Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan maarten van bottenburg hoogleraar sportontwikkeling 2

5 vragen aan Maarten van Bottenburg, hoogleraar Sportontwikkeling

12 maart 2013

Nieuws

door: Leo Aquina | 12 maart 2013

1. Je houdt je momenteel bezig met onderzoek naar de ontwikkeling van de sportvereniging. Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen op dit gebied in de afgelopen tien jaar?
“Sport is veelal georganiseerd in verenigingen en dat is een aparte organisatievorm. Op de meeste andere terreinen in de Nederlandse samenleving spelen ofwel publieke (semi)overheidsorganisaties een grote rol, ofwel private commerciële organisaties, bedrijven dus. Verenigingen zijn ook een privaat initiatief, maar zonder het doel om winst te maken. Bij verenigingen is het doel een activiteit met elkaar mogelijk te maken. Als dat klein is, functioneert het prima los van andere verbanden. Maar in de loop der tijd hebben die verenigingen steeds meer vertakkingen gekregen met de samenleving en daardoor ontstaan er complexe afhankelijkheidsrelaties. Daarbij spelen twee ontwikkelingen een hoofdrol. Ten eerste instrumentalisering. De overheid raakt steeds meer betrokken bij sport en gebruikt sport om andere doelen te realiseren. Ten tweede is er een toenemende invloed van het consumentisme. Het algemene beeld is dat leden zich ten opzichte van de vereniging steeds meer gedragen als consument en de vereniging steeds makkelijker inruilen voor een andere vereniging of een commerciële sportaanbieder.”

“De rol van de overheid kun je na de Tweede Wereldoorlog in drie periodes onderverdelen. Vlak na de oorlog ondersteunde de overheid sport vooral omdat er een pedagogische waarde aan werd toegekend. Het was een manier om de jongeren van de straat te houden en hen te behoeden voor losbandig gedrag en communistische neigingen. Subsidie ging vooral naar pedagogische leiders om de jeugd op te voeden. In de jaren zestig en zeventig kwam er een ander accent. Mensen kregen meer vrije tijd en sloegen massaal aan het recreëren. Subsidies waren toen vooral bedoeld om te faciliteren. Er werden voorzieningen gecreëerd zodat mensen ook daadwerkelijk konden sporten. Vanaf de jaren tachtig werd het steeds instrumenteler. Sport werd gezien als een middel om bijvoorbeeld gezondheid en sociale cohesie te stimuleren. Dat zijn moeilijk te sturen zaken en er worden vanaf dat moment voor het eerst echt eisen aan verenigingen gesteld. Naast die externe druk van de overheid ontstaat er vanaf de jaren tachtig en negentig ook een druk van onderaf op de verenigingen door het consumentisme, althans, dat is een veronderstelling. Dat consumentisme is eigenlijk nog nooit goed onderzocht. Wij hebben nu een promovendus - Jan-Willem van der Roest - die daar onderzoek naar doet. Dat onderzoek vormt een twee-eenheid met het promotieonderzoek naar instrumentalisme van Maikel Waardenburg.”

“Om de ontwikkelingen goed in kaart te brengen gebruiken we kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethodes. Als je de rol van de overheid neemt, kun je bijvoorbeeld kijken naar de verhouding tussen de inkomsten van een vereniging uit contributie, overheidssubsidies, barinkomsten en sponsorinkomsten. Als daarin een sterke verandering optreedt, verandert de afhankelijkheidsrelatie. Als je consumentisme onderzoekt, kun je bijvoorbeeld het ledenverloop onderzoeken. Een groter verloop suggereert meer consumentisme. Maar je moet ook achter de cijfers kijken. Wat betekenen die ontwikkelingen voor de vereniging? Uiteindelijk wil je weten hoe het werkt en veel mijn collega’s zijn dan ook lid van verenigingsbesturen om beter inzicht te krijgen.”

2. Jullie tweede grote onderzoeksproject richt zich op topsport, waarbij de vraag centraal staat in hoeverre topsportsucces gevolg is van beleid. Is topsportsucces maakbaar?
“Maakbaar is misschien een beetje te stellig, maar ik durf zeker te zeggen dat topsportsucces beïnvloedbaar is. Het eerste bewijs daarvan werd geleverd door de Oostbloklanden in de jaren zeventig en tachtig. In een internationale omgeving waarin topsport vooral als individuele hobby werd gezien, besloten staten in het Oostblok om het op een totaal andere manier te benaderen. Talenten werden op jonge leeftijd geïdentificeerd en geselecteerd. Topsporters kregen optimale begeleiding en werden vrijgesteld van ander werk. Ze trokken de beste coaches aan en bouwden topsportfaciliteiten, waar geen breedtesport werd beoefend. Dat is iets anders dan Pieter van den Hoogenband die moet inzwemmen tussen spelende kinderen. En bovenop dat systeem hadden ze ook nog eens een geavanceerd dopingsysteem ontwikkeld. Dat beleid was in korte tijd enorm succesvol.”

“Na de ineenstorting van het Oostblok is een aantal andere landen in het gat gesprongen. Australië en Canada waren er heel snel bij. Die landen zijn al eind jaren zeventig begonnen met topsportprogramma’s. Ze veel kopieerden van het Oostblok, maar dan op westerse leest geschoeid. De hoge positie die Australië nog altijd heeft op de medailleranglijst, heeft daarmee te maken. Vroege investeringen hebben een na-ijleffect en Australië had een grote voorsprong. Het wordt wel steeds moeilijker die voorsprong vast te houden. In een tijd dat andere landen nog niet investeerden in topsportprogramma’s was de return on investment natuurlijk enorm groot. Dat geldt met name voor de periode 1988-2000, want die eerste landen investeerden terwijl andere landen nog stilstonden. Toen gold in Australië het credo ‘more money in, more medals out’.”

“Nederland was er redelijk op tijd bij, subtop in internationaal opzicht. Het is tegenwoordig echt onzin om te zeggen dat Nederland geen topsportklimaat of topsportcultuur heeft. Als je kijkt hoeveel wij hier verwachten van onze topsporters en hoeveel we investeren per topsporter, dat is veel meer dan bijvoorbeeld in België, Denemarken of Zweden. Mensen die zeggen dat Nederland geen topsportklimaat heeft, kijken naar het verleden. De afgelopen vijftien jaar is er enorm veel veranderd. Neem bijvoorbeeld windsurfer Dorian van Rijsselberghe en het zeilteam. Zij hadden een jaar voor Londen 2012 een huis ter beschikking met een krachthonk en alle faciliteiten vlakbij de wedstrijdlocatie van de Spelen. Ze kregen de beste materialen, met DSM als sponsor. Dan kun je echt wel spreken van een topsportklimaat.”

3. Je bent nauw betrokken bij de Nederlandse topsport en hebt een bijdrage geleverd aan de Olympische en Paralympische evaluatie van Londen 2012 van NOC*NSF. Wat was jouw rol in dat proces?
“NOC*NSF evalueert de Olympische en Paralympische Spelen al sinds Sydney 2000, maar ze hebben het deze keer breder getrokken. Ze willen gebruik maken van alle instrumenten die voorhanden zijn. Ik doe als sinds 1998 vierjaarlijks topsportklimaatmetingen en we doen een internationale topsport benchmark in vijftien landen wereldwijd. Daardoor heb ik redelijk zicht op de ontwikkelingen en omdat ik een deel daarvan zelf uitvoer, was het logisch dat ik bij die evaluatie van NOC*NSF werd betrokken. NOC*NSF wilde een breed onderzoek met een voor-, tijdens en nameting. Daarvoor heb ik samen met Monique Maks - toen nog van BMC (sinds 1 februari 2013 directeur van het Jeugdsportfonds Nederland, red.) - een methode ontwikkeld en hebben we het proces begeleid. NOC*NSF heeft veel van het uitvoerende werk zelf gedaan. Het voordeel voor NOC*NSF om veel zelf te doen, is dat het geleerde ook direct in de praktijk kan worden geïmplementeerd, maar het bestuur wilde een zekere mate aan onafhankelijkheid garanderen. Er kwam per slot van rekening ook een openbaar rapport uit, waarin wordt verantwoord wat er met publiek geld is gedaan. Ik functioneerde daarom ook als onafhankelijk kwaliteitsbewaker.”

“We hebben bij de evaluatie natuurlijk niet alleen gekeken naar het aantal medailles als ultieme succesfactor. Je moet bijvoorbeeld ook naar het aantal medaillekansen in een sport kijken. Bij het hockey kun je twee medailles winnen: mannen en vrouwen. Die sport kent met zilver en goud dus een honderdprocentscore. In andere sporten hebben we meer medailles gehaald, maar daar waren er ook meer te winnen. Bovendien moet je in de evaluatie ook sporten meenemen die niet op het olympisch programma staan, zoals honkbal en korfbal, maar waarin we wel wereldkampioen geworden zijn.”

“In Londen heeft Nederland de toptien-doelstelling van NOC*NSF niet gehaald. Ik denk dat het voor Nederland mogelijk moet zijn om negende of tiende op die ranglijst te worden en met een mazzeltje achtste als er bij de concurrentie iets misgaat, maar dat is echt het maximaal haalbare. Het niveau is internationaal ontzettend hoog en je moet ook opboksen tegen veel grotere landen met veel meer middelen, daar leg je het altijd tegen af. Maar met slimme investeringen kun je nog wel verbetering boeken. NOC*NSF heeft bijvoorbeeld een buitenlandse coach binnengehaald om coaches in diverse sporten te begeleiden in een kracht- en conditieprogramma. Je ziet dat daarvan nog veel beter gebruik kan worden gemaakt.”

4. Je bent ook betrokken geweest bij de nieuwe verdeling topsportgelden door NOC*NSF? Daarop is veel kritiek. Hoe kijk je daar tegenaan?
“Daarbij moet ik mijn rol duidelijk scheiden van NOC*NSF. Ik was geen onderdeel van de besluitvorming, maar maakte deel uit van een werkgroep met ongeveer vijftien technisch directeuren en twee externe experts in de persoon van Cees Vervoorn en mijzelf. We hebben daar vooral gediscussieerd over hoe je de topsport verder kan helpen en welke verdeling daar bij zou kunnen passen. Het grote probleem is natuurlijk dat er beperkte middelen zijn en er zijn meer dan honderdtwintig topsportprogramma’s. Ik ben dan ook niet verbaasd dat er bonden zijn die daarover niet tevreden zijn. Dat ligt voor de hand bij zo’n verdeling. Maar er zijn transparante criteria opgesteld: ten eerste of je als sport kans hebt om met je topsportprogramma in de internationale top-acht te komen en ten tweede in hoeverre de bond zelf bereid en in staat is om een eigen bijdrage te leveren. Een bond moet natuurlijk zelf ook commitment tonen. Overigens begint het met de vraag hoe wijdverbreid een sport is en of het een olympische sport is. Het gaat om publiek geld en dan mag je je best afvragen of het een goed idee is om een delegatie voor het WK modelvliegen in Chili te financieren.”

“Er is natuurlijk veel kritiek geweest op de verdeling van de topsportgelden, maar ik denk dat de soep uiteindelijk minder heet wordt gegeten dan hij is opgediend. Wel heb ik mij gestoord aan de kritiek dat dit zou leiden tot een verschraling van het Nederlandse sportlandschap. Het gaat hier om topsportgelden, dat is iets anders dan sportstimulering en talentontwikkeling. Daar zijn andere gelden voor. Zeventig procent van het Nederlandse sportbudget gaat naar breedtesport.”

5. Je maakt deel uit van de commissie Sorgdrager die de dopingcultuur in het wielrennen onderzoekt. De sport wordt de laatste tijd geteisterd door een groot aantal schandalen, doping, matchfixing, seksuele intimidatie, verbaal en fysiek geweld op en langs het veld. Zijn dat problemen van de sport, of moeten we dat in een bredere maatschappelijke context zien?
“Over mijn werkzaamheden voor de commissie Sorgdrager kan ik inhoudelijk niets zeggen, omdat ik het werk van de commissie niet wil verstoren door dingen in de pers te brengen die straks onderdeel zijn van het rapport. Doping is een probleem van de sport. Er zijn nu eenmaal regels ontwikkeld en daar moeten sporters zich aan houden. We hebben afgesproken dat je de berg op moet met de fiets en niet met een helikopter. Een andere regel is dat je wel hoogtestages mag doen, maar geen doping mag gebruiken. Natuurlijk is de definitie van doping altijd moeilijk vast te stellen. Maar die definitie komt niet zomaar uit de lucht vallen. De dopinglijst is in toenemende mate internationaal gestandaardiseerd en daarover is een grote mate van consensus bereikt. Het is zeker mogelijk om kritisch naar die lijst te kijken, maar de kern van het probleem ligt bij de vraag of er sprake is van incidenteel sporadisch dopinggebruik, of van een dopingcultuur. Uit het USADA-rapport blijkt dat daar internationaal wel aanwijzingen voor zijn en wij kijken in hoeverre dat in Nederland het geval was. Dat doen we door anonieme gesprekken met betrokkenen.”

“Als je alle zaken die jij nu noemt bij elkaar legt, is er inderdaad nogal wat aan de hand in de sportwereld. Of je moet spreken van een sportprobleem of van maatschappelijke problemen die zich manifesteren in de sport? Daar ben ik nog niet helemaal over uit. Zeker is wel dat het vragen oproept, bijvoorbeeld over de governance-structuur in de sport, over het toezicht, maar ook over het zelfreinigend vermogen. Dit soort vragen moet in de sport steeds nadrukkelijker op de agenda staan, want al die negatieve publiciteit heeft enorme impact op het imago van de sport. Het is bij veel sportorganisaties behoorlijk stil als dit soort problemen aan de orde komt. Het vraagt om een grondige analyse. Als je kijkt naar het fysieke en verbale geweld in en om het veld, moet je je afvragen in hoeverre en op welke manier het samenhangt met andere maatschappelijke ontwikkelingen. Hoe verhoudt het zich bijvoorbeeld tot het uitgaansgeweld waarvan we onlangs voorbeelden hebben gezien uit Eindhoven en Oosterhout.”

“Je moet de omvang van al die problemen in de sport ook ten dele bezien in het licht van ontwikkelingen in de media. De normale burger die op zaterdagochtend langs het veld staat bij de kinderen heeft gewoon plezier in het sporten en dat is de overgrote meerderheid. Maar de sport moet niet wegduiken van de genoemde problemen. De beeldvorming heeft negatieve impact, ook op de manier waarop overheden en sponsors naar de sport kijken en dat is linke boel.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.