Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan jan rijpstra voormalig vvd kamerlid en kvlo voorzitter

5 vragen aan Jan Rijpstra, voormalig VVD-kamerlid en KVLO-voorzitter

11 september 2012

Nieuws


door: Leo Aquina | 11 september 2012

1. Als oud-Kamerlid en inhoudelijk betrokkene bij de sportparagraaf in het verkiezingsprogramma van de VVD heb je je verdiept in de standpunten van de verschillende partijen ten aanzien dit thema. Wat valt je op als je de verschillende partijprogramma’s op ‘sport’ scant?
“De aandacht voor sport in de verschillende partijprogramma’s is miniem. Eigenlijk zie je alleen bij de PvdA en de VVD een wat uitgebreidere sportparagraaf. Dat zijn de partijen die de afgelopen twintig jaar regelmatig aandacht aan sport hebben besteed in hun programma’s. Overigens zie je vaak dat sport bij tussentijdse verkiezingen minder aandacht krijgt. De nadruk ligt dan meestal op sociaaleconomische thema’s. Het is jammer dat partijen er weinig aandacht aan besteden. Alle partijen roepen al langere tijd dat kinderen meer moeten bewegen, dan zou je er als partij ook iets over op kunnen schrijven in je programma. Het gaat mij veel te ver om te zeggen dat er een kaalslag is geweest in de sport. Zie de budgetten die er op rijks- en op gemeentelijk niveau in crisistijd voor sport en sportaccommodaties beschikbaar zijn. We hebben niets te klagen.”

“Als je bewegingsonderwijs aan de orde stelt, heb je het over kwaliteit en kwantiteit. Om kinderen goed te leren bewegen moet je zorgen dat er gekwalificeerde mensen in het onderwijs beschikbaar zijn. Als alle partijen roepen dat kinderen op school meer en goed moeten leren bewegen, moeten zij op een gegeven moment toch op enig moment de portemonnee trekken. Het is niet goedkoop. Het zal tussen de honderd en de tweehonderd miljoen kosten, maar je moet het zien als een groeimodel. Die honderd miljoen hoeft niet in één keer op tafel. Als je wil dat deze generatie ook op oudere leeftijd het belang van bewegen nog ziet, moet je investeren. Bij de jeugd leg je de basis voor een actieve en vitale samenleving. In het VVD-programma staat dat de opbrengsten van de loterijen worden verhoogd. Dat geld moet ten goede komen aan de sport, maar het gaat niet specifiek over bewegingsonderwijs. In geen enkel verkiezingsprogramma wordt extra geld gereserveerd voor bewegingsonderwijs. Ik ben daar wel een voorstander van, op dat gebied gingen wij als partijcommissie bij de VVD verder dan de partij zelf.”

“Als ik naar de andere programma’s kijk, sluit de sportparagraaf van de PvdA redelijk aan bij de VVD. Maar zoals gezegd, verder ben ik weinig tegengekomen. Daar zit ook een voordeel aan. Als politicus zeg ik dat het feit dat er weinig programmapunten op papier staan, meer ruimte biedt voor onderhandelingen. Dat iets niet in een verkiezingsprogramma staat, hoeft niet te betekenen dat het niet in het regeerakkoord komt.”

2. Vind je dat er een minister van sport moet komen? Wat zijn de voor- en nadelen daarvan?
“Als je mij vraagt of het zinvol is, ja natuurlijk. Maar we streven juist naar een kleiner overheidsapparaat en naar een kleinere ministerraad, die vooral op hoofdlijnen moet gaan regeren. Dan is het vreemd om te kiezen voor een aparte minister van sport. Dan zou je bijvoorbeeld ook een aparte minister van cultuur aan kunnen stellen. Dat is dus niet aan de orde. Ik denk wel dat het een goed idee is om sportbeleid integraal te benaderen. Sport is een breed beleidsterrein en het heeft raakvlakken bij verschillende departementen. Onderwijs als het gaat om lichamelijke opvoeding, VWS als het gaat om gezondheid, Infrastructuur en Milieu wat betreft de accommodaties. Voor die integrale benadering zou je een staatssecretaris aan kunnen stellen, die natuurlijk wel nauw samenwerkt met de verschillende ministers.”

“Of dat een oud-topsporter moet zijn met een politieke antenne of een politicus met een sportachtergrond? Ik denk het laatste. Politiek is iets anders dan sport en andersom. Iedereen heeft zijn eigen kwaliteiten en verantwoordelijkheden. Natuurlijk zou het goed zijn als een staatssecretaris wel topsporters inschakelt om het sportbeleid mee vorm te geven. Zij kunnen brainstormen, hebben voelhoorns in de sportwereld en weten wat er speelt. Bovendien kun je topsporters inzetten als rolmodel om het beleid uit te voeren.”

3. Eén van je bekende wensen is een ‘kaderwet sport’. Wat houdt die kaderwet in en waarom moet er op sportgebied zo’n wet komen? Wat kan er misgaan als we dat niet regelen?
“Je ziet vaak dat wetgeving op andere terreinen negatief uitpakt voor de sportwereld. Neem bijvoorbeeld de wet op hygiëne in horecagelegenheden. Daardoor moesten vrijwilligers in sportkantines opeens aan diverse eisen voldoen. Je zou kunnen zeggen dat die wet te ver gaat voor de sportclub. Met een kaderwet sport kun je de politiek verplichten bij nieuwe wetgeving op andere gebieden de gevolgen voor het sportbeleid te toetsen en zo nodig een uitzondering te maken. Je kunt in die kaderwet ook nog andere zaken regelen. Kinderen die naar school gaan krijgen een gediplomeerde onderwijzer voor de klas. Maar op een sportvereniging moet je altijd maar afwachten welke sporttechnische en pedagogische kennis de trainer of begeleider heeft. Daarvoor zou je ook een certificeringsysteem of beroepsprofiel kunnen vastleggen. Je kunt in zo’n kaderwet bijvoorbeeld ook opnemen dat er bij nieuwbouwprojecten meer ruimte moet zijn voor bewegen en sport.”

“In het licht van het Olympisch Plan is zo’n kaderwet ook een goed idee. Ingenieursbureau DHV presenteerde in februari een rapport over de olympische hoofdstructuur en daarin pleiten zij ook voor zo’n wet. Neem de infrastructuur: de Raad van State acht het niet in overeenstemming met een goede ruimtelijk ordening dat in een bestemmingsplan zaken worden vastgesteld waarvan het onzeker is of ze binnen tien jaar worden gerealiseerd. Als je een sportwet hebt waarin je de termijn op dat specifieke terrein kunt uitbreiden, heb je de mogelijkheid om verder vooruit te kijken. Doe je dat niet, dan kun je volgens het DHV-rapport in de knel komen als er voor grote sportinfrastructurele projecten onteigening, grondsanering of een lange bouwtijd nodig is en een voorbereidingstijd van zeven jaar te kort is.”

4. Een andere van je langer gekoesterde wensen is de ontkoppeling van NOC en NSF. Kan je toelichten waarom dat nodig is?
“Het gaat daarbij om de professionalisering van de topsport. Er gaat zoveel geld om in de topsport, dat je kunt spreken van een bedrijfstak en dan moet je er ook zo mee omgaan. NOC*NSF heeft leden en die bepalen niet alleen wat er tussen organisaties gebeurt, maar ook hoe het met de topsport in Nederland verder moet gaan. Dat heeft het voordeel van een breed discussieplatform, maar het nadeel is dat de bonden op die manier ook een remmende werking kunnen hebben op de topsport omdat zij andere belangen hebben. Dan moet je naar een ander model. Dat model van gescheiden topsport en breedtesportorganisaties is in het verleden ook wel door Joop Alberda gelanceerd. Als je de topsport benadert als bedrijf, maak je het voor het bedrijfsleven ook aantrekkelijker om erin te investeren. Je kunt daardoor ook bedrijfsmatig gaan werken.”

“Die andere kant, de sportfederatieve tak, kun je dan ook op een betere manier vormgeven. Ik weet dat NOC*NSF het niet wenselijk vindt, omdat zij vinden dat de topsport en de breedtesport elkaar nodig hebben. Maar dat kan ook bij gescheiden organisaties nog altijd. Misschien dat het plan om het olympisch en paralympisch team als een aparte entiteit te zien een oplossing biedt. Daarnaast vind ik dat het niet primair de taak van de overheid is om topsport te financieren, er liggen andere mogelijkheden voor de overheid. Je ziet het wel gebeuren in het voetbal. Moet een gemeente een betaald voetbalclub redden of niet? Het gebeurt wel, maar een gemeente steekt toch ook geen geld in de lokale supermarkt als die failliet gaat? Dat is een discussie die we in Nederland best mogen voeren. Maar terug naar de vraag: NOC en NSF zijn in 1993 gefuseerd en er is nadien eigenlijk nooit een evaluatie geweest. Het zou goed zijn om dat eens een keer te doen, waarbij je met de kennis die er nu is en de prachtige successen in London dit jaar, volgende stappen kunt zetten.”

5. Tot slot, je bent nu op de Paralympics in Londen en je woont tegenwoordig in Zwitserland. Gaan we Jan Rijpstra nog ooit terugzien in de Nederlandse politiek?
“Op het moment ben ik inderdaad druk met dat boek en met het voorzitterschap van de KVLO, maar er is zeker een kans dat ik ooit terugkeer in de politiek. Ik houd ervan om zaken te initiëren en dingen in gang te zetten. Als je de ideeën hebt en dingen roept die volgens jou moeten gebeuren, zou het gek zijn als je niet de ambitie hebt die ideeën ook uit te voeren. Zo’n staatssecretariaat voor sport met vooral die integrale benadering zou ik wel mooi vinden ja. Maar we moeten eerst 12 september afwachten natuurlijk.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.