22 augustus 2017
Nieuws
Koen Breedveld was tien jaar directeur van het Mulier Instituut. Daarnaast was hij sinds 2013 voor één dag in de week bijzonder hoogleraar sportsociologie aan de Radboud Universiteit. Beide functies geeft hij op om per 1 september aan de slag te gaan als directeur van Reddingsbrigade Nederland. Met Sport Knowhow XL kijkt Breedveld terug op de afgelopen tien jaar, waarin er veel veranderde in het organisatorische landschap van het Nederlandse sportonderzoek. We spreken Breedveld in zijn werkkamer op het Mulier Instituut in de Utrechtse Galgenwaard, waar hij enerzijds ‘afkickt’ als wetenschapper en zich anderzijds enorm verheugt op zijn nieuwe functie.
door: Leo Aquina | 22 augustus 2017
1. We vallen met de deur in huis. Vanwaar je overstap van het Mulier Instituut naar de Reddingsbrigade Nederland?
“Toen ik bij Mulier kwam, had in mijn achterhoofd wel al het idee om ooit meer bestuurlijk werk te gaan doen, bijvoorbeeld als directeur van een sportbond. Ik heb me nooit alleen wetenschapper gevoeld. Ik heb mijn lol niet alleen gehaald uit het schrijven van rapporten, maar ook uit het besturen, beleid maken en strategie ontwikkelen. Dat gebeurde toevallig bij een onderzoeksorganisatie, maar het had ook ergens anders kunnen zijn. Ik wist ook al langer dat ik bij Mulier wegwilde. Ik zag in de loop der jaren dezelfde discussies en thema’s in de sportwetenschap steeds weer terugkeren. Daar raakte ik wetenschappelijk een beetje op uitgekeken. Bovendien zijn er bij Mulier genoeg goede mensen die mij op kunnen volgen. Mijn werk hier is klaar.”
“Een van de onderwerpen waar ik zelf wetenschappelijk op uitgekeken ben, is de vraag hoe je mensen aan het sporten krijgt. Die discussie zie ik al 25 jaar voorbij komen. Het zijn trage processen van verandering, terwijl we eigenlijk best wel weten hoe het zit. Natuurlijk is het wetenschappelijk interessant om die kennis verder uit te diepen, maar voor mijzelf was de jeu er op een gegeven moment wel af. Ik wil er wel eens een keer wat aan gaan doen in plaats van er weer een rapport over te schrijven.”
“In het verleden had ik al eens contact gehad met de Reddingsbrigade Nederland en ik wist dat de directeur daar was weggegaan. Die vacature was mij op het lijf geschreven. Ik heb mij altijd al verdiept in het thema waterveiligheid en verdrinken, en hier lag de mogelijkheid om me meer bestuurlijk te manifesteren, op een thema dat dicht bij mij staat.“
2. Je was naast directeur van het Mulier Instituut sinds 2013 ook bijzonder hoogleraar sportsociologie en sportbeleid aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Blijf je dat met je nieuwe baan combineren?
“Nee, dat hoogleraarschap heb ik opgegeven. Misschien had ik het wel kunnen combineren, maar er is in mijn ogen te weinig raakvlak tussen een verdrinkingsgeval op het strand en een sportsocioloog die een verhaal houdt over de toekomst van de sport. Natuurlijk vind ik dat jammer, ik neem afscheid van een vak dat ik heel lang met veel passie heb beoefend. Maar ik denk dat ik gelukkiger word als ik op een specifiek thema gebruik ga maken van wetenschappelijke kennis, dan dat ik zelf wetenschappelijke artikelen blijf schrijven.”
“Met het einde van mijn hoogleraarschap komt er geen einde aan het sportonderzoek in Nijmegen. Mijn aanstelling in 2013 was in eerste instantie voor drie jaar en dat is vorig jaar verlengd. Ik heb er toen een tweede dag bij gekregen om het sportonderzoek in Nijmegen met elkaar te verbinden, zoals dat ook al gebeurde in Amsterdam, Groningen en Utrecht. Dat heb ik de afgelopen maanden met succes gedaan. Samen met de verschillende faculteiten en de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen staat er een krachtige basis voor sportonderzoek in Nijmegen. Er komt geen vervangende hoogleraar, maar de vakken die ik gaf, worden gecontinueerd. De betrokkenheid vanuit de sociologie met het sportonderzoek blijft ook bestaan, zij het niet meer op hoogleraarsniveau.”
“Natuurlijk zal ik de wetenschap nooit helemaal loslaten. Kennis genereren is niet voorbehouden aan universiteiten. Je ziet steeds meer instanties en mensen die kennis verzamelen. Dat is ook bij de Reddingsbrigade Nederland het geval. Kennis speelt een steeds grotere rol in de samenleving. Bij de Reddingsbrigade is zoveel kennis over hoe je veiligheid op en om water vormgeeft en zo bijdraagt aan het voorkomen van verdrinkingen. Daar kan nog zoveel meer mee. Zelf blijf ik natuurlijk ook gewoon schrijven, maar buiten het strakke harnas van de wetenschap, dat kan heel bevrijdend zijn.”
3. Er is in de afgelopen tien jaar nogal wat veranderd in het Nederlandse sportlandschap. Wat is er veranderd aan de positie die het Mulier Instituut inneemt?
“We zijn verhuisd van Den Bosch naar Utrecht, dat heb ik zelf geïnitieerd en daar ben ik heel gelukkig mee. In Den Bosch zaten we in een oud statig pand, dat paste goed bij de wetenschap, maar als Mulier staan we ook midden in de dynamiek van de sport en, daar past dit uitzicht beter bij (wijst naar het veld van FC Utrecht waar hij vanuit zijn werkkamer op uitkijkt, red.). We zijn ook gegroeid. Toen ik begon hadden we een omzet van ongeveer één miljoen euro en nu is dat ongeveer het dubbele. Het eigen vermogen is versterkt en we hebben twee keer zoveel mensen rondlopen, in totaal twintig fte.”
“Onze positie is ook wezenlijk anders. Tegenwoordig hebben we een instellingsubsidie van het ministerie van VWS. Voorheen moesten we steeds projectsubsidies indienen. We worden nu samen met het SCP (Sociaal en Cultureel Planbureau, red.), het RIVM (Rijksinsituut voor Volksgezondheid en Milieu, red.) en het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek, red.) herkend en erkend als een van de centrale organisaties als het gaat om het verzamelen van gegevens en het monitoren van de sport.”
“Mulier is indertijd opgericht door drie universiteiten: Amsterdam, Tilburg en Utrecht. Vroeger was het instituut een spreekbuis van die universiteiten en tegenwoordig zijn we volledig zelfstandig. Natuurlijk werken we nog nauw samen met de universiteiten, maar dat doen we tegenwoordig vanuit onze eigen identiteit.”
“Die ontwikkeling is deels een gevolg geweest van het Olympisch Plan, waardoor er meer kansen en mogelijkheden ontstonden voor sportonderzoek. Dat bood universiteiten de gelegenheid zich op dat gebied zelf meer te profileren. Daardoor werd de scheiding tussen Mulier en de universiteiten noodzakelijk, maar uiteindelijk heeft dat voor Mulier alleen maar positief uitgepakt. Wij konden onze eigen koers varen en onze eigen partners zoeken.”
“Het landschap is de afgelopen tien jaar enorm veranderd. Toen ik hier begon deden maar weinig universiteiten en hogescholen iets aan sportonderzoek. Er waren nauwelijks lectoraten, tegenwoordig zijn er wel dertig lectoraten gerelateerd aan sport. Het huidige Kenniscentrum Sport was destijds nog een interventie-instituut. NOC*NSF had niet echt geen eigen onderzoeksafdeling. Daar zijn ze nu ook bezig een eigen marketingintelligence-afdeling op te bouwen. Als Mulier wilden we destijds dat er meer over sport werd gepraat en we organiseerden de Mulier-debatten. Dat doen we nauwelijks meer want tegenwoordig struikel je over de debatten. Soms vraag ik me af of we niet teveel met elkaar praten, moeten we niet gewoon meer gaan doen?”
“Ik ben blij met de manier waarop de organisaties in het sportonderzoek zich op dit moment tot elkaar verhouden. Mulier kan doen waar het echt goed in is, zorgen dat er goede kennis en informatie voorhanden is. Het Kenniscentrum Sport moet er vervolgens voor zorgen dat die kennis bij de juiste mensen terecht komt en dat er een vertaalslag wordt gemaakt naar de praktijk. Dat is echt een ander vak. Ik ben blij met de steun van het ministerie en de rol die ze ons toedichten op het gebied van dataverzameling en beleidsgericht onderzoek. Daarvoor moet je een structuur inrichten en continuïteit opbouwen. Ik denk ook dat wij beter dan universiteiten in staat zijn om stelselmatig gegevens te verzamelen, dat te relateren aan het beleid en daarover te rapporteren. Universiteiten zijn beter in verdiepingsonderzoek op specifieke thema’s.”
4. Als je terugkijkt naar de afgelopen tien jaar, waar ben je trots op en wat had je achteraf misschien liever anders gedaan?
“Ik ben trots op de erkenning van het ministerie in de vorm van de vaste instellingssubsidie en de positie die we als onafhankelijk wetenschappelijk instituut innemen. Ik ben ook trots op de Dag van het Sportonderzoek, waarbij we 300-400 sportonderzoekers de mogelijkheid geven zichzelf en hun onderzoek aan elkaar te presenteren. Dit jaar is alweer de achtste editie. En natuurlijk ben ik trots op het feit dat steeds meer organisaties die een vraag hebben over sport bij ons aankloppen en dat wij bijna altijd antwoord hebben op die vraag.”
“Of ik graag dingen anders had gedaan? Je moet nooit tevreden zijn, altijd streven naar wat beter en anders kan. Ik denk dat we redelijk succesvol zijn in de positie die we hebben verkregen en dat de mensen dat ook herkennen. We zijn op tijd geweest met social media, maar we kunnen nog steeds een slag maken in de manier waarop we onze onderzoeksbevindingen presenteren. Dat mag interactiever. Ook op het gebied van big data kunnen we nog een stap maken. De ontwikkelingen gaan snel en we moeten bij de les blijven. Misschien hadden we daar eerder op in moeten spelen, maar ik denk dat het besef voldoende leeft en dat we die stap verder ook echt kunnen maken.”
“Het Mulier Instituut moet sowieso bij de les blijven. Ik denk dat de dynamiek van de afgelopen jaren in de wereld van de sport en het sportonderzoek nog niet is geëindigd. Met het Olympisch Plan als katalysator was er sprake van schaalvergroting en professionalisering. Daar heeft Mulier van kunnen profiteren, maar de huidige positie is niet in beton gegoten. Het verandert van dag tot dag, je ziet nu bijvoorbeeld dat sport steeds meer het debat van de gezondheid wordt ingezogen. Er komen meer spelers bij als het gaat om sportonderzoek, met een andere benaderingswijze en met eigen kwaliteiten.”
“Er verandert ook veel als je kijkt naar de discussie over het eigenaarschap van data. Wij hebben data, maar we zijn tegenwoordig niet meer de enige. Dat leidt soms ook tot inhoudelijke strijd. Vroeger had NOC*NSF een breedtesportexpertisecentrum, dat lag min of meer in het verlengde van wat de onafhankelijke kennisinstituten deden. Tegenwoordig is het toch meer een marketinginstrument geworden. NOC*NSF, maar ook andere organisaties zoals de bonden, hebben hun eigen data. Dat kan leiden tot tegengestelde inzichten. Als NOC*NSF roept dat de sportparticipatie in Nederland omhoog gaat en wij zien dat niet terug in onze eigen cijfers en die van SCP of CBS, dan ontstaat er toch strijd over wie het juiste beeld heeft. Daarom is onze positie als onafhankelijk bureau ook zo belangrijk. Daar ligt onze toegevoegde waarde.”
5. Je spreekt nog met veel passie over Mulier, maar vanaf begin september ga je aan de slag bij de Reddingsbrigade Nederland, die dan ook meteen haar 100-jarig bestaan viert. Wat is je voornaamste ambitie?
“De Reddingsbrigade Nederland is een prachtige organisatie, met mensen die zich bekommeren om de veiligheid op en in het water, georganiseerd in de Nederlandse traditie van verenigen. Het is een sportbond met 170 verenigingen, meer dan 5.000 vrijwilligers en 25.000 leden. De bond is ook lid van NOC*NSF en is aangesloten bij het IOC en bij het internationale Sportaccord. Life saving is ook echt een mondiale sport, met EK’s en WK’s.”
“Ik heb als directeur geen specifieke opdracht meegekregen. Mijn ambitie is vooral ervoor te zorgen dat er voldoende draagvlak is, ook financieel, om ervoor te zorgen dat het werk van de Reddingsbrigade nog beter gebeurt dan nu al het geval is. Waterveiligheid is een complexe aangelegenheid. Geen organisatie kan dat alleen aan. Daarom is het belangrijk dat organisaties als de Reddingsbrigade, de Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij, de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen maar ook de 25 veiligheidsregio’s, nauw samenwerken. Waterveiligheid in Nederland wordt door die organisaties samen geborgd en dat lukt alleen als de samenwerking soepel verloopt. Dat vergt continue aandacht.”
“De Reddingsbrigade Nederland en de KNRM vullen elkaar aan. De KNRM is een professionele organisatie die bijna militair opereert. Als er ergens een schip in nood is, kunnen zij meteen met mensen en materieel uitrukken. De kracht van de Reddingsbrigade Nederland is juist om met inzet van lokale mensen ervoor te zorgen dat alles aan de waterkant veilig is geregeld, zowel langs de kust als in de binnenwateren. De Maatschappij tot Redding van Drenkelingen zet zich ook in om verdrinken te voorkomen en doet dat onder andere door mensen die drenkelingen hebben gered een podium te geven. Dat ligt in het verlengde van wat de Reddingsbrigade doet, maar het is toch net iets anders.”
“Daarnaast werkt de Reddingsbrigade natuurlijk ook samen met de KNZB (Koninklijke Nederlandse Zwembond, red.). Beide organisaties bekommeren zich om de zwemvaardigheid. Dat komt allemaal samen in het Nationaal Platform Zwembaden. Ik merk gelukkig dat de manier waarop binnen de zwemwereld wordt samengewerkt constructiever is dan een paar jaar geleden. De stammenstrijd rond het zwemdiploma lijkt beslecht. Natuurlijk is er verschil van inzicht over de manier waarop zwemles gegeven moet worden en dat is ook alleen maar goed, mensen zijn daar gepassioneerd mee bezig. Maar in tegenstelling tot een aantal jaar geleden scharen alle grote organisaties zich nu wel achter het idee van een nationaal zwemdiploma en het Nationaal Platform Zwembaden als hoeder van dat gedachtegoed.”
“Reddingsbrigade Nederland heeft als lid van NOC*NSF natuurlijk ook een stem in de sportkoepel en ik zal ook daarin, met de kennis die ik in de loop der jaren over de sportwereld heb opgedaan, met veel plezier een aandeel leveren in de discussies. Ik juich de koers toe waarbij sportbonden meer dan vroeger in plaats van een ledenorganisatie veel breder hoeder zijn van hun sport, maar er ligt voor sportbonden een grote uitdaging om te kijken hoe je die rol precies invult.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.