door: Leo Aquina | 1 april 2014
1. U heeft lang als journalist gewerkt, maar u bent ook voorlichter geweest bij het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité en recent was u directeur van Wielerbond Vlaanderen. Wat bent u liever, journalist, voorlichter of directeur?
“Journalist, absoluut. Ze kunnen de man wel uit de journalistiek halen, maar de journalistiek niet uit de man. Al die keren dat ik gekozen heb om de journalistiek te verlaten was dat eigenlijk een vlucht. Ik had het in 1991 naar mijn zin op de sportredactie van De Morgen. Ik kon daar blijven maar de sportredactie werd afgeschaft. Toen kwam de aanbieding van het Belgisch Olympisch Comité. Daar heb ik anderhalf jaar gewerkt, maar door mijn rechtlijnigheid - of noem het gebrek aan diplomatie - moest ik daar vertrekken. In 2011 vertrok ik bij De Standaard/Het Nieuwsblad omdat men wilde dat ik alleen nog verhalen schreef voor Het Nieuwsblad. Dat is een populistische krant en ik wilde geen populistische verhalen schrijven. Toen heb ik die baan bij de Wielerbond Vlaanderen aangenomen. Daarnaast schreef ik nog steeds columns voor De Standaard en dat werd de reden voor mijn ontslag. Ik had mij in een column vrolijk gemaakt over een snowboarder. Daarmee heb ik volgens hen het wielrennen beschadigd. Dat mogen ze nu voor de rechter hard maken.”
“Ik heb naar volle tevredenheid bij de wielerbond gewerkt. Het personeel heeft ook geprotesteerd tegen mijn ontslag, maar ik ben er niet zo rouwig om te vetrekken, want het biedt mij de kans terug te keren in de journalistiek. Achteraf zie ik het eigenlijk als een grote undercoveroperatie. Ik ben nu directeur geweest en ik heb goed kunnen zien waarom het niet werkt in de Belgische sport. Er is zoveel onkunde in het bestuur. Mensen worden niet geselecteerd op basis van kwaliteit, maar op basis van beschikbaarheid, tijd en ego. Daar komt in het wielrennen specifiek bij dat het allemaal oud-commissarissen zijn, scheidsrechters. Die moet je niets anders laten doen dan mensen achter de vodden zitten met regeltjes. Als je die mensen in bestuursfuncties zet, worden het helemaal machtswellustelingen. Ze laten de regels gelden tot in het absurde en ze kunnen niet tegen verandering. Het is een drama.”
“Of er op dat vlak verschil is tussen België en Nederland? Absoluut. In Nederland hebben de professionals de macht in de sport. Ik heb jarenlang het zwemmen gevolgd en dan zag ik technische mensen als Jacco Verhaeren en Ad Roskam langs het bad staan. Ik wist niet eens wie er op dat moment voorzitter was van de bond. In Vlaanderen is dat anders. Daar bemoeien de bestuurders zich er mee, terwijl ze absoluut niet geschikt zijn voor die taak. Dat komt doordat in Vlaanderen veel regionale tegenstellingen zijn. Mensen komen niet op een bepaalde plek te zitten vanwege specifieke kwaliteiten, maar omdat ze uit een bepaalde provincie komen. Of die mensen iets kunnen, maakt niets uit. Ik ben dat soort regionale belangen in Nederland heel zelden tegengekomen.”
2. U heeft biografieën geschreven over Pieter van den Hoogenband en Jacques Rogge. De eerste is niet gepubliceerd, waarom niet?
“Alles wat in dat boek staat heeft hij me zelf verteld. Ik ben als psychotherapeut gebruikt. Van den Hoogenband kon eindelijk eens echt vertellen hoe alles was gegaan. Een carrière gaat niet alleen over rozen, maar ook over doornen. Dat stond nu allemaal zwart op wit en ik denk dat niet iedereen in de entourage van Van den Hoogenband daar even gelukkig mee was. Er stond overigens niets in dat zijn carrière in diskrediet zou brengen. Achteraf zaken herschrijven of aanpassen, was geen optie. Pieter is een man van de stekker erin of de stekker eruit.”
“Ik begrijp wel waarom mensen uit zijn omgeving niet gelukkig waren met delen van de inhoud. Achteraf zeg ik: we hadden al dat werk er niet in moeten steken. Dat frustreerde mij. Wat ik ook heel vervelend heb gevonden, is dat men naar buiten bracht dat ik ziek was en dat ik stervende zou zijn, dat ik daardoor een slecht boek zou hebben afgeleverd. Dat is onzin. Ik had gezondheidsproblemen, maar mits ik mij goed verzorg, kan ik daar oud mee worden. Ik heb in 2011 nog een triatlon gedaan, dus het zal toch wel meevallen. Het ergste vond ik dat men zei dat het slecht geschreven was. Dat was niet zo en het bracht mij in diskrediet. Overigens moet ik wel zeggen dat Pieter het achteraf financieel met mij goed heeft geregeld.”
3. U kent Jacques Rogge goed. Wat is zijn erfenis voor de Olympische beweging?
“Mijn biografie van Rogge was geautoriseerd. Dat is meer een verkiezingspamflet dan een biografie. Er staat niets spannends in. Rogges voornaamste verdienste voor het IOC is dat hij de organisatie heeft geprofessionaliseerd. Zijn eerste ambtsperiode is veel belangrijker geweest dan de tweede. Toen hij kwam, zat iedereen achter zijn eigen bureautje en in plaats van samen te werken, werkten ze vaak tegen elkaar. Rogge heeft al die directeurs in een wekelijkse vergadering bij elkaar gezet, dat hadden ze nog nooit meegemaakt. Samaranch was niet de man van de grote communicatie. Die hield alleen maar afzonderlijke gesprekken met de directeuren en die mensen gingen dan op hun eigen terrein weer aan de slag. Rogge heeft er echt een bedrijf van gemaakt. Als tweede grote stap heeft Rogge zijn tegenstanders aan zijn kant weten te krijgen. Zo heeft hij bijvoorbeeld Dick Pound van het WADA (World Anti-Doping Agency, red.) alle macht gegeven om doping aan te pakken. Op de Olympische Spelen van 2002 werden er gouden medaillewinnaars betrapt op Aranesp, tweede generatie EPO. Dat was nog nooit gebeurd.”
“Na die eerste twee jaar heeft hij wel gas teruggenomen. Hij heeft de herzieningen van het olympisch programma er niet doorgekregen. Je kunt toch - als je kijkt naar Beijing en Sochi - niet zeggen dat hij de megalomanie van de Spelen heeft teruggedrongen. Goed, hij heeft wel de Jeugd-Olympische Spelen erdoor gekregen. Je kunt je twijfels hebben of het wel zo goed is voor de jeugd om op die manier competitief te sporten, maar marketingtechnisch is het goed. De sponsors van IOC kunnen daar hun ding weer doen.”
“Wat Rogge ook niet heeft bereikt, is een doorbraak in de onderhandelingen met het Amerikaans Olympisch Comité (USOC). Door een miskleun uit de jaren zeventig krijgen de Verenigde Staten evenveel geld uit de marketing-pot van het IOC als alle andere landen samen. Die overeenkomst is voor onbepaalde tijd en daarmee houden de Verenigde Staten de rest van de wereld eigenlijk gegijzeld. Er is inmiddels wel een nieuwe afspraak gemaakt over al het geld dat er meer binnenkomt dan vroeger, maar over het oude bedrag geldt nog altijd die oude regeling. Dat is de reden dat de Verenigde Staten al sinds Atlanta 1996 geen Olympische Zomerspelen meer krijgen toegewezen. Ze zijn het grootste sportland ter wereld en ze zitten al haast dertig jaar op de strafbank.”
4. De organisatie van grote toernooien als het WK voetbal de Olympische Spelen wordt steeds minder vaak toegewezen aan Westerse landen. Is het in het huidige tijdsgewricht voor Westerse democratieën nog wel mogelijk om dergelijke toernooien te organiseren?
“De FIFA en het IOC willen niets liever dan hun toernooien organiseren in een autocratisch land. Blatter heeft zelf gezegd dat alle ellende bij de organisatie van het WK in Brazilië voorkomt uit het feit dat het een democratie is. In een dictatuur heb daar allemaal geen last van. De FIFA en het IOC zijn eigenlijk een soort 21steeeuwse neokoloniale instellingen. Ze komen het land binnen en eisen dat men zich aan hun regels houdt. Ze eisen vrijstelling van belasting. Er is echt geen enkele andere organisatie die dat voor elkaar krijgt. Ik denk dan ook dat het organiseren van de Spelen of het WK niet meer mogelijk is in Westerse democratieën. Dat willen de FIFA en het IOC helemaal niet.”
“We moeten ons natuurlijk ook realiseren dat onze westerse waarden relatief zijn. Wij vinden het prachtig om vanuit onze ivoren toren in het Westen alle andere landen vermanend toe te spreken, maar zo werkt het niet in de wereld. De meeste landen zijn dictaturen. Moeten we daarom geen sporttoernooien meer organiseren in de rest van de wereld? Waarom zou koning Willem-Alexander een statement hebben moeten maken in Sochi? Die man is een sportliefhebber, erelid van het IOC, en die ging naar een sportevenement kijken. Hij kon ook niet weten dat Poetin een week later de Krim zou annexeren. En let wel, Poetin is tot nader order wel democratisch gekozen, iets wat je van een koningshuis toch niet direct kunt zeggen. De Olympische Spelen worden altijd aangegrepen door de politiek, omdat men de Spelen altijd met de olympische waarden associeert. Maar die waarden zijn natuurlijk niet veel meer dan een middel om de duurste sponsoring van de wereld te verkopen. Ik ben die olympische waarden ook nooit tegengekomen in het Olympisch Dorp. Er is wel verbroedering hoor, maar als je je tegenstander de volgende dag een kopje kleiner kan maken, zal niemand dat nalaten.”
5. U schreef het boek ‘Wie gelooft de renners nog?’, over doping in het wielrennen. Wat is het antwoord op die vraag? In verband met de Nederlandse schaatsers in Sochi sprak u over technologische doping. Wat bedoelde u daarmee?
“Ik geloof de renners nog. Niet iedereen doet dat, maar wel meer en meer mensen. In mijn boek staat een grafiek uit de
Journal of human sport & exercise, waaruit bleek dat er in 2001 bij veertien procent van de tests foute bloedwaarden werden gevonden. In 2011 was dat twee procent. Ik denk dat die veertien procent fout is, want iedereen deed het toen. Die veertien procent moet je dus maal zeven doen en dan moet je ook die twee procent maal zeven doen. Dat laatste getal mag je echter corrigeren omdat de opsporingsmethodes nu beter zijn. Met die berekening kom je nu op z’n tien procent van de renners die middelen gebruiken, waarvan het nut is bewezen. Ik zeg dus niet dat er niet meer wordt gebruikt, maar het is veel en veel minder. Lance Armstrong en Marco Pantani reden aan het begin van deze eeuw bergop twintig procent sneller dan de toprenners nu. De topwaarden die destijds werden gemeten lagen rond 7,3 watt per kilogram lichaamsgewicht. Vandaag de dag wordt er bij 6,3 watt per kilogram van Chris Froome al alarm geslagen.”
“Dat laatste is een vreemde methode om iemand als verdachte aan te merken. Het gaat uit van een status quo. Men kijkt wat iemand kan en niet naar de mogelijkheden waarmee iemand zich nog kan verbeteren. De trainingsmethodes in het wielrennen liggen hopeloos achter bij de rest van de sportwereld. Er kwam een Australische zwemtrainer bij Team Sky. Die paste de principes uit les één van de zwemtraining toe en prompt wonnen ze twee keer de Tour. Er is op het gebied van training nog zoveel te winnen in het wielrennen. Is Chris Froome
clean? Alles wijst erop dat hij het schoon heeft gedaan. Hij heeft zich sterk verbeterd met trainingsmethodes die allang bekend zijn in het zwemmen en de atletiek.”
“Is een dopingvrije sport mogelijk? Nee dat denk ik niet, zoals ook een maatschappij zonder misdaad niet mogelijk is. En misschien is deze discussie over dertig jaar wel achterhaald. Dan lopen er allemaal genetisch gemanipuleerde sporters rond. Als de ouders wielerliefhebbers zijn, zeggen ze tegen een arts dat hij een stukje extra uithoudingsvermogen in het kind moet stoppen. Eigenlijk selecteren we nu ook al op genen. In de NBA lopen alleen maar kolossen van mannen rond, dat is ook genetisch. Zwarte mensen hebben langere armen dan blanken, je mag het natuurlijk niet zeggen, maar ook dat zijn genetische verschillen.”
“Wat betreft de Nederlandse schaatsers in Sochi: ik heb geschreven dat de man die het pak heeft gemaakt zegt dat het drie procent verbetering oplevert. Dat is anderhalve kilometer per uur. Schaatsen is een sport waarbij het draait om het overwinnen van luchtweerstand. De Nederlandse schaatsers hebben voordeel gehad bij die pakken. Natuurlijk heeft Nederland de beste schaatsers. Ik doe niets af aan die acht gouden medailles, maar zonder die pakken waren het vooral in de breedte veel minder medailles geweest. Precies dat heb ik technologische doping genoemd. Het is niet verboden, maar ik vind wel dat de ISU - net als destijds de FINA bij het zwemmen - daar regels voor moet ontwikkelen.”