4 juni 2013
Nieuws
door: Leo Aquina | 4 juni 2013
1. Hoe zijn de leerstoel sportsociologie en sportbeleid en jouw benoeming als bijzonder hoogleraar tot stand gekomen?
“Er waren veel studenten van de Radboud Universiteit die bij het Mulier Instituut stage wilden lopen. Zij wilden onderzoek doen bij allerlei projecten. Dan kun je denken aan gehandicaptensport, sportbestuur bij verenigingen, Cruyff Courts, noem maar op. Er was meer belangstelling vanuit de Radboud Universiteit dan van andere universiteiten. Daarom zijn we het gesprek aangegaan met de faculteit sociale wetenschappen in Nijmegen en daar is uiteindelijk deze leerstoel uit voortgekomen.”
“Het Mulier Instituur en de Radboud Universiteit hebben vorig jaar ook een gezamenlijke aanvraag ingediend voor een NWO-subsidie (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, red.). Die aanvraag kwam voort uit onze gezamenlijke interesse op het gebied van sportparticipatie. Waarom doet de ene mens wel aan sport en de andere niet? Die NWO-aanvraag is helaas niet toegewezen, maar los daarvan waren we er allemaal van overtuigd dat we dit verder wilden ontwikkelen. Naast de Radboud Universiteit en het Mulier Instituut zijn ook het SCP en de Hogeschool Nijmegen Arnhem (HAN SENECA) daarbij betrokken. Komende week gaan we weer gezamenlijk om de tafel zitten om te kijken hoe we toch een onderzoeksprogramma van de grond kunnen krijgen zonder die NWO-subsidie. Wat kunnen we met eigen middelen, is het mogelijk als derde geldstroom onderzoek? Er zit zoveel energie in deze groep mensen. Daar kunnen we heel veel uithalen.”
2. Hoe ga je de leerstoel invullen? Hoeveel tijd kost het en gaat die tijd niet ten koste van je werkzaamheden bij het Mulier Instituut?
“Nijmegen loopt voorop als het gaat om sociologie-opleidingen. Er is een uitstekende research master die volledig is gericht op mensen die als socioloog door willen in de wetenschap. Maar er zijn daarnaast ook mensen die het vak sociologie wel mooi vinden, maar die niet per se door hoeven in de wetenschap. Voor die mensen is het goed om te weten wat de rol van hun vak en hun kennis is in een beleidsproces. Voor die groep is de Radboud Universiteit een master beleidsonderzoek gestart. Mijn leerstoel is gevestigd binnen de master beleidsonderzoek. Dat sluit goed aan bij wat het Mulier Instituut doet en wat ik voorheen heb gedaan bij het Sociaal en Cultureel Planbureau.”
”Het hoogleraarschap kost mij één dag in de week. Daarin word ik geacht een cursus te geven binnen de master beleidsonderzoek, wetenschappelijke artikelen te publiceren en we willen samen financiering vinden voor onderzoek. Gaat dat ten koste van mijn werk bij het Mulier Instituut? Ja en nee. Ik moet natuurlijk tijd investeren in de colleges en die tijd kan ik niet besteden aan mijn werkzaamheden hier. Aan de andere kant: het werk van het Mulier Instituut is om samen met universiteiten en hogescholen onderzoek te doen en de wetenschappelijke kennis over sport vorm te geven. Dit hoogleraarschap is een manier om daar gestalte aan te geven.”
“De aanstelling is voor een periode van drie jaar en daarna gaan we evalueren en praten over eventuele verlenging. Ik hoop dat er tegen die tijd een mooie cursus staat waarin de studenten leren wat het betekent om als socioloog bij beleidsonderzoek te worden betrokken. Daarnaast hoop ik dat er een aantal mensen promotieonderzoek gaan doen rond de kernvragen van de leerstoel. Wat is de maatschappelijke betekenis van sport? Wat zijn redenen voor sportdeelname en wat is de plaats van sport in de samenleving? En als derde: hoe kunnen we de kennis hierover inzetten om met beleid te stimuleren dat meer mensen gaan sporten? In mijn wetenschappelijke publicaties hoop ik eigenlijk juist niet de sporttijdschriften te bedienen, maar de algemene sociologische tijdschriften. Ik wil de sport laten profiteren van meer algemene sociologische inzichten en aan de andere kant wil ik sociologen laten zien dat je veel kunt leren van de speeltuin die sport heet.”
3. Je gaat onder meer onderzoeken waarom de ene mens wel aan sport doet en de andere mens niet? Wat is er op dat gebied al bekend?
“Daar is al veel onderzoek naar gedaan en er is ook het nodige bekend. De moeilijke stap is vooral hoe je die kennis op een goede manier omzet in beleid. Waarom doen mensen aan sport? Ze moeten het op de eerste plaats leuk vinden en dat leren mensen in de jongere levensfases. Vaak gebeurt dat omdat hun ouders al lid waren van een club, omdat ze een goede trainer hadden of een goede vakleerkracht op school. Als kinderen ermee zijn opgegroeid, het plezier hebben ervaren en zelfvertrouwen hebben gekregen van sporten, zijn ze ontvankelijk. Mensen bij wie dat niet het geval is, zullen sneller stoppen. Daarnaast helpt het als mensen zich ervan bewust zijn dat sport bijdraagt aan hun gezondheid.”
“Er zijn ook redenen om niet te sporten. Het kost bijvoorbeeld veel tijd en energie. In dat soort gevallen helpt het als er goede voorzieningen zijn en als mensen samen sporten. Zien sporten doet sporten. Topsport helpt niet, dat is een absolute mythe. De successen van Ard en Keesie, Bettine Vriesekoop, de herenvolleyballers of Pieter van den Hoogenband, zij hebben geen van allen geleid tot een groter ledenaantal van de schaatsbond, tafeltennisbond, volleybalbond of zwembond. Daar is genoeg onderzoek naar gedaan. Overigens heeft topsport wel betekenis voor breedtesport. Door mooie topsportresultaten zullen beleidsmakers zich makkelijker committeren aan de agenda van de sportwereld.”
“Het is niet eenvoudig om alle aanwezige kennis om te zetten in sportstimuleringsbeleid. Om te beginnen is het voor overheden veel makkelijker om dingen te verbieden dan om dingen te stimuleren. Voor het eerste maak je een wet, die je vervolgens gaat handhaven. Voor het tweede heb je de medewerking nodig van heel veel verschillende partijen. Die partijen moet je enthousiasmeren om actie te ondernemen, je moet ze overtuigen dat zij er zelf ook beter van worden. Je hebt als overheid beperkte middelen. Het gaat erom die middelen zó in te zetten, dat andere partijen actief worden. Je hebt te maken met gemeenten, sportverenigingen, bonden, het onderwijs, de media. Dat maakt het ook een sociologisch onderwerp. Het is niet alleen de psychologische vraag: waarom sporten jij en ik wel of niet.”
4. De overheid en NOC*NSF willen het de sportparticipatie in Nederland opkrikken van 65 naar 75 procent. Is dat mogelijk, hoe moet het en hoe lang duurt het?
“Die 75 procent is zeker haalbaar. Ik heb in het verleden ook wel eens geroepen dat er een plafond is aan sportdeelname, maar ik ben gelogenstraft door de cijfers. De sportdeelname bleek daarna nog altijd te stijgen al zie je in de cijfers van de laatste jaren geen stijging meer. In 2012 wel weer, maar dat kan nog een toevalstreffer zijn. Het is hoe dan ook mogelijk om de sportdeelname nog verder omhoog te krikken. Op dit moment doet ongeveer twee derde van de Nederlanders aan sport. We weten ook dat 82 procent van de Nederlanders sport ooit leuk heeft gevonden. Daartussen zit dus nog veel ruimte. De mensen die sport wel leuk vinden, maar er desondanks niet meer aan doen, hebben een zetje nodig. Daarnaast heb je nog een groep mensen die simpelweg een hekel hebben aan sport, neem Midas Dekkers als voorbeeld. Die verstokte niet-sporters moet je op een andere manier aanspreken als je ze aan het bewegen wil krijgen. Mensen zijn bijna altijd onderdeel van een netwerk, de bridgeclub, de kerk. Dan kun je mensen voorstellen om binnen dat netwerk iets anders te gaan doen, wandelen, fietsen. Dat moet je niet brengen als georganiseerde sport of een wedstrijd. Het gaat erom dat die mensen er lol in hebben. Als we meer mensen aan het sporten willen krijgen, moeten we mensen minder het gevoel geven dat ze moeten sporten.”
“Er komt nu een generatie oudere mensen aan die in de jaren zestig en zeventig zijn opgegroeid, die hebben meegekregen dat sport leuk en belangrijk is. Zij zullen daarom langer blijven sporten dan de generaties vóór hen en er zijn ook cijfers die dat ondersteunen. Er gaat altijd veel aandacht uit naar jeugd als het gaat om sportstimulering, maar eigenlijk is er veel meer elders te halen. Je zou moeten kijken naar de middelbare schooljeugd, naar jonge ouders die weinig tijd hebben en naar die groep ouderen. Dat er veel aandacht uitgaat naar die kinderen komt voort uit het gegeven dat de overheid daar via het onderwijs enigszins grip op heeft. De jeugd moet worden opgevoed en dat is maatschappelijk ook geaccepteerd. Burgers opvoeden, dat ligt een stuk gevoeliger. Je kunt volwassen burgers als overheid niet dwingen tot een bepaalde levenswijze.
“Er zijn wel argumenten op basis waarvan je als overheid wel kunt legitimeren waarom je sport en bewegen stimuleert. Aan de ene kant is er het gezondheidsargument. Sport is een sleutel om mensen op allerlei manieren mee te laten nadenken over hun gezondheid en dat levert een grote maatschappelijke besparing op. Mensen die sporten hebben bijvoorbeeld minder last van kanker, hart- en vaatziekten. Natuurlijk zijn er ook kosten vanwege blessures, maar de balans slaat altijd door in het voordeel van de sport. Calculaties van VeiligheidNL wijzen uit dat voldoende bewegen de maatschappij netto 677 miljoen euro op jaarbasis opbrengt. Je krijgt als overheid veel terug als je in sport investeert. Mensen gaan aan de slag in verenigingen, je zet enorm veel in werking. Voor iedere euro die je inzet krijg je een veelvoud terug door de inzet van vrijwilligers. Dat is goed voor allerlei maatschappelijke zaken, voor de sociale cohesie. Dat krijg je er als beleidsmakers allemaal gratis bij.”
5. Je wil als hoogleraar studenten leren wat de rol van sociologisch onderzoek is in beleidsprocessen. Wat is die rol? In hoeverre heb je als kennisinstituut bijvoorbeeld te maken met inconsistent beleid vanwege opeenvolgende kabinetten met andere standpunten?
“Met dat opportunisme heb je te maken en dat is soms lastig ja. Als ik nu kijk naar het sportstimuleringsbeleid dat NOC*NSF aandraagt, zie ik geen wezenlijke verschillen met de ideeën die daarover al jaren geleden bestonden bij de ontwikkeling van het Olympisch Plan. Men is kennelijk sindsdien meer bezig geweest met de governance rond dat plan, dan met de doelstellingen zelf. Er is nog zo veel kennis opgeslagen in nota’s en in de hoofden van mensen waar niet of nauwelijks gebruik van wordt gemaakt.”
“Het budget voor sportbeleid wordt niet bepaald door wat er noodzakelijk is om de doelstellingen te verwezenlijken, maar door wat er politiek haalbaar is. Hoe zet je dat geld in? De ene keer gaat het naar de gemeenten, de andere keer naar bonden en op dit moment gaat het naar sportaanbieders via Sportimpuls. Het is iedere keer aftasten wat het beste werkt. Als Mulier Instituut leveren we beleidsevaluaties aan, maar ik kan je geen 'klip en klaar'-antwoord geven op wat nu de beste manier van alloceren is. Aan de ene kant is er op dat gebied nog veel onderzoek nodig en ten tweede moet er ook wel interesse zijn om van die kennis gebruik te maken. Als wetenschapper draag je kennis aan en het is aan beleidsmakers en politici om daar gebruik van te maken. Soms heb je nog wel eens het gevoel dat er een Berlijnse muur staat tussen die twee werelden. Of dat nu komt door het cynisme van wetenschappers of door het opportunisme van beleidsmakers, dat is moeilijk te zeggen. Ik wil niet zover gaan om te zeggen: never the twain shall meet, maar er is nog veel winst te behalen. Organisaties als NISB en het Mulier Instituut vervullen daarin een belangrijke rol. Het frustreert mij niet. Als dat zo zou zijn, dan was ik niet al zes jaar directeur van het Mulier Instituut en dan was ik ook geen hoogleraar geworden in een master beleidsonderzoek.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.