30 augustus 2011
Nieuws
1. In juli was je aanwezig bij het WK zwemmen in Sjanghai. Hoe zien de dagen van de directeur van de zwembond eruit tijdens zo’n toernooi?
“Een dag begint met ontbijt ’s ochtends om acht uur, dan stemmen we af wie wat gaat doen. In Sjanghai waren we met een delegatie van ruim negentig mensen: zeventig in het sportgedeelte en twintig die zich niet direct met de sport bezighielden. De technische staf is verantwoordelijk voor het sportieve gedeelte, als bestuurders hebben wij een separaat programma. Natuurlijk heeft de sportieve kant onze warme belangstelling en bezoeken wij de wedstrijden, maar daarnaast hebben we een bestuurlijke opdracht. We ontvangen gasten en leggen contacten. Tijdens de ochtendsessies - als er series worden gezwommen - is dat vaak informeel en ’s avonds tijdens de finales is dat formeler. Tussendoor knoop je gesprekken aan met mensen van de internationale federatie. We nemen ook onze sponsoren mee, verzorgen ticketing, leiden sponsoren rond en brengen ze in contact met andere internationale sponsoren. In Sjanghai waren daarnaast ook delegaties van de gemeenten Eindhoven, Amsterdam en Rotterdam mee. We hopen in 2016 het WK kortebaan in Nederland te organiseren en in 2019 of 2021 het ‘grote’ WK. We hebben de gemeenten rondgeleid op het evenement, laten zien hoe het in zijn werk gaat, ontmoetingen gearrangeerd met de Nederlandse ambassade en met diverse mensen van de internationale federatie.”
“Tegenwoordig bepalen we als bestuur al in Nederland ons programma tijdens een toernooi en krijgt iedereen een opdracht mee. Dat deden we in het verleden niet, maar het is effectiever en voor de mensen prettiger om met een specifieke opdracht aanwezig te zijn. Tijdens het WK is er altijd een congres van de internationale zwembond, dat bezoeken we natuurlijk ook. We doen veel om ons internationaal te laten zien. Je krijgt als bond internationaal aanzien als de sporters goed presteren, maar ook als je je als bond en als land goed manifesteert en organiseert. Wil je internationaal meer zeggenschap en invloed hebben, dan moet je als bond ook je verantwoordelijkheid nemen in de organisatie van evenementen en activiteiten. In Sjanghai hebben we ons gericht op het mogen gaan organiseren van het WK junioren heren en dames waterpolo. De combinatie van heren en dames samen op een jeugdtoernooi was uniek. Een deel van de internationale federatie was daar enthousiast over, maar uiteindelijk heeft het conservatisme gewonnen. Er is ons wel gevraagd het WK dames waterpolo apart te organiseren, maar daar hebben we van afgezien. Zo’n lobby is intensief en het gaat de hele dag door. Voor het grote publiek is het niet altijd zichtbaar, maar het netwerk is belangrijk. Tot besluit van de dag is er om acht uur ’s avonds het diner, met gasten van ons of op uitnodiging van anderen. Dat loopt tot ongeveer elf uur en dan is het na een kort afzakkertje snel naar bed, want de volgende ochtend is het weer vroeg op.”
2. Zwemmen is misschien wel de belangrijkste sport om Nederland aan een plaats in de top tien van de olympische medailleranglijst te helpen. Merk je dat aan de steun die de zwembond krijgt van NOC*NSF. En in hoeverre kun je de goede prestaties van de Nederlandse zwemmers in Sjanghai toeschrijven aan het beleid van de bond?
“Om met dat laatste te beginnen: de zwemmer haalt de prestatie, niet de bond. Als bond faciliteren wij en naarmate we dat beter doen, zal een zwemmer in staat zijn een betere prestatie te leveren. Wij hebben als zwembond de laatste jaren een gedegen structuur neergezet waarin we het belang van de sporter bovenaan stellen. Vervolgens moet die sporter het zelf doen. In Nederland wordt vaak gewezen naar de medaillespiegel in de Olympische Spelen van Sydney. Dat waren destijds uitzonderlijke talenten, met Pieter van den Hoogenband en Inge de Bruijn. Over het afgelopen WK heeft de pers al geschreven dat dit het beste toernooi voor Nederland was sinds 2001 in Fukuoka. Bij die vergelijking moet je er rekening mee houden dat we tegenwoordig een veel bredere selectie hebben. Ik denk dat het beleid dat we hebben ingezet een grotere groep sporters in staat heeft gesteld om internationaal aansluiting te vinden.”
“Bij de uitvoering van dat beleid krijgen wij als zwembond zonder meer voldoende steun van NOC*NSF, maar ook van VWS. Zij steunen ons ten volle. Dat betekent niet dat wij achterover kunnen leunen. Zelf moeten we ook navenant investeren. Natuurlijk hebben we altijd behoefte aan meer middelen, maar het zou niet terecht zijn om in onze situatie te klagen. NOC*NSF biedt veel steun en in nogal wat zaken leunen we sterk op VWS. Concreet zijn dat fondsen voor het onderhouden van de technische staf, talentcoaches en sportmedische faciliteiten. Als het om middelen van NOC*NSF gaat, moet je denken aan de uitzending naar evenementen zoals het WK en aan het creëren van optimale trainingsfaciliteiten zoals in Eindhoven en Amsterdam, waar nu een nieuw camerasysteem komt. NOC*NSF betaalt nooit alles, maar zij betalen vaak een deel en de rest moeten we van onze eigen exploitatie doen. Daarvoor moet er voldoende draagvlak zijn onder de leden en via sponsoren bereiken we ook veel.”
3. Veel bonden waren de laatste jaren niet bepaald gelukkig over hun werkrelatie met NOC*NSF. Ondertussen zijn er maatregelen genomen om deze relatie te verbeteren. Komt het dus weer goed tussen NOC*NSF en de sportbonden?
“Ik zit als vertegenwoordiger van de zwembond zelf in de taskforce die zich hiermee bezighoudt. Er zijn in het verleden best dingen fout gegaan, maar NOC*NSF is natuurlijk wel een organisatie van de bonden, dus de bonden kunnen niet alleen met de vinger wijzen. De bonden zijn medeverantwoordelijk voor de manier van werken zoals die is gegroeid. Na een lange periode met één voorzitter en één directeur is het ook helemaal niet zo erg dat het tijd is voor verandering en vernieuwing. We hebben als bonden samen die oproep gedaan en we hebben in goede harmonie die discussie gevoerd. Het voornaamste knelpunt was het gevoel bij de bonden dat zij niet gehoord werden. Om dat te veranderen, is de organisatie van NOC*NSF meer gericht op ondersteuning van de sportbonden. Het is nu minder een op zichzelf staand instituut. Er zitten tegenwoordig in het bestuur ook meer mensen die afkomstig zijn van de georganiseerde sportbonden. Ik denk dat de relatie met de bonden nu goed is. Afgelopen ledenvergadering heeft NOC*NSF een goed perspectief voor de leden neergezet. Het is prima dat de kritiek naar elkaar is uitgesproken. Nu is er het moment om te zeggen: ‘we gaan weer met elkaar aan de slag’.”
4. Eén van de grote uitdagingen van Nederland als sportland de komende jaren is het Olympisch Plan 2028. Er is vanuit de sport de nodige kritiek op zowel de uitvoering van het Olympisch Plan als de zichtbaarheid van Alliantie Olympisch Vuur. Op welke punten ben je het daarmee eens of oneens en wat zijn de lessen die jullie als zwembond meenemen uit Sjanghai ten aanzien van een mogelijk olympisch bid?
“Wij vinden als zwembond dat Nederland als de wiedeweerga moet kiezen voor één gaststad. Ik ben mee geweest op een trip eerder dit jaar met vijftig mensen uit de sportwereld naar Brazilië om te leren van het bid van Rio voor 2016 en internationaal merk je dat niemand er wat van snapt. Het is een bijzonder sympathieke gedachte om honderd jaar na de Spelen van 1928 in Amsterdam opnieuw de Olympische Spelen te organiseren, maar het is niet uit te leggen als je dat vervolgens in Rotterdam wil doen. We moeten zo snel mogelijk Amsterdam aanwijzen als olympische gaststad voor 2028. Hoe je het vervolgens organiseert, is iets anders. De afstand tussen Amsterdam en Rotterdam is niet groot en je kunt een hoop doen met evenementen. Nederland moet klare wijn schenken en een keuze voor Amsterdam maken.”
“Dat er eerst wordt gewerkt aan draagvlak en dat er pas in 2016 een definitieve beslissing valt over een mogelijk bid is verder prima. Als je kiest voor Amsterdam als gaststad kun je strategisch alvast door gaan bouwen. Dat je dan in 2016 definitief besluit een bid uit te brengen, is een technisch verhaal. Door uit te stellen welke stad je kiest, stagneert de ontwikkeling. In China wordt voor een dergelijk evenement zomaar even een woonwijk met de grond gelijk gemaakt, maar in Nederland hebben we andere regels en dat moeten we respecteren. Als er niet snel een keuze voor de stad wordt gemaakt, zijn we gewoon te laat. Zo’n keuze maakt het ook makkelijker voor de nieuw aan te stellen voorzitter van de Council Olympisch Vuur. Een bestuurder zit immers ook niet te wachten op onduidelijkheid.”
“In Sjanghai hebben we zeker lessen geleerd ten aanzien van internationale bidprocedures. Het WK was technisch enorm groot en goed georganiseerd, maar daardoor ontbrak het een beetje aan gezelligheid, de menselijke maat. In Rome twee jaar eerder was het compacter en veel gezelliger, maar ook veel minder efficiënt. Ik denk dat de kracht van Nederland ligt in de combinatie van die twee werelden. Wij kunnen technisch goed organiseren, maar we zijn ook in staat een gezellige sfeer te creëren. In Sjanghai hebben we gezien dat de internationale federatie geïnteresseerd is in wat wij kunnen. Nederland heeft internationaal echt wel status, niet alleen op het gebied van zwemmen. Als je actief bezig bent met het organiseren van toernooien, heb je ook meer invloed op beleid. Maar in Nederland zijn we altijd nogal rechtuit. Als je internationaal wil opereren, moet je soms andere waardes aanspreken. Wij doen het liever met een broodje kaas, maar internationaal gaat het om diners, om de setting, om informele activiteiten. Als je dat allemaal niet wil prima, maar dan ga je niet veel bereiken.”
5. Voor je in 2006 directeur werd van de zwembond, was je werkzaam voor het Watersportverbond. Heeft je volgende baan in de sport opnieuw met water te maken? Wat zijn je toekomstplannen, ambieer je (ooit) een andere baan in de sport?
“Ik ben daar niet zo mee bezig. Ik ben heel gelukkig bij de zwembond. Ik heb destijds bewust de keuze voor de zwembond gemaakt omdat ik graag in de sport werkzaam wilde blijven. Op dit moment hebben we prachtige toekomstplannen met de ambitie voor de WK’s van 2016 en 2019. Zolang ik daar nog een rol in kan blijven vervullen - ook naar tevredenheid van de KNZB - zal ik dat met genoegen blijven doen. Mijn hart ligt bij de sport. Mijn grootste ambitie daarin is nu om het WK Zwemmen naar Nederland te krijgen. Als je als land de ambitie hebt om in 2028 de Olympische Spelen binnen te halen, moet je voor die tijd al een sportevenement van meganiveau organiseren. Helaas wordt dat niet het WK Voetbal. Daar hebben we met elkaar de schouders onder gezet maar dat is het niet geworden. Andere evenementen van meganiveau zijn het WK Atletiek, het WK Zwemmen of bijvoorbeeld de Wereldruiterspelen. Ben je niet bereid of in staat bent om als land zo’n evenement te organiseren, dan hoef je je ook niet aan de Olympische Spelen te wagen.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.