Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan gerard dielessen directeur noc nsf

5 vragen aan Gerard Dielessen, directeur NOC*NSF

8 oktober 2013

Nieuws

door: Leo Aquina | 8 oktober 2013

1. NOC*NSF maakt zich grote zorgen over de financiering van de Nederlandse sport vanwege het wetsvoorstel van staatssecretaris Fred Teeven voor liberalisering van de online kansspelen. Daarnaast zijn dalende ledentallen van bonden een bron van zorg. Hoe gaat NOC*NSF om met deze bedreigingen?
“Het wetsvoorstel voor onlinegokken dat er nu ligt, gooit de markt open. Wij vinden dat je de markt zou moeten reguleren, dat is wat anders. Er zijn naar schatting 800.000 tot een miljoen mensen die online gokken. Daar gaat heel veel geld in om en in afwachting van de nieuwe wet wordt dat op dit moment helaas gedoogd en wordt dit straks legaal. Ik snap dat wel want daarmee ben je in één klap die illegale situatie kwijt, maar we zijn er natuurlijk helemaal niet blij mee. Online gokken zal na legalisering nog verder toenemen en zal daardoor een groot marktaandeel wegnemen bij de huidige legale loterijen die met hun verplichte afdracht veel inkomsten genereren voor de sport. Een ander probleem met het liberaliseren van het online gokken op sport is dat je het risico loopt matchfixing in de hand te werken. Wij zijn het dus om meerdere redenen niet eens met het huidige wetsvoorstel en we hebben in samenwerking met andere goede-doelenloterijen een sterke lobby opgezet. Op dit moment zijn de ambtenaren bezig met het verwerken van de input. Teeven is nu aan zet. Wij gaan ervan uit dat het wetsvoorstel niet op deze manier naar de Tweede Kamer gaat. Vergeet niet dat ook in het regeerakkoord staat dat meeropbrengsten uit de kansspelwetgeving naar de sport moeten gaan en dat we daar tot nu toe niets over terug kunnen vinden.”

“De terugloop in Lotto-inkomsten zie ik op dit moment als de grootste financiële bedreiging,
maar de dalende ledentallen bij verenigingen zijn ook zorgelijk. En al vanaf mijn aantreden is er een discussie over de toekomst van de sportbonden. Ik probeer die discussie te stimuleren. We hebben intern een werkgroep opgericht met een aantal bondsdirecteuren. De georganiseerde sport beslaat een geweldig cultureel erfgoed met 25.000 sportverenigingen, 4 tot 5 miljoen leden en 76 sportbonden. Je moet je steeds afvragen wat er allemaal beter en efficiënter kan. Ik heb wel eens gepleit voor één competitie-instituut, waarbinnen alle bonden competities organiseren. En zeker nu het financieel lastiger wordt, moeten we denken over professionalisering. Verenigingen drijven traditioneel op vrijwilligers, maar misschien moet je wel meer naar betaalde managers, die beter in staat zijn een club bedrijfsmatig te runnen.”
 
“Natuurlijk moeten we als NOC*NSF zelf ook snijden. Dit jaar hebben we bezuinigd en volgend jaar gaat er opnieuw één miljoen af. Er moeten twaalf fte's weg en we hebben eerder dit jaar al een geconditioneerde vacaturestop afgekondigd. Tot nu toe hebben we de bezuinigingen door kunnen voeren door het vet aan de randen van de organisatie weg te snijden en efficiënter te werken. Maar uiteindelijk zal het ook ten koste gaan van projecten en van onze dienstverlening. Een accountmanager die in het verleden drie keer per maand bij de bonden kwam, komt in de toekomst bijvoorbeeld nog maar twee keer per maand.”

2. Rond de eeuwwisseling zei Joop van der Reijden - toen interim-voorzitter van NOC*NSF - in een interview: 'Het leiden van NOC*NSF is een zeer complexe en hectische aangelegenheid'. Wat is jouw ervaring?
“Het is complex, maar je moet die hectiek ook weer niet dramatiseren. Ik denk dat we ten opzichte van de periode van Van der Reijden meer rust hebben gecreëerd. Toen ik begon, was de verhouding met de bonden niet goed en dat is enorm verbeterd. André Bolhuis steekt daar veel energie in, bijvoorbeeld door voorzittersdiners te houden. De bonden zijn onze license to operate, daar moet je energie instoppen. Het is lastig want er zijn natuurlijk altijd tegengestelde belangen. Als je keuzes maakt, moet je die uitleggen. De nieuwe verdeling van de topsportgelden is daar een voorbeeld van. We hebben gekozen voor een focusbeleid en dat voeren we zorgvuldig uit. Onze experts doen een voorstel, ik kijk ernaar, het bestuur kijkt ernaar, er is een expertpanel en dan valt er een beslissing. Vervolgens kunnen bonden ook nog naar een beroepscommissie. Afgelopen jaar zijn er vijf of zes bonden in beroep gegaan en slechts één beroep is toegewezen. Dat verloopt dus zonder al te veel kleerscheuren. Natuurlijk zijn er bonden die klagen en ze gaan onderling vergelijken. Maar dat laatste vind ik eigenlijk wel goed. Het is competitief, je moet presteren. Vroeger had je de modelaanpak. Er was een grote taart en iedereen kreeg een stuk. Er was geen uitdaging en dat maakt lui.”

“Ik beschouw het als een uitdaging om de georganiseerde sport in Nederland klaar te stomen voor de toekomst. Als NOC*NSF zijn we een koepelorganisatie, maar we schuiven steeds verder op richting een brancheorganisatie. We hebben te maken met de bonden, onze leden, de ALV, maar er zijn allerlei andere actoren die over sport gaan. Als VWS geld reserveert voor een programma als Sport en Bewegen in de buurt, kloppen ze bij ons aan. Dat is een onomkeerbare ontwikkeling en ik vind het ook wel goed. Bonden hebben te maken met hetzelfde fenomeen. Er zijn meer dan een miljoen mensen in Nederland die hardlopen. Hoeveel zijn er lid van de Atletiekunie? Wat moet de bond daarmee? Moet de bond zich misschien meer richten op een netwerkfunctie? Moet zij zich profileren als plek voor kennisuitwisseling en dienstverlening, waar je ook geld voor kan vragen? Bonden moeten nadenken over meer tailormade modellen voor mensen die sporten.”

“Het is moeilijk te zeggen hoe NOC*NSF er over tien jaar uitziet. We zullen nog steeds verantwoordelijk zijn voor de olympische ploegen, dus daar zal niet veel in veranderen. Maar we moeten als NOC*NSF meegaan met de vernieuwing en ook de impuls geven om daarover na te denken. Mijn focus ligt daarbij voor een groot deel op de financiering. Vanuit de verschuivende verantwoordelijkheid van koepel- naar brancheorganisatie streven we ernaar zoveel mogelijk mensen aan het sporten te krijgen in een gezonde samenleving. Daarvoor hebben we de topsport nodig als aanjager van de breedtesport en de breedtesport als fundament van de topsport. Dat is Yin en Yang. Hoe lang ikzelf nog directeur ben? Ik heb een contract tot en met 2016. Wat er daarna gebeurt, weet ik niet.”

3. Er is in verband met de Olympische Spelen in Sotsji veel aandacht voor de Russische wet die propaganda voor homoseksualiteit verbiedt. Het IOC zegt dat de wet niet in strijd is met het Olympic Charter. Wat is het standpunt van NOC*NSF?
“Het IOC stelt dat iedereen aan de Olympische Spelen moet kunnen deelnemen ongeacht ras, religie, seksuele geaardheid, politieke overtuiging et cetera, en Rusland heeft het IOC die garantie gegeven. Voor het IOC is de beroemde Rule 50 leidend. Iedereen mag meedoen aan de Spelen, maar niemand mag propaganda maken, voor welk onderwerp dan ook. Dat is natuurlijk ook de enige manier waarop je atleten uit 204 verschillende landen allemaal aan hetzelfde sportevenement mee kan laten doen zonder dat iedereen daar ruzie gaat maken.”

“Dat is de lijn van het IOC, maar dat neemt niet weg dat wij ons natuurlijk wel zorgen maken om de situatie. Ik ben vaker in Rusland geweest en als ik zie hoe de Russen hiermee omgaan, daar word ik niet vrolijk van. Wij hebben als NOC*NSF onze maatschappelijke verantwoordelijkheid. We hebben overleg met organisaties als Amnesty International en ook met het COC. Amnesty vraagt ons onze zorg uit te spreken en dat doen we ook. Het COC staat er activistischer in en dat mag. Zij vinden dat wij acties moeten ondernemen om die wet te veranderen, maar dat is niet aan ons. Wij hebben de verzekering gekregen dat onze atleten daar veilig zijn. Wij kunnen als organisatie de wetten van landen niet veranderen. Als de Verenigde Naties of het kabinet het standpunt inneemt dat we er niet heen moeten gaan, zullen wij dat vermoedelijk volgen. Wij zijn daar echter niet leidend in.”

4. Diverse internationale media maken ook melding van een ecologische ramp in de omgeving van Sotsji en van journalisten die door de autoriteiten worden tegengewerkt als zij daar melding van willen maken. Moeten we wel Olympische Spelen willen organiseren in een land waar de mensenrechten worden geschonden?
“Wat betreft de ecologische ramp, in Rusland zelf zeggen ze dat het de meest groene Spelen ooit zijn en op de website van de Spelen in Sotsji geven ze daar allerlei voorbeelden van. Ik kan daar niet goed over oordelen. Wat ik wel zie, is dat er daar binnen zes à zeven jaar een infrastructuur uit de grond is gestampt waar ze in andere landen meer dan een halve eeuw mee bezig zijn. In die zin is het echt een prestigeproject van Poetin, die de wereld wil laten zien wat de Russen allemaal kunnen en dat kunnen ze kennelijk ook. Daar zullen best offers voor worden gebracht, maar dan kom je op politiek terrein. Ik denk dat het niet aan NOC*NSF is om daar nu als één van de 204 landen binnen het IOC geprononceerde uitspraken over te doen. Als het om mensenrechten gaat, wordt dat natuurlijk besproken binnen het IOC en ik ben ook heel benieuwd hoe dat na de Spelen zal worden geëvalueerd.”

“De manier waarop Rusland met journalisten omgaat, is daarbij natuurlijk ook een kwestie. Ik hoorde gisteren van de Russische weigering om Rob Hornstra een visum te geven. Ik ken Rob en zijn collega Arnold van Bruggen van The Sochi Project. We hebben regelmatig contact. Maurits Hendriks heeft ook veel tips van hen gekregen, want Rob en Arnold lopen al jaren rond in dat gebied en ze kennen het erg goed. Ik draag hun project ook een warm hart toe. Of wij als NOC*NSF actie zullen ondernemen voor hen? Op dit moment is het nieuws nog te vers om er een standpunt over in te nemen.”

“Het is een moeilijke vraag of landen met een dubieuze reputatie op het gebied van mensenrechten de Olympische Spelen mogen organiseren. Het IOC probeert de wereld juist te verbinden. Dan moet je dus ook die landen opzoeken. Wij kijken er vreemd tegenaan, ikzelf ook, maar wij kijken vanuit onze werkelijkheid en in Rusland hebben ze een heel andere werkelijkheid. Het IOC probeert al die werelden bij elkaar te brengen en dan moet je soms op eieren lopen.”

5. Tot slot een vraag over de benoeming van Camiel Eurlings tot IOC-lid. Uit publicaties blijkt dat André Bolhuis zelf graag IOC-lid was geworden. Er wordt veel gespeculeerd over de gang van zaken. Wat is er precies gebeurd?
“Er is natuurlijk veel in vertrouwelijkheid besproken, dus ik kan niet alles zeggen. We hadden lange tijd geen goede kandidaat en André Bolhuis was - als je naar het profiel kijkt - een uitstekende kandidaat. Dat vond de koning ook, maar André was de eerste die heeft gezegd dat zijn mogelijke kandidaatstelling gezien zijn leeftijd niet gelukkig was. Dan hadden we over drie jaar met hetzelfde probleem gezeten. We hadden een afspraak met Rogge dat we een goede kans zouden maken de zetel te behouden, als we met een goede kandidaat zouden komen. Eurlings kwam pas de laatste drie à vier maanden in beeld. We zijn als NOC*NSF heel blij met de benoeming van Camiel Eurlings als IOC-lid. Ik ben ook blij dat de benoeming bijna overal goed is gevallen. Kijk bijvoorbeeld naar de positieve reacties van Pieter van den Hoogenband en Richard Krajicek. Dat is in het verleden nog wel eens anders geweest.”

“Wanneer Camiel precies naar voren geschoven is als kandidaat weet ik niet meer precies, maar het is onzin dat hij dat al bedongen zou hebben toen hij voorzitter werd van Olympisch Vuur. Ik wil Camiel ook in bescherming nemen, want er zijn mensen die zeggen dat hij er een bende van heeft gemaakt als voorzitter van Olympisch Vuur. Ook dat is onzin. Hij heeft er achter de schermen heel hard aan getrokken en hij heeft zijn nek uitgestoken in een politiek ongelukkig speelveld. Helaas heeft dat voor Olympisch Vuur niet mogen baten.”

“NOC*NSF vindt het buitengewoon jammer dat de ambitie om de Olympische Spelen in 2028 naar Nederland te halen door het kabinet van tafel is geschoven. Achteraf is misschien het beeld ontstaan dat NOC*NSF het eigenlijk wel best vond, maar die beeldvorming klopt niet. Het was een mooie stip op de horizon, maar het plan had niet echt een eigenaar. Het is een beetje van de rails geraakt, omdat er een stroming op gang kwam die nu al meteen vol voor dat bid wilde gaan, terwijl het eerder vooral ging over Nederland naar een sportief hoger plan tillen. De beslissing voor een concreet bid was pas in 2016 gepland.”

“Het is op dit moment niet aan de orde, maar als NOC*NSF hebben we het nog niet uit ons hoofd gezet. Het kan zomaar dat we, als de economie weer wat aantrekt, in de tweede helft van dit decennium alsnog besluiten een bid te doen, dat kan ook nog voor 2028. Maar je moet wel reëel zijn. We zitten nu in een tijd van grote bezuinigingen en dan is het heel erg moeilijk. Maar ik vind dat je als nationaal olympisch comité altijd de ambitie moet hebben om olympische evenementen te organiseren. Dat hoort bij je verantwoordelijkheid.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.