar nog maar twee spelers van zijn oorspronkelijke team overhad.”
“Diversiteit is de kracht van een team. Je hebt de ervaring nodig van oudere spelers die de kar kunnen trekken. Je hebt de middenmoot nodig die goed ontwikkeld is en stabiel presteert en je hebt een paar jonge talenten nodig. België heeft een goede mix. Doorselecteren is belangrijk, maar je schrijft natuurlijk nooit een speler af die beter is dan iemand anders op een bepaalde plek. Wel blijf je constant kijken waar verbetering mogelijk is en die ruimte is er altijd. Je kunt een heel goed team hebben, waarin je een jong talent de kans kunt geven om te groeien. Daar wordt de speler en het team op termijn beter van.”
4. Je staat bekend als een innovator. Zegt dat iets over jou of over het conservatisme van de sportwereld om je heen?
“Ik heb altijd gevochten tegen de weerstand bij bestuurders en bij spelers. Iedereen doet het liefst wat hij altijd al heeft gedaan en niemand kijkt naar wat je ook kan krijgen als je iets nieuws probeert. Bij elke innovatie of verandering is er weerstand en die weerstand is er om tegen te vechten, anders sta je stil. Om het te overwinnen heb je drie dingen nodig: onderzoek, expertise en een best practise. Op de Olympische Spelen van 2008 in Beijing was het warm en benauwd. Dat kan je als een probleem zien, maar ik zag het als een kans. Niet alleen wij hebben last van de hitte, ook de tegenstander. Als wij er slimmer mee omgaan, halen we er dus voordeel uit. Als de speelsters onder de douche vandaan kwamen, waren ze nog aan het zweten en hadden ze een hoge hartslag. Anky van Grunsven zei dat zij de paarden na een training afkoelde met koud water. Dat was een mooi voorbeeld uit een andere sport. Als dat bij paarden werkt, waarom dan niet bij mensen. Toen zijn we begonnen met experimenteren. Bij het nemen van een ijsbad ging de hartslag meteen omlaag. Als de speelsters die cijfers zien en er is ook nog eens een arts die het kan onderbouwen, kun je de speelsters overtuigen.”
“Cultuurverschillen bij het invoeren van innovaties ben ik in de verschillende landen wel tegengekomen, maar dat had meer te maken met hiërarchie dan met de weerstand tegen innovatie. Die is overal hetzelfde. In landen als Spanje en Italië is meer hiërarchie. In Nederland zijn de mensen mondiger en eigenwijzer. Als een coach met een innovatie komt, wordt er in Spanje en Italië simpelweg beter naar geluisterd. Maar dat is eigenlijk ook weer niet goed. De spelers moeten niet veranderen omdat de coach het zegt, maar omdat zij er zelf in geloven. In Spanje was innoveren makkelijker, maar het werkte minder.”
“Er zijn natuurlijk ook veel innovaties die later weer verboden zijn. Soms terecht en soms ook niet. Het gebruik van oortjes in het hockey is terecht afgeschaft, want je krijgt er toch een soort robothockey van. Wij zijn het gaan doen omdat de tegenstanders de tekens van onze strafcornervarianten konden lezen. Met die oortjes konden we de tegenstander op het verkeerde been zetten, door iets anders te spelen dan we met de tekens aangaven. Dat werkte goed, maar uiteindelijk schoot het zijn doel voorbij. Wij hebben er destijds veel aan gehad. Het werd in andere sporten zoals wielrennen en American Football gebruikt en in het hockey stond er niets over in de regels. Dan gebruik je het tot je te horen krijgt dat het niet meer mag.”
5. Hoe zorg je ervoor dat je je als coach altijd blijft vernieuwen? Heb je voorbeelden in de sport? En tot slot, wat ga je na de Olympische Spelen van Rio in 2016 doen?
“Ik heb altijd cursussen gedaan en ik heb bijvoorbeeld veel gehad aan een cursus NLP (neuro-linguïstisch programmeren, red.). Onze hersenen werken heel anders dan we altijd denken. Onze hersenen kennen het woord 'niet' niet. Als ik tegen jou zeg: ‘denk niet aan een roze olifant…’ Dan denk je dus meteen aan een roze olifant. Er zijn zoveel zaken in de communicatie die beter kunnen. Non-verbale communicatie is bijvoorbeeld heel belangrijk. Sta je als coach met je handen in de zak of sta je met je handen omhoog, dat is een heel andere boodschap. Je kunt aan de andere kant als coach ook weer te veel energie uitstralen. Als je je van dit soort dingen bewust bent, kun je er mee spelen.”
“Veel daarvan wist ik als beginnend coach ook niet. Ik ben er bij het Nederlands damesteam bijvoorbeeld pas na verloop van tijd achter gekomen dat het veel meer effect heeft om te trainen op de dingen die je goed kan, dan om alsmaar aandacht te besteden aan de dingen die je niet kan. Je moet van de acht een tien proberen te maken en niet van de vier een zes. Ik ben dyslectisch. Dat beschouw ik niet als een handicap, maar als een gave. Ik compenseerde dat vroeger op school met creativiteit. We zijn als mensen gewend om altijd maar naar de dingen te kijken die niet goed gaan, maar dat moeten we omdraaien. Ik vraag mijn spelers om alle dingen die goed gingen in een wedstrijd te benoemen en slechts één ding dat fout ging. We trainen in teamverband vooral op die dingen waar we goed in zijn. Dan gaat het team daar ook zelf in geloven. Natuurlijk besteden we ook aandacht aan de dingen die minder goed gaan, maar dat doen we in persoonlijke ontwikkelplannen en niet in teamverband.”
“Als je me vraagt naar voorbeelden in de sport. Ik heb niet één specifiek idool, maar er zijn veel inspirerende mensen. Joop Alberda is zo iemand, maar ook Johan Cruijff, Guus Hiddink en Louis van Gaal. Ik zou niet één-op-één alles van hen willen kopiëren, maar van allemaal wel een ingrediënt. Ik ben niet heel erg bezig met carrièreplanning, maar ik zou in de toekomst net als bijvoorbeeld Joop Alberda wel eens in andere sporten bezig willen gaan. Neem Toon Gerbrands en Hans Jorritsma, die komen uit het volleybal en het hockey en ze zijn al heel lang in het voetbal werkzaam. Voetbal trekt mij ook enorm, juist ook omdat mensen zeggen dat ik als hockeycoach overal terecht kan behalve in het voetbal. Ik hou van onrealistische uitdagingen. Mijn doelstellingen zijn nooit SMART, Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdsgebonden. Mijn doelstellingen zijn SMOOTH, Specifiek, Meetbaar, Onacceptabel, Onrealistisch, Tijdsgebonden en Hilarisch. Dat vind ik het leukste.”