9 juni 2009
Nieuws
1. U laat het sportbeleid uitgebreid monitoren en evalueren door
het W.J.H. Mulier Instituut. Welke reden had u daarvoor?
“Toen ik
aantrad als staatssecretaris waren de beleidsnota ‘Tijd voor Sport’ en
uitvoeringsnota ‘Samen voor Sport’ al verschenen. Daarmee waren al heel veel
nieuwe projecten in gang gezet. Denk bijvoorbeeld aan de BOS-impuls voor Buurt,
Onderwijs en Sport, de start van de Alliantie School & Sport, en de start
van het programma dat gericht is op de integratie van allochtone jeugd bij
vijfhonderd sportverenigingen en sportscholen. Daarnaast bleek er destijds in
het coalitieakkoord ruimte voor extra geld voor de sport: vanaf 2008 tien
miljoen euro extra en vanaf 2009 jaarlijks twintig miljoen euro erbij. Op geen
enkel ander beleidsterrein is het budget percentueel zo sterk gestegen. Met dat
geld zijn naast de uitvoering van de lopende projecten veel nieuwe plannen
ontwikkeld – zie mijn beleidsbrief ‘De kracht van sport’ van eind 2007 - zoals
talentontwikkeling, stimulering van gehandicaptensport, het Nationaal Actieplan
Sport en Bewegen en meer aandacht voor sportiviteit en respect. Het lijkt mij
doodnormaal om na te gaan of alle middelen wel effectief zijn ingezet. We zouden
moeten willen weten welke maatregelen wel werken en welke niet. Vandaar dat ik
besloten heb tot een tussenevaluatie eind 2008 en een eindevaluatie eind
2010.”
2. Volgens de tussenevaluatie van eind 2008 is er (nog) geen
‘echte doorbraak’ tot stand gekomen ten aanzien van grote ambitieuze thema’s
zoals de invoering van vakleerkrachten in het basisonderwijs, de herintroductie
van bewegingsonderwijs in het MBO, de instelling van een fonds voor gym- en
sportaccommodaties. Hadden deze thema’s tot nu toe geen
prioriteit?
“Het duurt altijd een poosje voor een nieuwe regeling
goed werkt. Mede omdat vaak eerst overleg moet worden gevoerd met vele partijen
zoals gemeenten, scholen, bonden en andere organisaties. De invoering van de
vakleerkracht is bijvoorbeeld de primaire verantwoordelijkheid van het
ministerie van OCW. En dan moet het uiteindelijk nόg bij scholen gebeuren. Er is
in ieder geval wel budget beschikbaar, bijvoorbeeld voor de invoering van
gymnastiekonderwijs in het MBO. Er zijn ook genoeg scholen die iets willen hoor.
Het fonds voor gym- en sportaccommodaties voor scholen van OCW is bijvoorbeeld
een paar keer overtekend. We stimuleren waar we kunnen en het belangrijk vinden,
maar er zijn dus factoren die buiten onze macht liggen.”
“Waar we ondertussen ook onze best voor doen is om sport onderdeel te laten uitmaken van de Wet maatschappelijke ondersteuning, kortweg de Wmo. Daartoe zijn we de mogelijkheden serieus aan het verkennen. Er zijn goede redenen voor om sport toe te laten tot de Wmo, omdat sport de sociale samenhang stimuleert, veel vrijwilligerswerk te bieden heeft en preventief een gunstig effect heeft op de volksgezondheid. Als sport inderdaad een vaste plek krijgt in de Wmo zal het gemeentelijk sportbeleid een wettelijk kader hebben. Dat zou voor de sport een nieuwe stap vooruit betekenen.”
3. Er wordt sinds jaar en dag veel gediscussieerd over
dopingcontrole en de grenzen van privacy die daarbij worden overschreden. Wat is
uw mening hierover?
“Om te beginnen: dopingcontrole is gewoon nodig.
En je moet het nu eenmaal in internationaal verband regelen. Maar ik heb mij
bijvoorbeeld wel eens hardop verbaasd over het feit dat cannabis op de
dopinglijst staat. Volgens mij word je er alleen maar duf van. Maar goed, we
moeten ook rekening houden met de standpunten van bijvoorbeeld de Verenigde
Staten. Daar moeten we mee leven. Dat betekent niet dat je het de sporters
lastiger moet maken dan strikt noodzakelijk is. Ik ben voorstander van het
bekende motto: ‘leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker’. Daar heb ik
ook voor gepleit tijdens het overleg met de Europese ministers van sport. Ik
denk aan het voorbeeld van atleten die vorig jaar verplicht waren om per fax
veranderingen in hun ‘whereabouts’ door te geven. Terwijl de hele wereld sms’t
en e-mailt. Ook vraag ik mij af of het dopingcontrolesysteem wel proportioneel
is. Is het bijvoorbeeld niet voldoende om iemand hoogstens één maal per
vierentwintig uur te controleren? En moeten echt álle sporters gecontroleerd
worden of kunnen we risicogroepen onderscheiden?”
4. Hoe denkt u in tijden van economische recessie steun van de
doorsnee burger te kunnen krijgen voor het Olympisch Plan? Zijn burgers niet
veel meer geïnteresseerd in het behoud van hun baan, in de kosten van de zorg,
in de prijzen in de supermarkt?
“Conform de olympische gedachte
investeren we met het Olympisch Plan niet alleen in de sport maar meer in het
algemeen in de mogelijkheid om uit te blinken op alle niveaus. De kosten van het
plan zijn nu trouwens nog helemaal niet aan de orde. Bovendien hebben de laatste
edities van de Olympische Spelen per saldo allemaal baten opgeleverd. Je ziet
ook dat landen en steden meer dan eens aan een bid meedoen, nadat ze een keer
hebben verloren. Ze weten wat het kan opleveren in zowel maatschappelijk als
economisch opzicht. Waar iedereen volgens mij overtuigd van is: je kunt de
Olympische Spelen pas binnenhalen als je in Nederland een optimaal sportklimaat
hebt gecreëerd in 2016.”
“Dat zou bijvoorbeeld betekenen dat bijna iedereen het belang van sport onderkent en zelf ook actief is. Dus het gaat zeker niet alleen over topsporters en hun prestaties. Zo kan het huidige Nationaal Actieplan Sport en Bewegen van grote betekenis zijn om van Nederland een sterke sportnatie in de volle breedte te maken. Van belang is nu ook dat alle relevante beleidsterreinen de handen ineen slaan en dat het enthousiasme dat de sportwereld zo vaak kenmerkt als een katalysator gaat werken.”
“We zijn zoals je weet ook heel hard bezig om het WK voetbal naar Nederland te krijgen. Momenteel geven we de uitwerking van het bid vorm. We hebben daarbij de steun van onze collega’s van Economische Zaken. Zij zijn erg enthousiast over de plannen. Zij zien veel mogelijkheden om met het WK voetbal in eigen land het merk ‘Holland’ sterker te maken, de economie een impuls te geven en ons gevoel van saamhorigheid en trots te versterken. We gaan er met zijn allen voor. En ik heb er alle vertrouwen in dat de meerheid van onze bevolking net zo enthousiast wordt over al onze grote plannen.”
5. Wat hoopt u in ieder geval bereikt te hebben als uw
ambtsperiode erop zit? Staat u eigenlijk open voor een eventuele tweede termijn
als staatssecretaris sport?
“Ik hoop dat we de aantallen
combinatiefuncties gaan halen die we ons als doel hebben gesteld: in 2012 moeten
er in totaal 2500 fte’s zijn gerealiseerd, waarvan de helft in de sportsector.
Ik weet dat we achterlopen, maar ik vertrouw er ook op dat we de achterstand
gaan inhalen. Daarnaast zijn we in samenwerking met NOC*NSF bezig om 50.000
scheidsrechters op te leiden. Dat plan heeft echter een nog grotere reikwijdte.
De bedoeling ervan is ook dat de verdraagzaamheid toeneemt en het geweld op en
rond de sportvelden afneemt. Verder hoop ik dat we aan het eind van mijn
ambtsperiode een stuk verder zijn met het Olympisch Plan 2028. In het kader
daarvan moet tegen die tijd een evenementenkalender ontwikkeld te zijn. Daar
zijn we momenteel druk mee bezig. En tot slot hoop ik een belofte in te kunnen
willigen die ik deed kort na mijn aantreden uitsprak, namelijk dat er in 2011
twintig procent meer sporttalenten wordt afgeleverd dan in 2007.”
“Vooralsnog ben ik alleen met deze kabinetsperiode bezig. Over de toekomst heb ik nog niet nagedacht. Wat mij als staatssecretaris sport in ieder geval vanaf het begin positief is opgevallen, is de enorme kracht die sport kan ontwikkelen om op een vanzelfsprekend luchtige manier zaken voor elkaar te krijgen op andere beleidsterreinen. En ik stond versteld van de kracht die sport op lokaal niveau blijkt te hebben. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de Cruyff Courts waar zoveel jongeren gebruik van maken. Bijvoorbeeld in de Schilderswijk in Den Haag, maar ik heb dat laatst ook gezien in de townships in Zuid-Afrika waar Frank Rijkaard training gaf aan een groep voetbalsters daar. Je ziet de sterretjes in de ogen van die kleine meisjes letterlijk oplichten als ze door zo’n grootheid als Frank Rijkaard worden aangesproken. Een soortgelijk project bezocht ik ook in Kaapstad met de in dit verband raak gekozen naam ‘Stars in their eyes’. Al met al vind ik sport een hele leuke portefeuille. Maar of ik staatssecretaris blijf hangt van zo veel factoren af – waaronder de uitslag van de verkiezingen – die mijn eigen ambities ver te buiten gaan.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.