Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan koen breedveld projectleider beleidsdoorlichting sport

5 vragen aan Koen Breedveld, projectleider Beleidsdoorlichting Sport

17 mei 2011

Nieuws

door: Leo Aquina | 17 mei 2011

1. Het was voor jullie een grote en prestigieuze opdracht. Mochten jullie het sowieso doen vanwege jullie eerdere onderzoekswerk voor VWS of hebben jullie in concurrentie met andere bureaus een offerte moeten maken?
“We werkten in samenwerking met VWS al aan het meerjaren onderzoeksprogramma ‘Sport: Passie, Praktijk & Profijt’. De relatie van het Mulier Instituut met het ministerie van VWS komt voort uit de wederzijdse wens om fundamentele processen in de sport in kaart te brengen en te analyseren. In het programma ‘Sport: Passie, Praktijk & Profijt’ volgden we de ontwikkeling van de sport, waaronder de beleidsprogramma’s ‘Meedoen’ en ‘Tijd voor Sport’. Toen wij nét de tussenrapportage klaar hadden, werd bij VWS duidelijk dat er een beleidsdoorlichting moest komen in het kader van de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek en Beleidsinformatie. Het was logisch dat wij die doorlichting zouden doen, want we konden voortbouwen op het tot dan toe verrichte en al geplande werk van voor de evaluatie. Er was geen sprake van een openbare aanbesteding.”

2. Volgens de RPE-richtlijnen staan in een beleidsdoorlichting tien vragen centraal. Jullie hebben dit aantal teruggebracht tot drie kernvragen. Welke vragen waren dat en hoe vat je de antwoorden samen?
“Als je de tien vragen doorleest, vindt je vrij snel drie logische clusters. De eerste vier vragen gaan over de legitimering van het beleid. Het tweede cluster betreft de doelstellingen en de voortgang van het beleid en het derde cluster gaat over het effect van het beleid. Dat laatste cluster is gecompliceerder dan die eerste twee.”

Legitimatie
“Om te beginnen moet je constateren dat het sportbeleid nooit is voortgekomen uit het zoeken naar de oplossing van een probleem, maar eerder andersom. Er was al een private sportsector en er is gezocht naar redenen waarom de overheid die sport zou moeten ondersteunen in zijn ontwikkeling. Die redenen zijn tweeledig: er is sprake van verschillende vormen van marktfalen, en sport is vastgelegd als recht. De eerste vorm van marktfalen is dat de sport externe effecten heeft die gunstig zijn voor de samenleving. Dat is in de jaren zestig en zeventig begonnen vanuit de welzijnsproblematiek, later is daar als tweede vliegwiel ‘preventieve gezondheidszorg’ bijgekomen. Ten tweede is sport ten dele ook een collectief goed. Neem bijvoorbeeld Holland-promotie als het gaat om topsport. Een derde vorm van marktfalen is sport beschouwen als een verdienstelijk goed. Vergelijk het met onderwijs: een kind van zes weet niet waarom het naar school moet, maar achteraf is het blij dat het een opleiding heeft genoten. Het is bijvoorbeeld vrijwel onmogelijk buitensportvoorzieningen rendabel te maken zonder dat de sporters op torenhoge kosten worden gejaagd. Om sport voor iedereen toegankelijk te maken, moet de overheid er in investeren. Behalve dat er sprake is van marktfalen zijn er internationale verdragen die door Nederland zijn ondertekend, waarin een recht op sport is vastgelegd. Dat is ook vastgelegd in onze grondwet. Daarin staat: ‘de overheid schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.’”

Doelstellingen
“Het tweede cluster vragen over de doelstellingen van het sportbeleid wordt in het rapport samengevat onder een algemene doelstelling. De kern is dat de rijksoverheid een sportieve samenleving nastreeft waarin zowel aan sport wordt gedaan als van sport wordt genoten. Dat kun je vertalen naar een overheid die stimuleert dat mensen aan sport doen, die stimuleert dat er in de topsport op hoog niveau wordt gepresteerd, dat er evenementen worden binnengehaald waar mensen zich aan kunnen spiegelen. Het gaat daarbij zowel om topsport als om breedtesport.”

Effecten
Het meten van beleidseffecten was methodologisch verreweg de meest gecompliceerde vraag in het onderzoek. We hebben dat gedaan door drie programma’s grondiger te onderzoeken dan de grote hoeveelheid aan andere beleidsprogramma’s. Daarbij ging het om ‘Meedoen alle jeugd door sport’, het ‘Nationaal Actieplan Sport en Bewegen NASB’ en ‘Coaches aan de top’. Bij ‘Meedoen’ konden we de ledengroei van de deelnemende bonden en verenigingen vergelijken met de ledengroei van andere bonden en verenigingen. Zo konden we zien dat het programma met name op het vlak van geboekte ledenwinsten effectief is geweest. Het programma heeft er ook toe bijgedragen dat de samenwerking tussen bonden, verenigingen en gemeenten is verbeterd. Bij het NASB maakten we gebruik van de al verrichte studies van onder andere TNO, Nivel en BMC, en bij ‘Coaches aan de Top’ hebben we interviews gehouden met topsportcoördinatoren en coaches. Ook uit die evaluaties kwam naar voren dat de beleidsprogramma’s daadwerkelijk effect hadden gesorteerd.

3. ‘Meedoen Alle Jeugd door Sport’ is begonnen onder de naam ‘Meedoen Allochtone Jeugd door Sport’. Waarom is die naam gewijzigd en was er ook sprake van een beleidswijziging? Is de naam wellicht gewijzigd omdat het programma in eerste instantie weinig effect sorteerde, maar het zonde was om de gereserveerde gelden ongebruikt te laten?
“Nee, dat laatste herken ik niet. We zijn al heel snel begonnen met de monitoring van het programma en er waren al heel snel duidelijke resultaten. Die naamswijziging komt voort uit de praktijk. Bonden en verenigingen ontplooiden activiteiten om mensen/kinderen enthousiast te maken voor de sport en daarin wilden zij geen onderscheid maken in etniciteit. Bij het enthousiasmeren van mensen past geen etnische scheidslijn. De doelstellingen van het programma zijn met de naamswijziging eigenlijk ook niet veranderd. We kunnen wel constateren dat het bijzondere accent op bijvoorbeeld Islamitische en Hindoestaanse meisjes een beetje ondergesneeuwd is geraakt in de bredere doelstelling om meer jeugd te laten sporten. Uiteindelijk is het gelukt om zowel allochtone als autochtone jeugd naar de sport toe te halen, autochtoon misschien wel iets sterker dan allochtoon. Maar de enorme aanwas van jeugdleden bij de deelnemende sportverenigingen is het succes van het project geweest.”

4. Mag het ministerie van VWS blij zijn met de resultaten van het onderzoek in zijn totaliteit? En wat beschouw je zelf als de meeste opmerkelijke conclusie van jullie onderzoek?
“Het is natuurlijk sowieso goed dat beleid wordt onderbouwd met cijfers. Kennisgestuurd beleid is heel belangrijk. En als het gaat om de uitkomsten? Ik denk dat de sport in Nederland een goed figuur slaat. Dat geldt voor de breedtesport, maar zeker ook voor de topsport. In zijn algemeenheid bewegen en sporten er meer mensen dan vroeger, er zijn minder blessures en Nederlandse topsporters zijn in hogere mate tevreden over het topsportklimaat waarin ze hun prestaties moeten leveren. Er is best reden om daar als land met enige trots en tevredenheid op terug te kijken. Maar we constateren ook dat een aantal ontwikkelingen niet zo snel gaat als gehoopt en dat niet alle doelstellingen die op voorhand waren gesteld ook daadwerkelijk zijn gehaald. Nog steeds beweegt meer dan helft van de jongeren onvoldoende. De afgelopen jaren is daar ook weinig tot niets in veranderd. Het aandeel verenigingsleden en sportvrijwilligers is niet - zoals VWS beoogde - licht gestegen, maar blijft op zijn best stabiel. Ten aanzien van de deelname aan sport en bewegen hebben we positieve ontwikkelingen gezien, maar de laatste jaren lijken die te stokken. Vermoedelijk hangt dat samen met de versnippering in de vele deelprogramma’s. Er zijn veel pilotprojecten, waarbij het na afloop van de pilot ontbreekt aan middelen om het project bij bewezen succes grootschalig uit te voeren. Veel programma’s hebben ook een langere opstarttijd nodig dan gedacht. Als we op deze wijze doorgaan, geloof ik niet dat je moet verwachten dat we de doelstellingen van het Olympisch Plan zullen realiseren.”

5. In hoeverre sluit het overheidsbeleid aan bij de doelstellingen van het Olympisch Plan?
“Als het gaat om de doelstellingen, dan sluit het goed aan. De ambities die vanuit het OP2028 zijn geformuleerd wijken inhoudelijk niet of nauwelijks af van wat de overheid wil met sport. Maar een belangrijke vraag is of je die doelstellingen kunt realiseren met het beleid zoals dat de afgelopen jaren is gevoerd en daar heb ik mijn ernstige twijfels bij. Als je het Olympisch Plan echt serieus wil nemen, red je het niet met het huidige niveau van rijksinvesteringen in de sport. Uitgangspunt van het beleid is op dit moment de hoeveelheid middelen en van daaruit wordt toegewerkt naar een doelstelling. Eigenlijk moet je dat omdraaien. Je moet je eerst afvragen wat de doelstelling is, vervolgens onderzoeken welke interventie daarbij hoort en als laatste inventariseren welke middelen je nodig hebt om dat te bereiken. Als je de doelstellingen uit het Olympisch Plan als uitgangspunt neemt en je gaat uitrekenen wat het kost, kom je veel hoger uit dan in het huidige beleid is vastgelegd.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.