17 oktober 2017
Nieuws
Jeroen Bijl werkt al een leven lang in de sport. Hij speelde topvolleybal bij Piet Zoomers Dynamo en Oranje, was algemeen directeur van FC Zwolle, coach van datzelfde Dynamo en de afgelopen twaalf jaar was hij manager topsport bij NOC*NSF. Tijdens de Olympische Winterspelen van Pyeonchang is Bijl chef de mission van de Nederlandse equipe. Dat wordt zijn laatste kunstje bij NOC*NSF, want daarna gaat hij iets anders doen. Sport Knowhow XL spreekt met Bijl over zijn lange carrière in de sport en we kijken vooruit op Pyeongchang.
door: Leo Aquina | 17 oktober 2017
1. Je werkt heel lang in de sport. Waar komt die passie vandaan en waar heeft je dat allemaal gebracht?
“Ik heb het wel met de paplepel ingegoten gekregen. Mijn vader was sportleraar op de politieschool in Apeldoorn. Ik heb als kind veel sporten gedaan: voetbal, volleybal, tennis, ik heb zelfs geschaakt. Het was sport wat thuis de klok sloeg en ik ging de sportacademie doen. Ik wilde gymleraar worden en dat heb ik ook een tijd gedaan, in combinatie met het volleybal. Daarna ben ik bestuurskunde gaan studeren ook nog altijd naast het volleybal in de eredivisie. Er was genoeg ruimte om er andere dingen naast te doen en ik wilde mezelf ontwikkelen. Ik heb topsport altijd gecombineerd met ander werk of studie. Dat kan echt en gelukkig zien ook steeds meer sporters het belang daarvan.”
“Ik studeerde af bij de voetbalbestuurder Gaston Sporre en die vroeg me om bij hem te komen werken. PEC Zwolle was toen net failliet. Er kwam een doorstart met FC Zwolle, waarvan Sporre voorzitter was. Hij vroeg mij als manager. In die periode speelde ik ook voor het Nederlands team. Ik was al vrij oud toen ik bij Oranje terecht kwam. Toen ik bij Zwolle ging werken, heb ik in eerste instantie de keus gemaakt om niet met Oranje verder te gaan. Ik was de tweede spelverdeler, ik was al wat ouder en ik zou toch niet meer naar Italië gaan om veel geld te verdienen."
"Maar in 1995 vroeg Joop Alberda mij terug bij Oranje. Zwolle was loyaal en stelde mij via een detacheringscontract in staat om in de zomer bij Oranje te spelen. Uiteindelijk werkte dat toch niet. Joop en ik besloten samen om niet verder te gaan. Toen ik de finale in Atlanta op televisie zag dacht ik bij mezelf wel: daar had ik bij kunnen zijn. Ik had niet gespeeld, want Peter Blangé was de onbetwiste eerste keus, maar toch… Dat is best lang een gevoelig onderwerp geweest, maar inmiddels ben ik er wel overheen hoor.”
“Ik heb uiteindelijk tien jaar bij FC Zwolle gewerkt. We zijn er vanuit een heel kleine organisatie in geslaagd een club neer te zetten die klaar was voor de eredivisie. Daar ben ik wel trots op. Voor mij was het natuurlijk een prachtige kans om als 27-jarige zoiets op te mogen bouwen. Toen ik begon, hadden we een oud stadion met allemaal staanplaatsen en we stonden veertiende in de eerste divisie. Toen ik wegging, speelden we eredivisie en lagen de plannen voor een nieuw stadion klaar.”
“Na Zwolle werd ik coach bij Dynamo. Daar had ik ook ideeën over en ambities in. Na tien jaar is het niet verkeerd om weer eens wat anders te gaan doen en ik kreeg de kans bij de beste club van Nederland. Het eerste jaar viel tegen. De staf en het team waren grotendeels hetzelfde gebleven en ik was nieuw. Ik vond het werk eentonig, elke dag naar die zaal, elke week analyses van de tegenstander. Wat ik wel leuk vond, was de directe spanning op zaterdag."
"Mijn tweede jaar bij Dynamo was anders. Ik werkte met een nieuw team en een nieuwe staf. We haalden de finale, die we weliswaar verloren maar toch, het was allemaal veel leuker. Op dat moment kreeg ik een telefoontje van Marcel Sturkenboom: of ik als manager topsport aan de slag wilde bij NOC*NSF. Eigenlijk kwam dat te vroeg, maar ik had altijd al in mijn achterhoofd gehouden dat ik ooit weer verder wilde in het sportmanagement en zo’n kans komt niet iedere dag voorbij.”
2. Jij bent een schoolvoorbeeld van de Johan Cruijff-filosofie: oud-sporters aan de bestuurstafel. Hoe belangrijk is dat?
“Het is zeker handig. Voor mij als bestuurder is het altijd een groot voordeel geweest dat ik de geur van de kleedkamer kende, en de emoties die daarbij horen. Hoe stel je je op ten opzichte van de sporters? Ik zal bijvoorbeeld nooit in de kleedkamer komen, dat is een heilige plek voor de sporters en de coaches. Voor mensen die daar minder voeling mee hebben, is de romantiek van de topsport vaak erg aantrekkelijk. Die gaan er te dicht bovenop zitten.”
“Ik vind overigens niet dat iedere topsporter zomaar even bestuurder kan worden. Daar zijn echt andere competenties voor nodig. Je hebt als topsporter natuurlijk een aantal competenties - discipline, resultaatgerichtheid, zelfredzaamheid - maar veel andere mensen hebben ook die competenties en die zijn niet allemaal topsporter geweest. Vaak wordt een topsportcarrière gezien als een excuus om niet aan de slag te hoeven gaan met andere vaardigheden. Zo van: hij heeft zijn studie niet afgemaakt, maar hij heeft andere competenties. Ik vind het geweldig als werkgevers topsporters die hun opleiding niet hebben afgemaakt een kans geven, maar ze mogen wel degelijk ook andere eisen stellen. De (ex-)topsporter moet zich ook op andere vlakken ontwikkelen.”
“Zelf heb ik altijd genoeg ruimte gehad om andere dingen naast de topsport te doen. Natuurlijk was het een andere tijd, maar ook wij trainden dagelijks. Tegenwoordig wordt er veel meer van topsporters geëist, maar dat wil niet zeggen dat er geen ruimte is voor iets anders. Op dat gebied zijn er tegenwoordig ook veel meer mogelijkheden, met bijvoorbeeld de Centra voor Topsport en Onderwijs. Het is voor topsporters goed om zich buiten de sport te blijven ontwikkelen. Als je ernaast studeert of werkt, krijg je een bredere blik dan alleen die kleine topsportwereld waarin alles goed geregeld is. Je ziet bijvoorbeeld hoe hard mensen moeten werken voor een gemiddeld salaris en hoe moeilijk het voor sommige mensen is om een baan te krijgen.”
3. Inmiddels ben je alweer twaalf jaar werkzaam bij NOC*NSF en na de Olympische Winterspelen komend jaar in Pyeongchang neem je afscheid. Waarom kwam het telefoontje van NOC*NSF destijds te eigenlijk vroeg en hoe heb je in de afgelopen jaren invulling gegeven aan de functie van manager topsport?
“Toen Sturkenboom mij belde, had ik net mijn draai gevonden als coach. Ik had eigenlijk ook altijd de ambitie gehad om bondscoach te worden. Uiteindelijk woog mijn ambitie om terug te keren in het sportmanagement zwaarder. Coachen was toch een beetje eentonig. Bij FC Zwolle had ik een breed takenpakker. Enerzijds was ik op gepaste afstand betrokken bij het voetbal zelf en anderzijds was ik bezig met de positie en de organisatie van de club, het binnenhalen van grote bedrijven als sponsor. Als volleybalcoach had ik te maken met twaalf spelers en dat was het, een veel kleinere wereld.”
“Bij NOC*NSF hadden we binnen topsport een tweehoofdige leiding. Aan de ene kant had je het sporttechnische gedeelte, en mijn functie besloeg meer de beleidsmatige, organisatorische en financiële kant. In de tijd dat ik met Charles van Commenée werkte, was die scheiding duidelijker. Nu met Maurits Hendriks is dat meer naar elkaar toegegroeid. NOC*NSF heeft nu ook besloten om het in één functie onder te brengen.”
“Over het hoe en waarom van mijn vertrek is al genoeg gezegd en geschreven, daar wil ik verder niet uitgebreid op ingaan. Dat is klaar. Wat ik hierna ga doen? Ik ben me rustig aan het oriënteren. Ik word regelmatig benaderd voor functies en voer her en der wel gesprekken, maar de focus ligt op PyeongChang. De kans is groot dat ik in de sport blijf, maar ik kijk ook wel buiten de sport.”
4. Komende maanden ben je druk met de voorbereidingen voor Pyeongchang, waar je chef de mission bent van de Nederlandse ploeg. Je bent ook al chef de mission geweest bij de Europese Spelen in Baku. Wat houdt die rol precies in en wat zijn verschillen met Baku?
“Als leiding van de ploeg ben je het gezicht naar de buitenwereld toe, maar mijn belangrijkste taak is zorgen dat de randzaken allemaal in orde zijn. Een sporter is druk met prestaties, die moet niet hoeven nadenken over het organiseren van de basisbehoeftes zoals eten, een hotelaccommodatie en vervoer. En dan zijn er natuurlijk nog andere zaken die je als chef de mission goed moet organiseren: media bijvoorbeeld. Hoe alles is georganiseerd verschilt per sport, maar uiteindelijk komt het erop neer dat ik er met mijn mensen voor moet zorgen dat de sporters zich alleen maar met hun sport bezig hoeven te houden.”
“In Korea hebben we een redelijk beeld van wat we kunnen verwachten. Vier jaar geleden in Sotsji was dat anders. Uiteindelijk bleek het daar allemaal heel goed georganiseerd. Er was een olympische bubbel waarbinnen alles geregeld was. Wat betreft vervoer en accreditaties is het nog nooit zo makkelijk geweest. In Korea verwacht ik dat het organisatorisch zeker van hetzelfde niveau zal zijn. Een verschil is dat Russen wat moeilijk op andere gedachten te brengen zijn als ze eenmaal hebben bedacht dat iets op een bepaalde manier moet. Koreanen zijn meer bereid te luisteren.”
“Hoe goed het ook georganiseerd is, er zijn altijd nog onverwachte zaken die je ter plekke moet regelen. Een praktijkvoorbeeld uit Sotsji: toen wij daar aankwamen bleek dat je geen levensmiddelen mocht meenemen in het olympisch dorp. Dat kan natuurlijk niet. Sporters hebben allemaal specifieke voedingspatronen en ze willen hun eigen dingen meenemen. Wij zijn er onmiddellijk tegen in het geweer gekomen, samen met andere landen. Nederlanders zijn er altijd goed in om dingen collectief te regelen. Op zo’n moment heb je mensen nodig die al een tijdje meelopen. Je moet weten waar je naartoe moet om dingen te kunnen regelen, en je hebt een netwerk nodig. Na alle voorgaande toernooien ken ik alle mensen bij het IOC en de andere landen wel zo’n beetje.”
“Baku was op een aantal punten vergelijkbaar met de Olympische Spelen. Het belang van de Europese Spelen was natuurlijk kleiner en dat maakt ook een groot verschil in de media-aandacht, maar organisatorisch kwam het op hetzelfde neer. Ook daar moesten de randzaken in orde zijn, ook daar moesten we mensen verplaatsen, ook daar was een olympisch dorp en had je te maken met accreditaties. Voor sporters was het toch ook een ander toernooi dan een regulier EK of WK. Eén evenement met al die verschillende sporten, dat is nu eenmaal speciaal. We hadden daar net als op de Olympische Spelen gezamenlijke medaillevieringen in het dorp. Al die verschillende sporters worden één team en je hoort van de sporters vaak dat ze juist dat zo leuk vinden.”
5. Hoe liggen de olympische accommodaties in Pyeongchang er op dit moment bij en in hoeverre maak jij je zorgen om de veiligheid op het Koreaanse schiereiland met alle retoriek van Amerikaanse en Noord-Koreaanse zijde?
“Het ligt er prachtig bij. Misschien ben ik wel een beetje te positief, maar het is echt niet normaal. Als je naar het ijsstadion rijdt, is alles al helemaal klaar: het olympisch dorp, de kamers zijn al klaar op afwerkingsniveau. Alles wat met stenen te maken heeft, is af. Er zijn nog wat kleine dingen in de operatie, als het bijvoorbeeld gaat om vervoer van Seoul naar Pyeongchang, maar dat wordt allemaal nog wel opgelost.”
“Als chef de mission ga ik de zaken niet echt anders aanpakken dan op voorgaande Spelen. Een groot verschil is wel dat we besloten hebben de regel los te laten dat atleten niet naar de openingsceremonie mogen als zij binnen 48 uur in actie komen. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de sporter en die is tegenwoordig volwassen genoeg om zelf een goede beslissing te nemen.”
“Wat betreft de veiligheid staan we voortdurend in contact met Buitenlandse Zaken en de gekoppelde diensten die ons gemiddeld eens in de twee weken informeren. Tot nu toe is er geen reden tot zorg en als er iets verandert in de veiligheidsanalyse brengen de diensten ons direct op de hoogte. Wij houden altijd de vinger aan de pols, dat hebben we in Sotsji en in Rio ook gedaan, al was de problematiek daar anders.”
“Ik krijg wel vragen over de veiligheid van sporters. Niet omdat ze niet willen gaan, maar gewoon informatief. Bijvoorbeeld of het verstandig is om nu al tickets te boeken voor ouders. Ik probeer daar rustig op te antwoorden, met de informatie die we nu hebben. Ik ben natuurlijk ook in Korea geweest en daar merk je helemaal niets van de consternatie. Ik heb de mensen er steeds om gevraagd en het antwoord is eensluidend: dit is al jaren hetzelfde, we zijn eraan gewend dat Nood-Korea provoceert. Voor mij gaat het erom dat we de veiligheid van de sporters kunnen garanderen, daar ligt de grens. Afgaande op de informatie van dit moment is er geen reden tot grote zorg.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.