21 juni 2016
Nieuws
Jos Hermens vierde in april het dertigjarig jubileum van zijn bedrijf Global Sports Communication. Vanuit Nijmegen begeleiden Hermens en zijn mensen meer dan honderd topatleten over de hele wereld. Boven het kantoor is woonruimte voor tientallen Afrikaanse atleten die trainen en wedstrijden lopen in Europa. Hermens begroet hen vrolijk als we naar een rustige kamer lopen voor het interview. “Vroeger stond ik dichter bij de atleten en kende ik ze allemaal, maar daar heb ik iets meer afstand in genomen door te professionaliseren en te delegeren”, zegt hij. Minder bevlogen is de 66-jarige oud-topatleet echter geenszins. “Wat is er nou mooier dan een atleet naar het hoogste niveau brengen?”
door: Leo Aquina | 21 juni 2016
1. In april hebben jullie, na 31 jaar, het dertigjarig bestaan van Global Sports Communication gevierd. Vanuit welk idee ben je er indertijd mee begonnen?
“We zijn inderdaad een beetje te laat, want het echte dertigjarige jubileum was vorig jaar. We hadden in eerste instantie bedacht om een kleine reünie te organiseren met een etentje in september of oktober hier in Nijmegen, maar dat liep al gauw uit de hand. Het werd groter en groter. Op een gegeven moment hebben we besloten de tijd te nemen om het wat groter aan te pakken. Er was in 2015 geen datum meer vrij om het op Papendal te kunnen doen, dus werd het afgelopen april. Het was een mooi feest. Iedereen was er, met ongeveer vierhonderd gasten uit de atletiekwereld, Sebastian Coe, Gabriela Szabo, Haile Gebrselassie, Ellen van Langen, noem maar op. Zij konden de verhalen vertellen over de afgelopen dertig jaar. Wat je allemaal kunt bereiken. Ellen van Langen, die net als ik uit een arbeidersgezin komt en goud won op de Spelen; Haile Gebrselassie, die nu een imperium heeft in Ethiopië; Gabriela Szabo, olympisch kampioene en nu minister van Sport in Roemenië.“
”In dertig jaar Global Sports Communication hebben we meer dan duizend atleten begeleid met wie we 73 Olympische medailles hebben behaald, 418 WK-medailles en 71 wereldrecords. Dat had ik dertig jaar geleden niet kunnen bedenken. Eigenlijk ben ik er een beetje toevallig ingerold. Ik was zelf in 1978 gedwongen om te stoppen met topatletiek vanwege een achillespeesblessure. Ik heb altijd veel te hard getraind en er is in de medische begeleiding veel fout gegaan. Vanwege problemen met mijn achillespees heb ik veel cortisone-injecties gehad. Dat was toen een wondermiddel, maar achteraf bleek dat je er uiteindelijk meer kapot mee maakte als je er te veel van injecteerde.”
“Ik heb vier of vijf operaties gehad aan mijn achillespees, maar ik kon niet meer verder. Eigenlijk wilde ik trainer worden, maar dat was lastig in Nederland. Ik wilde wel graag in het internationale wereldje blijven en toen kwam Nike. Samen met Brendan Foster was ik de eerste sporter in Europa die op Nike liep. Toen ik niet meer verder kon als atleet, ben ik samen gaan werken met Michel Lukkien, de importeur van Nike in Nederland.”
“Met atletenmanagement ben ik in 1985 begonnen. Dat was een beetje toeval. Nike wilde graag een marathon sponsoren en in Amsterdam was al een marathon. Maar in Amsterdam wilden ze in 1980 niets hebben van Nike, zo’n obscuur klein Amerikaans merk, toch een beetje hoofdstedelijke arrogantie. Toen zijn we in Rotterdam gaan praten en zo is de Marathon van Rotterdam begonnen. Samen met Michel Lukkien was ik een van oprichters en later was ik daar als consultant aan verbonden. In 1985 ging het Europese kantoor van Nike van Leiderdorp naar Engeland en daar had ik niet zoveel zin in. Als consultant voor Rotterdam en Nike had ik een basis aan inkomsten en toen ben ik voor mezelf begonnen.”
“Vanuit Nike had ik veel contact met atleten en ik zag dat bijna alle atleten dezelfde vragen hadden. Het waren dezelfde vragen die ikzelf als atleet had gehad. Er was ook geen wedstrijdcircuit. Er was een EK en er waren Olympische Spelen, maar tussendoor deden de bonden niets. Dat kun je je nu niet meer voorstellen. Pas in 1983 kwam er een WK. Ik regelde mijn eigen wedstrijden en als atletenmanager deed ik wat ik zelf als atleet altijd gemist heb. Medische begeleiding, dat vond ik heel belangrijk. Er waren in die tijd maar heel weinig goede sportartsen. Atleten wilden graag met mij samenwerken. Ik had natuurlijk budget via Nike. Ik regelde contracten, wedstrijden, kleding, alles. Een van de eerste atleten die ik managede was Carlos Lopes. Met hem had ik nog samen gelopen. Carlos was een vriend van me. Hij sprak nauwelijks Engels. Ik ging dingen voor hem regelen. In 1985 liep hij in Rotterdam een wereldrecord op de marathon. Er kwamen in die tijd ook Nederlandse hardlopers naar voren, Rob Druppers, Han Kulker, Elly van Hulst. Ik heb ze allemaal begeleid.”
2. Wat is er in de loop der jaren allemaal veranderd sinds jij die eerste contracten voor atleten ging regelen?
“Toen ik zelf nog liep was het een pure amateursport. Je mocht niet betaald worden. Dat gebeurde natuurlijk wel onder de tafel, maar het waren geen grote bedragen. Ik kan me herinneren dat ik in 1978 de marathon van New York zou lopen voor duizend dollar, maar dat ging uiteindelijk niet door vanwege die blessure. Ik verzette me daar wel tegen. Hier is een foto van mij (slaat het jubileumboekje open, LA) met Nieuwe Revu als sponsor op mijn borst. Dat mocht natuurlijk helemaal niet. Veel ophef. Nieuwe Revu was een beetje een opstandig blad en dat paste wel bij mij. Ik was altijd in gevecht met van die typische bondmensen, die niets wilden vernieuwen.”
“De IAAF heette toen ook nog International Amateur Athletics Federation. Daar heb ik jarenlang tegen gevochten en het is pas een jaar of vijftien geleden veranderd in International Association of Athletics Federations. Probleem was natuurlijk ook het Oostblok. Die wilde helemaal niet dat het professioneel werd want zij hadden hun eigen staatsamateurs, die konden trainen en slikken wat ze wilden.”
“De professionalisering en commercialisering kwam maar heel langzaam op gang. Nike was daar een drijvende kracht in. Je had destijds alleen nog maar sprintspikes, zonder zooltje onder de hak. Daar trainde ik ook mee, maar dat was niet goed voor mijn achillespees. Samen met Nike verzonnen we dat zooltje. Bij adidas was dat niet mogelijk, die deden toentertijd altijd moeilijk. Phil Knight (de oprichter van Nike, red.) was zelf een loper. Hij richtte zich op lopers, die lijpe figuren uit de jaren zestig en zeventig. adidas had in Europa het monopolie en ze hoefden niet zoveel te betalen. Dan vroeg Nike: ‘Wat betaalt adidas, 20.000? Dan geven wij 40.000. Nike begon in 1972 en ze zijn heel snel groot geworden. Op de Olympische Spelen van 1984 pakte Nike goud op alle loopafstanden, van Carl Lewis op de 100 meter tot Carlos Lopes op de marathon.”
“Die commercialisering is overigens ook blijven steken en dat is mij een doorn in het oog. Nike en adidas hebben de markt geclaimd en nu zie je aan de start van de wedstrijden de helft van de atleten met hetzelfde Nike-shirtje en de ander helft met hetzelfde adidas-shirtje staan. Er is geen reclame op de kleding. Kijk eens naar het voetbal, daar zijn ze op dat gebied veel verder. Maar adidas en Nike leggen gewoon vast dat er verder niets op dat shirt mag staan. Dat gebeurt alleen in tennis op dezelfde manier, maar daar zijn de bedragen veel hoger. Nike en adidas kunnen dat gewoon bepalen, want zonder hen is er helemaal geen geld, dus het is een vicieuze cirkel. Die wil ik graag doorbreken.”
3. Je zegt dat ze in het Oostblok konden slikken wat ze wilden. Ben je zelf wel eens in de verleiding geweest om doping te nemen ?
“Ik heb er natuurlijk wel eens over nagedacht. In België kwam het vanuit de wielrennerij. Ik liep wel veel tegen Belgen en die hadden pilletjes. Dat noemden ze dan een 'stimulleje', maar mij gaven ze nooit wat. Indertijd had je in Finland Lasse Virén. Ik werkte samen met Jan Vos, fysioloog aan de universiteit van Nijmegen, en hij had wel contacten in Finland. Ik heb er open met Jan over gesproken. Ik trainde als een beest en ik nam wel ijzertabletten, maar onze sportdrank was melk. Testosteron stond op de lijst, maar het was niet aantoonbaar. Ik heb het nooit gedaan, maar achteraf denk je wel eens: wie was nou het piepeltje, Lasse Virén of ik? Alle Finnen hebben later toegegeven dat ze bloeddoping hebben gebruikt.”
“Lasse Virén was zeker niet talentvoller dan ik. Hij werd olympisch kampioen in 1972 en in 1976 en in de jaren daar tussenin was hij nergens. Wij dubbelden hem soms bij wedstrijden. Eens in de vier jaar deed hij een kuur met testosteron en bloeddoping. Ik heb dat ook toen wel eens gezegd, direct nadat ik over de streep kwam in de olympische finale in Montréal. Dat moet je natuurlijk ook eigenlijk niet doen als sporter. Ik zei dat voor mij Carlos Lopes olympisch kampioen was. Hij was tweede. Mijn opmerkingen werden uitgelegd als jaloezie, maar dat was onzin. Zelf was ik tiende, daar zaten nog acht anderen tussen.”
“Ik heb wel een omslag gemaakt in mijn eigen denken over doping. Vroeger hoorde het er een beetje bij. Trainers zeiden dan dat iedereen pakte, dus wat moest je dan? Maar ik had Haile (Gebrselassie, red.) en die won alles zonder doping. En nu heb je Dafne Schippers van wie ik honderd procent zeker weet dat ze schoon is. Dan ga je er anders over denken. Ik dacht op een geven moment dat de sport helemaal schoon was. Wat er in het Oostblok was gebeurd was historie. Maar nu zie je dus wat er vroeger in Oost-Duitsland gebeurde, opnieuw in Rusland gebeuren. Die Russen zijn gewoon doorgegaan op de weg die zij in de jaren zeventig en tachtig al bewandelden. Ik zit in de sport, maar dat had ik echt niet zien aankomen. Toch ben ik ervan overtuigd dat de sport nu schoner is dan in de jaren tachtig en negentig.
“In onze contracten met atleten stond dat we niet meer met hen zouden werken als ze positief bevonden werden. Ik zal, zonder het te weten, best eens gewerkt hebben met atleten die hebben gebruikt, maar nooit gepakt zijn. Tegenwoordig zijn we proactief. Als we zelf het gevoel hebben dat iets verdacht is, stoppen we met de samenwerking. Dat zie je als ze bijvoorbeeld een heel snelle en onverwachte progressie maken. Als management zien wij natuurlijk veel, ook als atleten van trainer switchen. Genzebe Dibaba ging naar een andere trainer en die had ook een eigen manager. Vorig jaar liep ze 3:50 op de 1.500 meter, Dat had ze misschien best ooit kunnen lopen, maar niet vorig jaar al. Daar had ze vijf jaar over moeten doen...”
“Je zult het nooit uit kunnen bannen, maar met het biologisch paspoort is het wel moeilijker geworden. Dan moet je al op achttien- negentienjarige leeftijd met zo’n atleet gaan werken met kleine doses, voordat het biologisch paspoort begint. Maar het is helemaal niet de moeite waard om daaraan te beginnen, want er is zoveel talent. Je moet je wel afvragen wat er straks allemaal met gentechnologie gaat gebeuren. Misschien biedt dat juist weer kansen om doping op te sporen.”
4. In 1972 heb jij je na de Palestijnse aanslagen op Israëlische atleten in het olympisch dorp teruggetrokken van de Spelen. Heb je daar spijt van?
“Spijt niet, maar ik zou het nu niet meer doen. Het waren andere tijden, we hadden zoiets nog nooit meegemaakt. Nu vind ik dat je niet moet zwichten voor de idioten. Maar toen voelde het anders. Het gebeurde bij mij om de hoek in het olympisch dorp. Ik kende zelfs een paar van die Israëlische atleten. Maar stel dat er nu zoiets zou gebeuren in Rio, dan moet je gewoon doorgaan. Rot op met die eikels. Ik heb niets tegen religie, maar het heet geloof. Dan weet je het dus al. De Koran en de Thora en de Bijbel, het zijn gewoon sprookjesboeken. Leuke verhaaltjes, maar daar ga je toch niet iemand om doodmaken?”
“Op je tweeëntwintigste sta je anders in het leven dan op je dertigste of op je vijftigste. In de jaren tachtig was ik heel anti-establishment. Ik was bijvoorbeeld vóór de Baader-Meinhof groep, die waren tegen het kapitalisme in Duitsland, tot ze mensen dood gingen maken want ik was ook pacifist en dat ging weer niet zo goed samen. Als achttien- à negentienjarige ben je heel erg makkelijk te beïnvloeden. Ik las boeken van Bakoenin, was enorm nieuwsgierig. Waar dat vandaan komt? Veel is geluk en toeval. Als meneer Zalm toevallig in een Ethiopisch dorpje was geboren, was hij geen minister en bankdirecteur geworden, dan had hij zijn hele leven teff staan dorsen. Zelf ben ik geboren in een arbeidersgezin en ik heb altijd het gevoel gehad dat het mij heeft belemmerd. Ik ging naar de ULO, maar als mijn vader dokter was geweest, was dat de HBS geweest. Talent, doorzettingsvermogen, nieuwsgierigheid, dat krijg je ook mee in je genen. Het hele leven is een loterij. Ik houd er ook helemaal niet van als mensen zich voor laten staan op hun studie of hoeveel geld ze verdienen. Wie is er nou tachtig miljard waard? Niemand. Ik geloof niet in links of rechts, maar het idealisme is bij mij altijd gebleven.”
5. Op welke manier zien we dat idealisme terug in Global Sports Communication?
“Het gaat ons om het goed begeleiden van de atleten. Als ik alleen maar voor het geld zou gaan, had ik indertijd alleen met Haile door moeten gaan. Dan had ik nu een paar miljoen op de bank gehad. Slechts twintig procent van onze atleten levert geld op, de rest kost geld. Maar het is mij niet om het geld te doen. Er is toch niets mooiers dan een sportman naar het hoogste niveau brengen? Ik snap ook helemaal niets van al die voetbalmanagers. Wat moet je nou met twee Maserati’s, wordt je daar gelukkig van?”
“Ik zou enorm veel goed kunnen doen in het voetbal. Het is makkelijk hè. Je hoeft alleen een goed contract in elkaar te timmeren en je bent klaar. De club regelt het verder allemaal. Wij hebben honderd atleten onder contract en we regelen alles: visa, kleding, medische begeleiding, contracten. We hebben hier op kantoor iemand die zich fulltime bezighoudt met de whereabouts van onze atleten. In het voetbal hebben die makelaars alleen maar oog voor het geld en zo eindigen jonge jongens op de bank bij een vage club in Rusland, terwijl de manager zijn geld telt. Ik vind het gewoon zielig. Who cares about the money? In de atletiek zie je het ook wel. Haile was in andere handen na tien jaar opgebrand.”
“Wij proberen atleten verder te brengen en daarom begeleiden we ze op allerlei vlakken. Veel Afrikaanse atleten komen thuis met een boel geld en dan kopen ze bijvoorbeeld een matatu (Keniaanse taxi, red.) voor familieleden. Die matatu’s gaan wel eens kapot, dus bellen die familieleden op: ‘Hij doet het niet'. Voor je het weet staat die atleet alleen nog maar matatu’s te repareren in plaats van te trainen. We proberen ze ook te begeleiden en te beschermen. Natuurlijk willen ze hun familie helpen als ze veel geld verdienen, maar investeer dat geld nu verstandig, niet in auto’s en vrouwen, maar investeer in land en in huizen, zodat je er later ook nog iets aan hebt. We proberen ook zoveel mogelijk aan nazorg te doen, maar dat is lastig. We begeleiden meer dan duizend atleten. In de loop der jaren zijn dat er tienduizenden. Hoe lang kun je ze volgen? Als ze tien jaar later aan de drank raken, kun je er weinig aan doen. Alcohol is een groot probleem in Afrika. Bavaria en Heineken profiteren terwijl de lokale bevolking verslaafd raakt.”
“Ik wil de sporters en de sport verder helpen. Daarom hebben we nu ook een nieuw project 'Sub2'. Samen met wetenschapper Yannis Pitsiladis willen we de marathontijd binnen tien jaar onder de twee uur brengen. Als we de huidige recordprogressie volgen, duurt het nog zeker dertig jaar. Maar wij zijn ervan overtuigd dat er nog zoveel te verbeteren valt aan scouting, trainingsmethodes en begeleiding dat het veel sneller moet kunnen. Wij kijken niet alleen fysiologisch naar atleten, maar ook genetisch wat zij in hun mars hebben.”
“Atletiek is een sport van tijden, maar daar moeten we ook kritisch naar kijken. Het is moeilijk om onze sport goed te verkopen. Mensen willen niet alleen races zien waar vijftien Afrikanen voorop lopen. Ik snap wel hoe dat komt en ik heb zelf ook aan die ontwikkeling meegewerkt, maar de sport wordt er uiteindelijk niet interessanter van voor het publiek. Ik wil naar marathonteams toe, zoals je dat ook in het wielrennen hebt, zodat mensen zich beter met de sport kunnen identificeren. Het gaat niet om de tijd, maar om wie er als eerste bij de streep is. Het is een race. In Amerika snappen ze dat al en in de marathons van Boston, Chicago en New York zijn bijvoorbeeld ook al geen hazen meer. Nike staat er wel voor open, maar we moeten geldschieters zien te vinden. Ik ben er al een paar keer heel dichtbij geweest, maar steeds ketste het op het laatste moment af.”
“Ook in de baanatletiek kun je nog enorm veel verbeteren. Aan een Diamond League-wedstrijd doen tweehonderd atleten mee. Die worden allemaal met naam aangekondigd. Niemand onthoudt tweehonderd namen. Als ik een avond voetbal heb gekeken wordt de naam van een gemiddelde speler even vaak genoemd als die van een van onze atleten in een heel seizoen. Ik denk dat we in de atletiek veel meer in moeten zetten op een paar echte grote namen, die dan ook de kans krijgen om te beklijven bij het publiek. Er is nog zoveel te verbeteren.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.