Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan jan rijpstra voorzitter van de kvlo en bezig met een proefschrift

5 vragen aan Jan Rijpstra, voorzitter van de KVLO en bezig met een proefschrift

8 maart 2011

Nieuws

door: Babette Dessing | 8 maart 2011

1. U bent met een grote groep vertegenwoordigers van de Nederlandse sportwereld, het bedrijfsleven en het onderwijs onlangs op een tiendaagse studiereis in Brazilië geweest om te bestuderen hoe ze daar de Spelen hebben binnengehaald. Dat heeft een rapport met conclusies opgeleverd met als opvallendste aanbeveling dat de huidige strategie (Nederland in 2016 op olympisch niveau krijgen en pas dat jaar besluiten of er een bid moet worden uitgebracht) moet worden losgelaten. Wat was de belangrijkste reden daarvoor?
“In de huidige aanpak zijn verschillende ambities opgesteld en is er een tussenstap gecreëerd in 2016. Pas dan wordt gekeken of Nederland klaar is voor de organisatie van de Olympische Spelen. De studiegroep die een kijkje heeft genomen in Brazilië meent dat we nú al vol voor de Spelen moeten gaan en dat dat moment niet moet worden uitgesteld naar 2016. De boodschap met de ambities is simpelweg te diffuus en versnippert de doelstelling dat we de Spelen naar Nederland willen halen. Bovendien zijn er ontzettend veel partijen in Nederland die zich bezighouden met het Olympisch Plan 2028. Het gevaar is daarom dat er geen besluiten worden genomen. Zo is het van groot belang dat de Nederlandse sportinfrastructuur anders wordt georganiseerd. En daar moet je liever vandaag dan morgen mee beginnen.”

“Volgens mij is het nú het moment om de Nederlandse sportinfrastructuur een enorme impuls te geven onder de noemer van het Olympisch Vuur. De huidige opzet van een Council met Alliantie-partners is op zich een logische gedachte geweest maar de betrokken partijen zijn belanghebbenden. Daar is op zich niets mis mee, maar het kan de besluitvorming enorm remmen. In mijn ogen zou het gehele Nederlandse sportbeleid samen moeten komen in Olympisch Vuur ‘nieuwe stijl’.  Dat orgaan zou een écht onafhankelijke entiteit moeten worden die verantwoording aflegt aan een andere noviteit, de ‘Nederlandse Sport Council’. Deze Council zou in het leven moeten worden geroepen om het sportbeleid in Nederland - zowel georganiseerd als ongeorganiseerd - vorm en inhoud te geven met het Olympisch Vuur als transferpunt. Dat laat onverlet dat de uitvoering door NOC*NSF, NISB, provincies, VNG/VSG, KVLO en andere organisaties kan plaatsvinden maar ze moeten daarbij wel samenwerken. Beleid vanuit de rijksoverheid kan via de Council worden geïmplementeerd en deze raad kan op haar beurt de overheid verzoeken bepaald beleid te ontwikkelen.”

“De vraag is natuurlijk wie in de Council zitting moeten hebben. Om te voorkomen dat het een belangenclub gaat worden, mogen leden van de Council in mijn ogen niet ??k bestuurslid, directeur enzovoorts zijn van een organisatie die met het sportbeleid te maken heeft. Om het sportbeleid breder te bespreken zou er verder een ‘Sportparlement’ moeten worden opgericht, waaraan de aangesloten organisaties - dus ook het bedrijfsleven en overheden - afgevaardigden mogen sturen. Dit Sportparlement komt jaarlijks drie dagen bijeen, spreekt over relevante sportthema's  en kan via resoluties de Nederlandse Sport Council van informatie voorzien. Om dit zo te realiseren, is verankering van het sportbeleid in een Sportwet naar mijn mening noodzakelijk.” 

2. NOC*NSF-voorzitter André Bolhuis heeft in een reactie laten weten dat hij wil vasthouden aan de huidige koers. Dat betekent dat de neuzen in Nederland tegengestelde kanten opstaan. Wat voor invloed heeft dit volgens u op het volledige traject?
“Ik kan zijn reactie deels begrijpen, maar het is altijd goed om nieuwe kennis te bestuderen. Het zou zonde zijn als met ons rapport niets wordt gedaan. Als dit betekent dat er alleen maar over en weer wordt gewezen en wordt gesproken over wie waar leiding moet geven, dan heb ik er een hard hoofd in. Het is volgens mij écht van belang dat het Olympisch Vuur een onafhankelijke sportcouncil wordt, zodat lange termijn plannen gerealiseerd kunnen worden. Het moet voor iedereen helder zijn waarom Nederland de Olympische en Paralympische Spelen wil organiseren, wat de Spelen voor Nederland kunnen betekenen en wat de toegevoegde waarde van het organiseren van de Spelen in Nederland is.”

“Brazilië heeft dat erg goed gedaan. Zij hebben een scherpe en strakke strategie ontworpen die ze geheel hebben opgevolgd. Zie het als een minutieus draaiboek of als filmscript. De Brazilianen hebben niets aan het toeval overgelaten en wisten precies wie ze moesten spreken om de Spelen binnen te halen. Zo hebben ze als argument gebruikt dat de Olympische Spelen nog nooit in Zuid-Amerika zijn georganiseerd en dat de organisatie van de Spelen van grote betekenis zal zijn voor de transformatie van Brazilië naar één van ’s werelds nieuwe economische grootmachten. Nederland kan in dat opzicht nog veel van Brazilië leren. Het belangrijkst vind ik de les dat we er gewoon voor moeten gaan en dat we nu moeten kiezen of we de Spelen willen organiseren. Vervolgens moet het sportbeleid voor een langere periode worden vormgegeven en moet in de communicatie met de rest van de wereld duidelijk zijn wat de organisatie van de Spelen in Nederland onderscheidend maakt.”

3. Sinds negen maanden bent u voorzitter van de KVLO. Wat wordt het belangrijkste speerpunt van de KVLO in de komende periode?
“Samen met de nieuwe directeur Cees Klaassen ben ik begonnen met een verkenningsfase. We willen vaststellen hoe de toekomst van het lichamelijk onderwijs eruitziet en waar de KVLO in dat proces staat. Daarom zijn we in de afgelopen maanden bezig met verkenningsgesprekken en -sessies met kaderleden waarin wordt gebrainstormd over de positie van de KVLO, wat er veranderd moet worden en waar we naar toe willen. Aan de hand van deze sessies vormen we een beleidsplan dat eind dit jaar wordt gepresenteerd. Net op tijd dus voor het 150-jarig jubileum van de KVLO dat in 2012 van start gaat.”

“De komende periode zetten we in ieder geval in op kwaliteit. Als enige vakorganisatie heeft de KVLO een beroepsprofiel en dat zorgt ervoor dat opgeleide leraren lichamelijke opvoeding aan gestelde kwaliteitscriteria voldoen. Daarnaast willen we dat lichamelijke opvoeding naast taal en rekenen een kernvak in het onderwijs wordt. Bewegingonderwijs op de basisschool vormt de basis voor een leven lang bewegen. Het ontwikkelt de motoriek van kinderen en komt het leren ten goede. Als kinderen onvoldoende bewegen zal dit de samenleving alleen maar geld kosten. Het is daarom belangrijk dat de overheid structureel investeert in het bewegingsonderwijs en dat lichamelijke opvoeding op de kwaliteitsagenda van OCW wordt gezet.”

4. VWS-minister Edith Schippers komt in het voorjaar met een beleidsbrief sport. Wat mag daarin absoluut niet ontbreken?
“Als voormalig politicus vind ik dat er een doorkijk in moet staan over de sportinfrastructuur voor de komende twintig jaar. Uiteraard kan dat niet in een maand onderzocht worden, maar er moet in de beleidsbrief wel een voorzet staan waar we de komende jaren heen willen. Daarnaast is het van belang dat de overheid achter het Olympisch Plan staat. Er moeten feitelijke ontwikkelingen instaan en er moet duidelijk worden gemaakt waarom de overheid het OP 2028 steunt. Verder vind ik dat er vaart moet worden gemaakt met de Loterijgelden voor de sportsector. En tot slot moet er uiteraard een notie instaan over lichamelijke opvoeding als kernvak in het onderwijs. Maar misschien is het voor de minister verstandig om wat meer tijd te nemen voor het opstellen van de beleidsbrief. Er komt immers ook een beleidsevaluatie sport aan in mei en eigenlijk moet deze als uitgangspunt worden genomen voor nieuw beleid.”

5. U bent al een flink aantal jaar bezig met een proefschrift over de relatie tussen sport en politiek en de rol van het Nederlands parlement. Hoe staat het ervoor?
“Ik ben met mijn proefschrift begonnen toen ik in de Tweede Kamer zat. Op dat moment werd ik gegrepen door het onderwerp beleid en sport. Waarom is er sportbeleid en komt dat in de ene periode meer voor dan in de andere periode? Het nadeel is dat als je een fulltime functie hebt je maar weinig tijd aan het onderzoek kunt besteden. Soms zaten er zelfs hele periodes tussen waarin ik het proefschrift heb weggelegd. Daarom ben ik er flink wat jaren meebezig geweest. Maar ik ben nu echt bezig met de afrondende fase. De laatste conclusies worden geschreven, stukken worden aangescherpt en geschrapt en er moeten nog meer verbeteringen worden aangebracht. Ik heb mezelf in ieder geval als doel gesteld om het eind dit jaar te publiceren.”

“Mijn proefschrift betreft de periode van 1814 tot 1994. Er komt daarnaast ook een boek over de periode 1994 tot 2011. Dat tijdsperk heb ik bewust buiten mijn onderzoek gelaten, omdat ik in die periode zelf elf jaar deel uitmaakte van de Tweede Kamer. En je kunt natuurlijk geen proefschrift schrijven over jezelf. Het interessante aan mijn onderzoek is denk ik dat de lezer een beeld krijgt hoe de politiek functioneert in de sportsector en hoe die soms niet draait. Mensen krijgen dus ook een inzicht in hoe de politiek nu werkt. Ik probeer onder andere aan te geven dat de politiek meer is dan alleen even snel scoren en dat het er inhoudelijk wordt ingegaan op het sportbeleid. Het beeld dat nu vaak heerst over de politiek is niet echt rooskleurig, maar door dit proefschrift hoop ik de politiek qua sportbeleid toch wat meer credits te geven.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.