Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan maarten van bottenburg hoogleraar sportontwikkeling

5 vragen aan Maarten van Bottenburg, hoogleraar Sportontwikkeling

17 augustus 2010

Nieuws

door: Babette Dessing | 17 augustus 2010

1. In 2004 ben je aan de Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit Utrecht ‘bijzonder’ hoogleraar Sportontwikkeling geworden en is de leerstoel Sportontwikkeling voor vijf jaar ingesteld. Nu ben je ‘gewoon’ hoogleraar. Wat is het verschil?
“Een bijzonder hoogleraarschap betreft doorgaans een parttime aanstelling voor een periode van maximaal vijf jaar. Ik bekleedde de leerstoel aanvankelijk dus parttime, naast mijn andere werkzaamheden, zoals het directeurschap van het W.J.H. Mulier Instituut en een lectoraat bij Fontys Hogescholen. In 2009 is mijn bijzondere leerstoel echter omgezet in een gewone leerstoel en ben ik benoemd tot gewoon hoogleraar aan de USBO. Sinds 2010 vervul ik die functie dan ook fulltime en heb ik mijn andere werkzaamheden neergelegd. Mijn leeropdracht is ‘Sportontwikkeling: dynamiek en samenhang van topsport en breedtesport’. Samen met een onderzoeksgroep van twaalf personen richt ik mij vanuit die leeropdracht op bestuurlijke en organisatorische vraagstukken met breedtesport en topsport als onderzoekscontext.”

“Naast de leerstoel Sportontwikkeling is er aan de USBO ook de tweejarige master Sportbeleid en Sportmanagement die in september voor het zesde jaar van start gaat. Deze studie is gelimiteerd; er worden maximaal 25 studenten per jaargang toegelaten. Aangezien meer dan het dubbele van dit aantal zich jaarlijks aanmeldt, worden de studenten geselecteerd op basis van resultaat en motivatie. Daardoor hebben we alleen sterk gemotiveerde studenten en hebben we nauwelijks te maken met studie-uitval. Bovendien betreft het een duale master. De studie bestaat voor de helft uit onderwijs en de andere helft lopen de studenten stage bij een sportinstantie zoals een gemeente of sportbond. De praktijkkennis die ze bij hun stage opdoen, gebruiken wij weer in het theoretische onderwijsgedeelte. De resultaten hiervan zijn erg goed. De meeste studenten hebben na hun afstuderen meteen een baan en dat is opvallend vaak bij de organisatie waar ze stage hebben gelopen.”

2. Waar doen jullie allemaal onderzoek naar?
“Wij willen begrijpen welke rol sport in de Nederlandse samenleving speelt en hoe de betekenis van sport wordt beïnvloed door organisatorische en bestuurlijke ontwikkelingen. Daarbij richten we ons vooral op organisaties met een publiek belang, dus niet op organisatievraagstukken van commerciële aard. Eén van onze deelprogramma’s heeft bijvoorbeeld de opdracht om te onderzoeken in welke richting sportverenigingen zich ontwikkelen en wat bedoelde en onbedoelde gevolgen zijn van het huidige sportbeleid om die verenigingen te professionaliseren en te gebruiken voor het realiseren van algemeen maatschappelijke beleidsdoelstellingen.”

“Een dergelijk onderzoek begint uiteraard met een duidelijk afgebakende onderzoeksvraag en deelvragen waarna wordt nagegaan wat er over het betreffende onderwerp is geschreven. De vragen die in de literatuur niet worden beantwoord, waar tegenstrijdige resultaten over zijn of waar een witte vlek is, zijn de punten waar je je tijdens je onderzoek op gaat richten. Wij doen vooral kwalitatief onderzoek: we nemen bijvoorbeeld interviews af, analyseren documenten en historische gegevens en verzamelen informatie via participerende observatie. Bij ons onderzoek naar sportverenigingen gaan we bijvoorbeeld echt meelopen met een aantal clubs. We interviewen bestuurders, leden, vrijwilligers en alle andere partijen die ermee te maken hebben. Op die manier krijgen we een beeld van de vele – soms tegenstrijdige – betekenissen die sportbestuurders, sportbeoefenaars en andere betrokkenen hebben over in dit geval de professionalisering en instrumentalisering van de sportvereniging.”

3. Beleid gericht op sportverenigingen kan van veel verschillende partijen afkomstig zijn: de bond, de gemeente, de provincie, de centrale overheid, de nationale sportkoepel… Is het voor de doorsnee vereniging niet om gek van te worden?
“Ik kan me goed voorstellen dat sportverenigingen af en toe niet weten van welke organisaties allerlei beleidsvragen nu precies afkomstig zijn. Maar dit probleem beperkt zich niet alleen tot de sportsector. Ook onderwijs-, welzijn- en zorginstanties hebben te maken met een toenemende complexiteit van het beleid. Ook zij hebben in hun functioneren te maken met een toenemend aantal andere organisaties. Niet voor niets spraken we vroeger over government maar nu over governance; oftewel een netwerk van partijen dat zich met organisatie en bestuur van de sportsector bezighoudt. Op zich is daar niets mis mee. Een sportbond heeft immers andere kennis in huis dan NOC*NSF, net als de gemeente weer andere knowhow heeft dan de provincie. We moeten er daarom ook niet naar streven om al die partijen in één organisatie onder te brengen. Juist de verschillende perspectieven bieden een meerwaarde en daarvan kunnen we leren. Het is de kunst om daarmee om te gaan en goede afspraken te maken op de terreinen waar wel overlap is. Dat vraagt om coördinatie die op zichzelf ook weer problemen met zich meebrengt. Er ligt immers geen blauwdruk klaar hoe en door wie er moet worden gecoördineerd; zeker niet in de sportsector die decentraal is georganiseerd met autonome sportverenigingen op lokaal niveau. Je moet dus enerzijds streven naar vereenvoudiging en efficiency van beleid en bestuur, maar tegelijkertijd de legitimiteit en meerwaarde van verschil en diversiteit onderkennen.”

4. Wat is het allergrootste probleem dat sportverenigingen hebben?
“Laat ik eerst zeggen dat sportverenigingen het – ondanks de kritiek die vaak op ze wordt geuit – erg goed doen. Het zijn vrijwillige organisaties, maar het zou me niet verbazen als ze gemiddeld veel langer bestaan dan een bedrijf. Veel sportverenigingen bestaan intussen meer dan honderd jaar en dat zou je vanwege het vrijwilligerskarakter in eerste instantie niet verwachten. Kennelijk slagen ze erin om hun organisatie continuïteit te geven, ondanks het kadertekort waarover ze zo vaak klagen. Dat is een bijzonder gegeven en daar mogen ze zich best meer bewust van zijn.”

“Maar uiteraard hebben sportclubs ook problemen en dat komt onder andere doordat de samenleving verandert. Denk aan: individualisering, commercialisering, globalisering en de multiculturalisering. Er wordt nu veel meer van sportverenigingen gevraagd dan voorheen. Vroeger was het hoofddoel om sport te organiseren; tegenwoordig komen daar ook taken bij in het kader van het maatschappelijk belang. Al die activiteiten komen er voor de club extra bij en vallen in principe buiten de kern. Dat zorgt voor spanningen, want niet iedere club is bereid en in staat om iets extra’s te doen buiten het organiseren van sportbeoefening voor hun leden. Bovendien hebben leden nu ook de keuze om te sporten bij commerciële aanbieders. Zeker bij volwassen sporters is de kans daarom aanwezig dat zij zich anders ten opzichte van de vereniging opstellen: van lid worden ze klant. Over de aard en ernst van die ontwikkeling weten we overigens nog maar weinig. Zeker is dat veel sportverenigingen eigenlijk nog steeds goed lopen. Het commitment van de leden lijkt bij verenigingen doorgaans groter dan bij commercieel sportaanbieders. Bij een sportclub draait het namelijk om passie voor de sport. En dat is een enorme kracht. Ook dergelijke ontwikkelingen vormen een belangrijk onderzoeksthema voor de leerstoel Sportontwikkeling.”

5. Sceptici menen dat sportverenigingen over een aantal decennia niet meer zullen bestaan. Hoe kijk jij daar tegenaan?
“Daar ben ik het helemaal niet mee eens. Tien jaar geleden riepen zwartkijkers ook al dat de Nederlandse sportvereniging zou sneuvelen, maar de cijfers spreken dat tegen. Op dit moment zijn er 28.000 sportverenigingen, ongeveer 7.000 minder dan dertig jaar geleden. Maar de clubs van tegenwoordig zijn gemiddeld groter en doorgaans gezonder. Het percentage van de bevolking dat lid is van ten minste één sportvereniging, ligt op hetzelfde niveau als in 1983. Nog altijd is één op de drie Nederlanders lid van een sportclub. Dat is een ongekend hoog percentage. Het Nederlandse verenigingsmodel zal daarom niet zomaar ophouden met bestaan. Een high school sportmodel, zoals in Amerika, zal hier niet aanslaan; en dat is maar goed ook. Het verenigingsmodel staat namelijk nog altijd aan de basis van ons hoge participatie- en prestatieniveau op sportgebied. Dat geldt vooral voor de teamsporten. Denk bijvoorbeeld aan onze tweede plaats tijdens het WK Voetbal, een ongelooflijke prestatie voor zo’n klein landje. Maar dat is mogelijk omdat 1,2 miljoen mensen lid zijn van een voetbalclub met uitstekende faciliteiten, zij allemaal hetzelfde spelletje leren van goed opgeleide trainers en spelen in een goed georganiseerde competitie. Zonder het verenigingsmodel zouden we niet in de finale hebben gestaan. Daarvan ben ik overtuigd.”

“Wel vind ik dat kinderen veel te vroeg worden gedwongen om zich te specialiseren in één tak van sport, omdat zij doorgaans lid worden van een vereniging waar slechts één sport wordt aangeboden. Op jonge leeftijd kunnen kinderen echt niet weten wat ze leuk vinden om te doen, dat wordt dan toch vaak beïnvloed door ouders, vriendjes en vriendinnetjes. En het is vaak om financiële redenen niet mogelijk om een kind lid van meerdere sportclubs te maken. Het zou daarom beter zijn als kinderen tot ongeveer hun twaalfde jaar met één lidmaatschap verschillende sporten kunnen beoefenen. Zo kunnen ze echt uitvinden wat voor sport het best bij hun past en waar ze het meest talent voor hebben. Denk bijvoorbeeld aan het Vereniging van de Toekomst-traject, zoals in Limburg op diverse plekken wordt gestart. Hierin bundelen sportclubs de krachten en organiseren ze diverse activiteiten. Belangrijk daarbij is wel dat sportverenigingen hun eigen identiteit blijven behouden, want juist de verbondenheid is de grote kracht van een sportclub.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.