Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan joop alberda o m voorzitter nlcoach en technisch directeur volleybalbond

5 vragen aan Joop Alberda, o.m. voorzitter NLcoach en technisch directeur volleybalbond

12 februari 2008

Nieuws

door: Peter Hopstaken | 12 februari 2008

1. Je hebt niet zo heel lang gewerkt voor de Russische voetbalbond. Waarom niet?
“Ik heb er veertien maanden gewerkt. De bedoeling was een jaar langer, ik zou tot en met het EK-voetbal van 2008 blijven. Ik was simpelweg eerder klaar met mijn werk dan van tevoren gedacht. Dat kwam ook doordat de Russen al behoorlijk ver waren met de organisatie rondom het nationale team toen ik er arriveerde. De organisatie van trainingskampen verliep al soepel, organisatorische procedures stonden al goed in de steigers. We hebben vervolgens min of meer gewerkt volgens het format dat Guus Hiddink al eerder in Australië en Zuid-Korea toegepast had, toen hij daar bondscoach was. Dat scheelde natuurlijk ook. We hadden dus al de nodige ervaring om een nieuwe structuur en organisatie op te zetten. Op voorhand hadden we afgesproken dat we na één jaar zouden evalueren om te bezien waar we stonden. De conclusie was dat ik klaar was met mijn werk, dat het weinig meerwaarde zou hebben als ik zou blijven.”

2. Vond je het in Rusland moeilijk om niet zelf ‘eindverantwoordelijk’ te zijn en dus een baas boven je te hebben?
“Nee, daar had ik geen enkele moeite mee. Ik heb het ook eerder meegemaakt, toen ik nog assistent-volleybalcoach was. En als technisch directeur van NOC*NSF werkte ik vooral faciliterend, en had ik ook met mensen ‘boven mij’ te maken. Ik heb in Rusland een prima tijd gehad, ik heb veel geleerd. Van de Russische sport in het algemeen, en van de Russische mentaliteit en de werkwijze van Guus in het bijzonder. Ik vond het enorm interessant om te zien hoe hij in staat is om een team te kneden, hoe hij de mentaliteit van de spelers verbetert, om te zien hoe de spelers zichtbaar beter worden. Feitelijk heb ik hetzelfde gedaan als Ton Boot nu tijdens zijn sabbatical doet: een kijkje in de keuken nemen van een andere tak van sport. Met dit verschil dat ik ervoor betaald werd. Dat is toch mooi. Als student heb ik ooit een afstudeerproject over de sport in Rusland uitgevoerd. Fascinerend ook om nu zelf te ervaren waar ik mij destijds op afstand in verdiept heb.”

3. Hoe staat de sport in Nederland er volgens jou momenteel voor?
“Goed. In de samenleving neemt sport een steeds belangrijker plaats in. Topprestaties worden meer gewaardeerd, er is steeds meer oog en aandacht voor talenten. Ook de lokale overheden hebben de sport meer omarmd. Denk aan Eindhoven, aan Rotterdam. Er zijn daar - maar ook elders - talentencentra gekomen met een regiofunctie, er zijn centrale accommodaties voor de verschillende nationale teams gerealiseerd. Gemeenten besteden meer geld aan sport, in het kader van citymarketing en ten behoeve van een gezonde leefomgeving. En ook de centrale overheid erkent de sport nu eindelijk. Dat was een langdurig proces, en sport wordt door de overheid vooral nog als middel gezien om maatschappelijke problemen op te lossen, maar toch. Het grappige is dat we dat twintig jaar geleden steeds geroepen hebben. Daarmee wilden we sport op de agenda van de overheid krijgen. Dat sport goed was voor de gezondheid, voor de integratie van minderheden, voor de vorming van sterke karakters, enzovoorts. En nu hebben we er moeite mee dat de rol van sport vooral als vehikel wordt erkend. We zien liever dat sport ‘op zich’ als waardevol wordt beschouwd. Dat moet dan maar de volgende stap zijn. Dan zou sport als het ware in de genen van de overheid zitten, en hoeven er niet steeds nieuwe aanleidingen en projecten worden bedacht om de sport te steunen. En tot slot moet ik NOC*NSF een groot compliment geven, voor de wijze waarop ze het Olympisch Plan 2028 ontwikkeld heeft. De Olympische Spelen in Nederland is een stip aan de horizon geworden, een prachtig perspectief in het kader waarvan de sportinfrastructuur op alle fronten een enorme ‘boost’ zal krijgen.”

4. Is een mondiale Top 10-klassering voor Nederland volgens jou reëel?
“Absoluut. In de kern hebben we alles mee. We hebben de infrastructuur, er wonen hier lange en sterke mensen die gewend zijn om samen te werken, de coaches vinden het normaal om van elkaar te leren, we zijn gewend om creatief om te gaan met de beperking van een kleine populatie. Kortom, we hebben de noodzakelijke middelen in handen. Wel denk ik dat we hier en daar nog andere accenten moeten leggen. We moeten bijvoorbeeld echte specialisten gaan toevoegen aan de teams die werken met de toppers van 12 tot 15 jaar, 15 tot 18 jaar, 18 tot 21 jaar. Een goede selectie aan de voorkant is een harde voorwaarde voor prestaties. We schreven in de Topsportnota van 1997 al dat topsport betekent dat je keuzes moet maken. En met keuzes maken hebben we het nog steeds een beetje moeilijk. Als we ons iets meer toeleggen op de ontwikkeling van de grootste talenten, dan denk ik dat we dertig à veertig Olympische medailles kunnen winnen. Dan heb ik het niet over gouden medailles, daar doe ik geen uitspraak over. De verschillen tussen brons, zilver en goud zijn zo klein. De wilscomponent is de grootste bottleneck voor succes! Vroeger konden we ons niet voorstellen dat we medailles zouden kunnen winnen met turnen. Of op de schaatssprint, dat zou voor ons niet weggelegd zijn. Of in het volleybal. Nou, als we in het volleybal een Olympische medaille kunnen winnen, kan dat in het basketbal ook, en in het handbal.”

5. Je bent nu onder meer technisch directeur van de volleybalbond. Jeuken je handen niet om het nationale heren- of damesteam zelf onder je hoede te nemen?
“Het zou voor mij natuurlijk heel verleidelijk zijn geweest om zaken in het laatste deel van het traject iets anders aan te pakken dan nu gebeurd is. Aan de andere kant wekt deze vraag de suggestie dat ik het béter gedaan zou hebben dan de huidige coaches. En dat is denk ik niet zo. De mannen van Peter Blangé hebben volgens mij het maximale eruit gehaald van wat erin zat. En de dames zijn heel lang heel goed bezig geweest, maar ze zijn helaas in twee dagen van hun troon gevallen. Het is twijfelachtig of ik dat had kunnen voorkomen. Bovendien, volleybalcoach zal ik niet meer worden, dat is een afgesloten hoofdstuk. Ik ben ouder geworden, ik heb een ander taalgebruik dan de spelers van nu, ik sta anders in de wereld dan zij doen. En dan zou ik net als vroeger elke dag met zestien tassen vol natte spullen naar huis moeten gaan. En daarnaast nog met volle tassen van de mensen rondom het team. Die geestelijke ballast wil ik niet meer dragen. Ik heb wel eens geroepen dat de spelers op het veld later op de bank terecht moeten komen. En dat de mensen op de bank later het decor moeten worden. In die fase zit ik nu, ik vorm het decor. En dat vind ik prima. Maar ik zit natuurlijk niet stil. Straks word ik 56 jaar… over tien jaar ben ik al 66! Maar dan werk ik nog steeds hoor, pensioen bestaat voor mij niet.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.