Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan karin van bijsterveld voorzitter platform sport bewegen en onderwijs

5 vragen aan Karin van Bijsterveld, voorzitter ‘Platform Sport, Bewegen en Onderwijs’

14 april 2009

Nieuws

door: Peter Hopstaken | 14 april 2009

1. Je bent voor de buitenwacht verrassend voorzitter geworden van het ‘ Platform Sport, Bewegen en Onderwijs’. Hoe is de ‘match’ ontstaan en kun je het combineren met je drukke advocatenpraktijk en het voorzitterschap van de tennisbond ?
“Op een ochtend in januari werd ik gebeld door Bart Zijlstra, directeur van de Directie Sport van het ministerie van VWS. Hij vertelde dat de ministeries van VWS en OCW samen het ‘ Platform Sport, Bewegen en Onderwijs’ gingen oprichten en dat zij een onafhankelijk voorzitter zochten. Of ik daarvoor aanmerking wilde komen. Ik voelde me vereerd dat ik werd gevraagd, maar wilde graag meer weten over de inhoud van deze functie. Ook gaf ik aan graag kennis te maken met de beoogde vicevoorzitter Philip Geelkerken, directeur van het CAOP (Centrum voor arbeidsverhoudingen bij overheidspersoneel, red.). Een klik met hem vond ik belangrijk, overigens dacht Philip er ook zo over. De komende periode zal ik samen met Philip en met ondersteuning vanuit het SLO (nationaal expertisecentrum voor leerplanontwikkeling, red.) met hulp van Berend Brouwer het platform verder vorm gaan geven. Deze functie kan ik onder mijn werktijd verrichten zodat het voor mij goed te combineren is met mijn werk en overige functies die ik bekleed.

2. Wat is het voornaamste verschil tussen het ‘Platform Sport, Bewegen en Onderwijs’ en de ‘Alliantie School & Sport’ die in oktober 2008 na de afgesproken drie jaar werd ontmanteld? “De Alliantie School & Sport was feitelijk een ‘overeenkomst’ tussen de ministeries van OCW en VWS en NOC*NSF. Die drie partijen voerden duidelijk de regie en hebben samen een programmadirecteur aangesteld. Deze heeft allerlei organisaties uitgenodigd en uitgedaagd om drie jaar lang activiteiten te ontplooien om de Alliantiedoelen te realiseren. Het beleidskader dat vervolgens voor de volgende drie jaar is ontwikkeld, is in twee opzichten een volgende stap. Ten eerste omdat het kabinet nu regulier beleid heeft geformuleerd ten aanzien van het thema onderwijs en sport en het dus niet langer als een tijdelijk project ziet. Daarnaast is de regie op de uitvoering van dat beleidskader bij de uitvoerende partijen gezamenlijk gelegd en houdt de overheid zich nu meer op afstand. De ministeries zijn bijvoorbeeld ook niet vertegenwoordigd in het Platform. Dat vind ik een goede zaak. Het is volgens mij niet goed als de overheid op de stoel van de uitvoerder gaat zitten.”

“De partijen die wél vertegenwoordigd zijn in het Platform gaan nu expliciet op zoek naar onderlinge samenwerking om de doelstellingen, zoals geformuleerd in het beleidskader, te realiseren. De belangrijkste doelstelling is om de schoolgaande jeugd meer te laten meedoen aan sport en meer te laten bewegen. Meer concreet moet het percentage kinderen en jongeren van vier tot zeventien jaar dat aan de beweegnorm voldoet, stijgen van veertig procent in 2005 tot vijftig procent in 2012. Daarmee wil het kabinet tevens bijdragen aan de preventie en vermindering van overgewicht bij de jeugd, maar ook aan het terugbrengen van de schooluitval. Daarnaast moet door uitvoering van het nieuwe beleid het aantal sporttalenten dat doorstoot naar de top toenemen.”

3. Een van de afspraken die gemaakt is tijdens de startbijeenkomst op 26 maart jl. tussen het Platform en de staatssecretarissen Bussemaker (VWS) en Dijkstra (OCW) is dat er zogenoemde sport- en beweegteams komen om meer jongeren aan het sporten te krijgen. Wat zijn ‘sport- en beweegteams’ en wie gaan daar in zitten?
“Die ‘sport- en beweegteams’ zijn samenwerkingsverbanden op lokaal niveau die uitvoering gaan geven aan een uitbreiding van het aanbod aan sport en bewegen in en rond scholen. In die zin gaan zij handen en voeten geven aan de doelen van het beleidskader om meer jongeren de beweegnorm te laten halen. In zo’n beweegteam zullen onder andere vakleerkrachten bewegingsonderwijs, combinatiefunctionarissen, buurtsportwerkers, vertegenwoordigers van sportverenigingen en medewerkers van het sportbedrijf zitten. Dat zijn dus alle mogelijke partijen die uitvoering moeten geven aan de doelstelling om jongeren meer te laten sporten en bewegen, maar dan samen lerend van elkaar en gebruik makend van elkaars kwaliteiten.
Vaak zullen stagiaires van opleidingen Sport en Bewegen en sportleraren in opleiding hier als stageopdracht assistentie verlenen. De invoering van de combinatiefunctionarissen wordt begeleid door de Vereniging Sport en Gemeenten. Initiatieven zullen daarom vaak van de gemeenten uitgaan, maar de beweegteams worden op lokaal niveau ingericht en begeleid en zijn hopelijk vooral zelfsturend.”

4. Om het effect van instelling van sport- en beweegteams te kunnen meten, zou er een degelijke nulmeting verricht moeten worden. Gaat dat in dit geval gebeuren?
“Parallel aan de activiteiten binnen het beleidskader zullen de ministeries van VWS en OCW de resultaten gaan monitoren. Er is weer een brede analyse voorzien waarbij gebruik gemaakt wordt van de resultaten van al lopende onderzoeken. De precieze afspraken over de uitvoering van de monitoring moeten nog worden gemaakt, maar het ligt voor de hand om daarin een nulmeting mee te nemen. Anders weet je inderdaad niet goed wat je aan het eind van de rit bereikt hebt. Lastig daarbij is overigens wel dat het beleidskader allerlei reeds lopende initiatieven aanvult, denk bijvoorbeeld aan de instelling van de combinatiefunctionarissen. Daardoor zijn de resultaten die met het beleidskader worden bereikt lastig af te bakenen van uitkomsten van andere initiatieven.”

5. We moeten het natuurlijk ook even over tennis hebben. Een doelstelling uit het vorige Meerjarenbeleidsplan (2004-2008) van de tennisbond was een stijging van het aantal leden naar 750.000 in 2008. Dat is bij lange na niet gelukt. Is de oude doelstelling in het nieuwe beleidsplan (2009-2013) inmiddels bijgesteld?
“Jazeker. Ons doel is nu om de verbondenheid en betrokkenheid te vergroten. Zowel tussen tennisverenigingen en tennisbond, als tussen de leden en hun vereniging.
Ongeveer 1,1 miljoen mensen tennist minstens elf keer per jaar. Daarvan zijn er 700.000 mensen lid van een vereniging. Dat is 63 procent: een ongekend hoog percentage als je dat vergelijkt met andere landen. Daar komt bij dat ons ledenaantal heel stabiel is en dat wij met afstand de tweede sportbond van Nederland zijn. Verder hebben we 1.756 tennisverenigingen die samen liefst 44.000 teams op de been brengen die meedoen aan competities. Hoewel er elk jaar ongeveer 90.000 mensen hun lidmaatschap opzeggen, komt datzelfde aantal er ook elk jaar weer aan leden bij. Dit betekent dat we goed zijn in het werven van leden en ledenbehoud meer aandacht verdient.”

“We willen de weglopers dus vasthouden. Uit onderzoek blijkt dat leden vooral binnen twee jaar hun lidmaatschap opzeggen. Daarom gaan we ons daarop richten en we zullen verenigingen daar zo veel mogelijk bij helpen. Maar daar blijft het niet alleen bij. We helpen verenigingen ook met het werven van vrijwilligers. Dit doen we door clubs bijvoorbeeld bewust te maken dat een dergelijk beleid van groot belang is en door ze tools aan te reiken, zoals de verenigingsscan. Aan de hand daarvan kunnen verenigingen nagaan waar hun specifieke problemen liggen en wat ze er aan moeten doen om deze op te lossen. Soms is de oplossing trouwens heel eenvoudig. Ik ken een vereniging van driehonderd leden die op zeker moment alle leden is gaan opbellen. Simpelweg met de vraag wat de achtergrond van het lid was, wat hij of zij deed voor werk, enzovoorts. Sindsdien heeft die vereniging geen problemen meer met het werven van bestuurlijk kader omdat de match sneller gemaakt is.

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.