28 oktober 2008
Nieuws
1. Onze nationale sportkoepel NOC*NSF heeft haar directeur sport
Marcel Sturkenboom nogal abrupt – althans zo leek het voor de buitenwereld – uit
zijn functie gezet. Wat vond jij daarvan?
“Het verbaasde mij niet.
Het rommelt al heel lang bij NOC*NSF, dat is een publiek geheim. De afgelopen
jaren zijn er niet voor niets zoveel mensen vertrokken. Het is eigenlijk
allemaal begonnen rond de benoeming van Erica Terpstra. Zij ging als voorzitter
fulltime aan de slag bij NOC*NSF. Niet iedereen op het bureau was daar
enthousiast over. Het had intern ook nogal wat consequenties, want er waren al
directeuren die zich met de dagelijkse leiding bezighielden. Bovendien kwam
er naast de algemeen directeur , directeur topsport en de baas van de
breedtesport ook nog een fulltime Chef de Mission voor de Zomerspelen. Voor een
buitenstaander lijkt het dan dat er meerdere kapiteins op hetzelfde schip zijn.
Alle betrokkenen ken ik heel lang. Ik heb dan ook geen behoefte om een
inhoudelijk oordeel te geven over hun onderlinge problemen. Bovendien sta ik er
te ver van af om het goed te kunnen beoordelen. Eigenlijk is het knap dat het zo
lang heeft geduurd voordat de bom barstte. Wat mij wel verrast heeft, is dat het
zo’n ingrijpend gevolg had. Want zo kun je het wel noemen als een directeur in
één klap uit zijn functie wordt ontheven.”
2. Heb je overwogen om Kamervragen te stellen? Deze interne
crisis gaat immers waarschijnlijk veel geld kosten en NOC*NSF leeft deels van de
publieke portemonnee. Bovendien is staatssecretaris Jet Bussemaker ongewild in
het conflict betrokken doordat het personeel een brandbrief naar haar
stuurde.
“Tijdens de behandeling van de sportbegroting in de Tweede
Kamer (maandag 27 oktober 2008 - red.) kom ik er op terug. Gek trouwens
dat het personeel zo’n brief naar Jet Bussemaker stuurde en niet naar de bonden.
Want zij hadden moeten ingrijpen, niet de staatssecretaris. Maar of zij dat
willen of kunnen? In de relatie met NOC*NSF functioneren de bonden niet
autonoom. Er is in zekere zin sprake van een grote afhankelijkheid van de
sportkoepel. In theorie kun je stellen dat bonden het via de Algemene
Ledenvergadering voor het zeggen hebben. NOC*NSF bepaalt echter in de praktijk
in sterke mate hoeveel subsidiegeld de bonden krijgen toebedeeld. Dat doet
NOC*NSF aan de hand van criteria die ze zelf heeft opgesteld en bonden hebben
dat maar te slikken. Als ze er stevig tegenin zouden gaan, lopen ze het gevaar
daar flink op afgerekend te worden. Dat is niet fair. Eigenlijk zijn de bonden
gevangenen van dit systeem.”
3. Je had daar zelf een paar jaar geleden een oplossing voor
bedacht, toen je samen met Jan Rijpstra van de VVD een motie indiende om een
onafhankelijke sportautoriteit op te richten. De motie werd aangenomen, maar
niet uitgevoerd. Wordt het tijd om het oude plan uit de la te
trekken?
“Dat is wat mij betreft absoluut aan de orde! Ik ben er nog
steeds een sterk voorstander van. Destijds was ik verbaasd dat het plan om een
sportautoriteit in het leven te roepen niet uitgevoerd is. Ondanks een brede
steun van de Tweede Kamer; de drie grote fracties waren voor. In die tijd heb ik
aan veel mensen in de sport moeten uitleggen waarom een onafhankelijke
sportautoriteit zo belangrijk is. Hoewel de meesten er aanvankelijk argwanend
tegenover stonden, reageerden ze na mijn uitleg meestal met ‘tja, daar zit wel
wat in’. Ook toenmalig staatssecretaris Clémence Ross zag er voordeel in, maar
zij liep tegen massieve weerstand op vooral van NOC*NSF. De oprichting van de
sportautoriteit zou volgens critici te veel geld gaan kosten en bureaucratie met
zich meebrengen. Dat vind ik geen sterk argument.”
“Ik vind dat alle publieke en semipublieke gelden voor de sport in een budget gestort zouden moeten worden. Maak het allemaal maar transparant. Die pot zou dan vervolgens verdeeld moeten worden door een onafhankelijke sportautoriteit die los staat van het ministerie. De politiek leeft immers met de waan van de dag. Om in aanmerking te komen voor het geld kunnen bonden, provinciale sportraden en andere organisaties projectaanvragen doen. Ja, ook NOC*NSF zou in mijn ogen weer de boer op moeten. Op die manier gaan de sportbonden weer autonomer functioneren. Ze zijn dan zelf in staat om middelen te verwerven en beleid te ontwikkelen. Ik betwijfel of dit nu het geval is. Daar heb ik het oordeel over gevraagd van de Algemene Rekenkamer, naar aanleiding van hun rapport over topsport in Nederland.”
4. Heeft de interne crisis bij NOC*NSF volgens jou gevolgen voor
de uitvoering van het Olympisch Plan 2028? Als de sportinfrastructuur van
Nederland op topniveau moet komen, hebben we toch een goed functionerende
sleutelorganisatie nodig?
“Het is niet te hopen dat de problemen bij
NOC*NSF lang blijven voortduren. Dat kan ik mij overigens ook niet voorstellen.
Het zal toch niet door blijven etteren tot er een nieuwe voorzitter gekozen
wordt? Maar de interne crisis zal op het binnenhalen van de Olympische Spelen
van 2028 geen effect hebben. De echte lobby begint immers pas over enkele jaren.
Nu moeten we vooral de internationale sportwereld laten zien dat we in Nederland
alle mogelijke grote kampioenschappen kunnen organiseren. Zwemmen, wielrennen,
atletiek en voetbal. Daar moeten vooral de bonden voor zorgen, want zij moeten
zoveel mogelijk grote kampioenschappen naar Nederland zien te halen in de
periode tot 2018. De rol van NOC*NSF is in het binnenhalen van de afzonderlijke
kampioenschappen beperkt. Natuurlijk heeft NOC*NSF wél een hele belangrijke rol
richting IOC. De steun van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
en het voltallige kabinet is echter minstens zo belangrijk. Als een land zich
kandidaat stelt voor de organisatie wordt dat vaak als eerste eis genoemd.”
5. Voor hetzelfde geld was jij nu voorzitter van NOC*NSF
geweest, maar je trok je terug als kandidaat. Hoe zat dat ook
alweer?
“Het toenmalige bestuur van NOC*NSF had een
vertrouwenscommissie ingesteld om kandidaten te zoeken voor de opvolging van
Hans Blankert. De commissie droeg twee gegadigden voor: Ruud Vreeman en mij.
Bovendien was bekend dat Erica Terpstra zich met steun van enkele bonden ook zou
kandideren. Die strijd wilde ik best aangaan, maar het bestuur ondersteunde twee
weken na de voordracht alleen de kandidatuur van Ruud Vreeman - die overigens
zelf bestuurslid was. Ik vond dat een rare gang van zaken en voelde mij
misbruikt. Mijn kandidatuur moest ervoor zorgen dat er stemmen van Erica werden
weggetrokken, zodat Ruud Vreeman kon winnen. Dat idee heb ik niet kunnen
loslaten en zodoende heb ik me uit de procedure teruggetrokken en bonden
geadviseerd om op Erica te stemmen. Spijt heb ik daar niet van gehad. Je kunt
misschien commentaar leveren op haar enthousiasme, maar ze is wel een van de
beste ambassadeurs voor de sport. Daarvan moeten bonden en NOC*NSF zich bewust
zijn.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.