Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan kees jansma perschef van het nederlands elftal

5 vragen aan Kees Jansma, perschef van het Nederlands Elftal

26 februari 2013

Nieuws


door: Leo Aquina | 26 februari 2013

1. Je werd na een lange carrière in de sport- en voetbaljournalistiek in 2004 perschef van het Nederlands elftal. Waarom die stap en waaruit bestaan je werkzaamheden als perschef?
“Het begon met een telefoontje van Dick Advocaat in mei 2004. Hij vroeg mij om perschef te worden, maar ik had op dat moment andere verplichtingen. Na het EK in Portugal kwam Hans Jorritsma met Marco van Basten en John van ’t Schip bij mij thuis om me nogmaals te vragen. Advocaat had tijdens het EK van 2004 in Portugal een moeizame werkrelatie met de pers. Het is niet aan mij om daar iets over te zeggen, maar het gaf mij een makkelijk vertrekpunt. Nieuwe bezems vegen schoon. Er was een nieuwe bondscoach en een nieuwe perschef. Bij mijn aantreden in augustus 2004 heb ik tegen de spelers, de coaches en de KNVB gezegd dat ik het belangrijk vond om zo open mogelijk te communiceren. Dat komt natuurlijk voort uit mijn journalistieke ervaring. Die woorden moet ik op gezette tijden nog wel eens herhalen. Ik wil dat er open wordt gecommuniceerd en daarin word ik gesteund door Louis van Gaal. Maar er is nu eenmaal een natuurlijk soort van wantrouwen tussen sporters en journalisten.”

“Wat is mijn rol? Ik moet beide partijen faciliteren, de spelers en de coach aan de ene kant en aan de andere kant de journalisten. Rond interlands is het druk met persconferenties en interviews, maar ook tussen de wedstrijden door is er een doorlopende stroom van interviewaanvragen. Oranje en de bondscoach Louis van Gaal zijn populair in Nederland, maar ook in het buitenland. Het is hier in Zeist een komen en gaan van binnen- en buitenlandse journalisten voor één-op-één gesprekken buiten de persconferenties om. Tussen de interlands door gaat dat alleen om de coach, want de spelers zijn dan gewoon bij de club waar ze in dienst zijn. Daar kunnen wij niet over beschikken.”

2. Je combineert je functie als perschef van Oranje met journalistieke functies, zoals presentator van Eredivisie Live en voorheen als columnist bij NUsport. Gaat die combinatie niet ten koste van je geloofwaardigheid?
“Ik doe dit al tien jaar. Er is in het begin wel dergelijke kritiek geweest, maar tegenwoordig hoor ik het eigenlijk nauwelijks meer. Blijkbaar zijn ze eraan gewend en de journalisten zien dat ik al het mogelijke probeer te doen om een zo goed en open mogelijk werkklimaat te scheppen. Er wordt in de media misschien nog wel eens geschreven over mij als spindoctor, maar dat is echt te veel eer en dat is geen valse bescheidenheid. Het enige dat ik aan de spelers vraag, is dat zij opdraven bij persconferenties. Ik doe ook niet aan mediatraining en ik vertel de spelers al helemaal niet wat ze moeten zeggen. Ik vraag ze wel om zich voor te bereiden op mediaoptredens. Het is goed om van tevoren te weten wat je wil zeggen. Spelers bereiden zich ook voor op trainingen en wedstrijden, dus dat moet ook voor een persconferentie. Maar zij vertellen daar hun verhaal en niet het mijne.”

“Ik sta voor open communicatie en ik wil dat spelers praten met de pers, maar ik kan ze niet dwingen. We leven niet in een strafkamp. Als Robin van Persie niet met de pers wil praten, zoals tijdens het afgelopen EK, dan kan ik dat niet van hem eisen. Ik kan hem wel dringend aanraden om wel met de pers te praten en dat heb ik ook gedaan. Hij had daar echter zijn eigen gevoelens bij. Ik zou een dergelijke situatie in de toekomst op dezelfde manier benaderen. Ik geef de speler advies. Wat hij daarmee doet, is aan hem. Natuurlijk hebben Van Persie en ik daar achteraf nog over gepraat, maar de inhoud van dat gesprek blijft tussen hem en mij.”

“Ik denk niet dat een nauwe relatie tussen journalisten en sporters goede journalistiek in de weg staat. Bestaat er überhaupt objectieve journalistiek? Ik heb vroeger van de groten in dit vak – Herman van Run, Aad van den Heuvel, Koos Postema, Bob Spaak – geleerd dat de naam van een journalist niet voor niets bij een stuk staat vermeld. In de Volkskrant staat Willem Vissers en in Trouw Henk Hoijtink. Er staat niet: ‘Van onze verslaggever’. Het is goed om te weten wie het stuk schrijft, want dan weet je waar de visie vandaan komt. Willem Vissers schrijft anders over voetbal dan Valentijn Driessen van De Telegraaf. Allebei zijn ze ervan overtuigd dat ze hun uiterste best doen om objectief te zijn.

3. Tijdens je dienstverband als perschef heb je met drie verschillende bondscoaches gewerkt. Wat waren de grootste verschillen? Merk je ook een verschil in benadering door de journalisten?
“Het zijn mannen met verschillende inzichten en overtuigingen. Ze hebben andere karakters en verschillende aanpak, maar het zijn alle drie buitengewoon prettige mensen om mee te werken als het gaat om omgang met media. Marco van Basten was natuurlijk helemaal nieuw in het vak toen hij begon. Bert van Marwijk had al een UEFA Cup gewonnen en Louis van Gaal is gepokt en gemazeld in het internationale topvoetbal. Je kunt wel zeggen dat mijn rol onder Louis van Gaal minder groot is want hij kent het klappen van de zweep.”

“Over de benadering van de journalisten kan ik niets zeggen. Het is niet aan mij om hen te beoordelen op wat zij wel of niet moeten doen. Ik ben geen dominee, al zit dat wel een beetje in me. In mijn beginperiode wilde ik mijn collega’s bij het Nederlands Elftal nog wel eens opvoeden, maar daar ben ik wel vanaf. Ik probeer een goed werkveld te creëren en soms worden spelers en coaches overvraagd, maar dat geldt ook voor journalisten. Het is een spanningsveld waarin journalisten tegenwoordig vaak niet meer alleen moeten produceren voor de krant, maar ook voor de internetsite. Dat brengt druk met zich mee en daar heb ik best begrip voor.”

“Ik heb niet één grootste ergernis ten opzichte van journalisten. Die vraag zou ik liever omdraaien. Journalisten die er altijd zijn bij Oranje, hebben een streepje voor. De mannen die langs de lijn zitten tijdens een verregende training bij drie graden boven nul. Dan zeg ik tegen de spelers: ‘Kijk, zij zitten er ook en ze doen hun werk, net zoals wij ons werk doen.’ Journalisten mogen van mij alles schrijven wat ze willen over Oranje, maar ik vind het wel prettig als ze goed geïnformeerd zijn. Ik heb een afspraak met alle journalisten die ons goed volgen. Als ze me tijdens een training bellen met de vraag of er nog nieuws is en het antwoord is ‘nee’, dan is er geen nieuws. Als ik niet reageer, is er wel nieuws. Laatst met Klaas-Jan Huntelaar gebeurde dat. Hans Engelbrecht van Studio Sport belde mij en ik reageerde niet. Dan weet hij dat er iets is, maar de rest moet hij zelf uitzoeken. Huntelaar was naar het ziekenhuis vanwege zijn oog en we wisten nog niet wat er aan de hand was. De dokter wil niets zeggen voordat hij een diagnose heeft gesteld, dus ik kan niets zeggen. De communicatie tussen de arts en de club gaat nu eenmaal voor, daar zijn we heel strikt in.”

4. Eind 2011 kwam het boek Kees uit. Daarin schrijf je onder meer dat je je overleden vader de afgelopen jaren nog ontelbare malen had willen bellen. Wat had je hem willen vragen?
“Ik belde mijn vader toen hij nog leefde iedere dag, en anders hij mij wel. Vaak ging het over mijn moeder, mijn broer of mijn zus, maar vaak ook over voetbal. Dankzij mijn vader ben ik besmet geraakt met de sportbacil en het voetballen. Wat ik hem precies had willen vragen? Ik denk dat ik vooral op zoek ben naar zijn rust en relativering. Als ik me weer eens druk maakte over wat er allemaal werd geschreven, zou hij hebben gezegd: ‘Jongen jij leest alles, maar de gemiddelde Nederlander leest maar één krant en kijkt naar één televisieprogramma. Als 700.000 mensen dat programma hebben gezien waarin iets onaardigs werd gezegd, hebben meer dan 15 miljoen mensen dat niet gezien.’ Mijn vader zou ook mijn euforie hebben gerelativeerd, zonder het plezier weg te drukken, want dat plezier heb ik van hem meegekregen. Mijn vader was ook kritisch. Hij is er niet meer, maar ik hoor hem nog regelmatig. Als wij blij zijn met een gelijkspel, zoals tegen Italië vorige week, had hij gezegd dat een zwaluw nog geen zomer maakt.”

“Mijn vader was misschien ook wel de aanleiding voor het schrijven van dat boek. Hij zei me wel eens dat ik het allemaal van me af moest schrijven. Daarnaast waren er ook uitnodigingen van uitgeverijen en uiteindelijk ben ik in zee gegaan met de uitgeverij van Johan Derksen. Ik heb het boek vooral voor mezelf geschreven en – dat klinkt misschien een beetje zwaar – ook voor mijn kinderen. Mijn jongste kinderen zijn acht en tien jaar oud en die hebben natuurlijk geen benul van wat hun vader die in 1947 geboren is in zijn leven allemaal heeft uitgespookt. Misschien kunnen zij er later nog wat dingen uithalen.”
 
5. Je bent een klein half jaar geleden Johan Wakkie opgevolgd als voorzitter van het Jeugdsportfonds. Waarom wil je je daarvoor inzetten en wat zijn je plannen met die organisatie?
“Ik was al lokaal ambassadeur in Alphen aan de Rijn voor het Jeugdsportfonds, maar daar werd ik eigenlijk nooit gevraagd iets te doen. Bert van Marwijk was ook ambassadeur. Van Marwijk was in zijn jeugd dolblij met een paar voetbalschoenen, waar zijn vader een jaar voor had moeten werken. Vanuit die ervaring was hij er enorm bij betrokken. Daardoor kwam ik er ook veel mee in aanraking en op een gegeven moment zei Johan Wakkie tegen mij: ‘Ik weet nog een leuk onbetaald bijbaantje. Neem jij dat maar van mij over.’ Ik heb 'ja' gezegd zonder me te realiseren wat daar allemaal bij kwam kijken. Ik ben er heel druk mee, maar het is enorm dankbaar werk.”

“We zijn nu bezig met de professionalisering van het apparaat. We hebben met Monique Maks een nieuwe directeur. De oude directeur Trinko Keen gaat zich nu op fondsenwerving storten. We hebben acht medewerkers in dienst en het hele apparaat moet professioneler. Vorig jaar hebben we via het Jeugdsportfonds 23.000 kinderen laten sporten en we willen op termijn naar 40.000 kinderen. Dat is 40.000 maal 250 euro, dus het gaat om grote bedragen. Mijn rol is vooral die van uithangbord. Ik reis door het land om de mensen te enthousiasmeren en ervoor te zorgen dat hun werk gewaardeerd wordt. We hebben 32 franchises door heel Nederland heen en daar werken allemaal vrijwilligers. In totaal maken 166 gemeenten gebruik van het Jeugdsportfonds en dat moeten er nog veel meer worden. Het is echt pionierswerk om die gemeenten te overtuigen. Amsterdam heeft ons goed bedacht en ook in Rotterdam gaat het erg goed. De Vriendenloterij heeft ons vorig jaar een miljoen euro gegeven voor vijf jaar, dat is hartverwarmend. In totaal zijn er zo’n 300.000 kinderen die niet kunnen sporten vanwege geldgebrek. Sport is belangrijk, dus daar moeten we wat aan doen. Het Jeugdsportfonds doet enorm goed werk. Ik heb Trinko Keen eens gevraagd naar de cijfers bij mijn eigen club Alphense Boys. Het bleek dat daar in vier jaar tijd ruim 240 kinderen dankzij het Jeugdsportfonds konden voetballen. Ik ben blij dat het kabinet ons ook heeft opgenomen in het regeerakkoord. Daarin staat weinig over sport, maar het Jeugdsportfonds wordt expliciet genoemd, dat is belangrijk."

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.