Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan frits barend journalist

5 vragen aan Frits Barend, journalist

29 november 2016

Nieuws

Frits Barend behoeft eigenlijk geen introductie. Na de WK-finale van 1978 vroeg Barend aan de Argentijnse dictator Jorge Videla tijdens het slotdiner in Buenos Aires hoe het zat met de ‘verdwenen mensen’ onder de junta. Samen met Henk van Dorp vormde Barend in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw bij Vrij Nederland en later Nieuwe Revu een roemrucht duo, dat journalistieke onthullingen deed die tot in de Tweede Kamer werden besproken. Met diezelfde Van Dorp maakte Barend in de jaren negentig de eerste Late Night Talkshow op de Nederlandse televisie. Tegenwoordig maakt hij samen met dochter Barbara het tijdschrift Helden. Aanleiding voor dit gesprek is het succes van het blad Helden, maar ook Barends kritiek op het boek ‘Mijn gevecht’ van journalist Thijs Zonneveld en ex-wielrenner Thomas Dekker. Barend is naar eigen zeggen dag en nacht journalist. Een gesprek over journalistieke normen en waarden en over hoe het leven geleefd moet worden.

door: Leo Aquina | 29 november 2016

1. In De Wereld Draait Door zei je dat Thijs Zonneveld de erecode van de kleedkamer had doorbroken. Een journalist is er toch om dingen te onthullen... Waar ligt de grens?
“Vertrouwen is de basis van de journalistiek, en niet alleen van de journalistiek maar van het hele leven. Met het geheim van de kleedkamer bedoel ik dat er dingen in vertrouwen tussen spelers en speelsters gezegd kunnen worden, waarvan de betrokken weten dat het tussen hen blijft. Thomas Dekker heeft die erecode geschonden. Thijs Zonneveld had daar niet aan mee hoeven werken. Wim Kieft zat laatst bij Rondo en zei dat Michel van Egmond, die zijn biografie heeft geschreven, over sommige uitspraken van Kieft gezegd had: ‘Dat schrijf ik niet op.’ Als je iemand meeneemt over de grens van het privéleven, draait het om vertrouwen. Misschien verlies je een keer een primeur, maar je krijgt er veel overwinningen voor terug. Dat heeft niets met journalistiek te maken, maar met je houding in het leven."

"Later kwam Van Gaal een keer naar me toe en zei: ‘Ik moet bekennen dat je het vertrouwen niet hebt geschonden.’"

“Henk en ik hebben behoorlijk wat onthullingen gedaan in onze journalistieke carrière, maar we hebben ook primeurs laten lopen om het vertrouwen van bronnen niet te schaden. Het mooiste voorbeeld is misschien wel Louis van Gaal. Dat is toch niet mijn vriend, misschien wel een van de grootste vijanden uit mijn journalistieke carrière. Ik ben twee keer in vertrouwen iets te weten gekomen wat ik niet heb gepubliceerd, een keer van hemzelf. In beide gevallen zou het breaking news zijn geweest. De laatste keer was een jaar of twee geleden. Van Gaal had in gezelschap iets gezegd en alle aanwezigen op voorhand gevraagd dat niet te publiceren of een vinger op te steken als iemand zou twitteren. Hij had niet gezien dat ik in de zaal zat en daar maakte hij zich na afloop zorgen over. Toen heeft Truus, die ik al kende voor Louis haar leerde kennen, tegen hem gezegd: ‘Als Frits dat in vertrouwen heeft gehoord, brengt hij het niet naar buiten.’ Later kwam Van Gaal een keer naar me toe en zei: ‘Ik moet bekennen dat je het vertrouwen niet hebt geschonden.’ Ik zei: ‘Dat heb ik nog nooit gedaan’ en hij zei: ‘Dat klopt.’”

“Het argument dat we hiermee eindelijk kunnen laten zien hoe de wielersport er van binnen uit ziet, vind ik zo kinderachtig. Alsof we dat allemaal nog niet wisten. Zeg dan gewoon dat je een heleboel geld wilde verdienen met dat boek. Ze gingen naar de hoeren, nou en? Wat heeft dat met de wielersport te maken? Gaan voetballers nooit naar de hoeren? Of journalisten? Of politici? Ik kreeg op twitter waanzinnige reacties op mijn opmerkingen, bijvoorbeeld van Gio Lippens. Dat ik voor de doofpot zou zijn, wat een flauwekul, dat ik een journalist van oude stempel zou zijn. Ik ben voor vertrouwen in het leven. Ik heb nota bene het voorwoord bij de Nederlandse vertaling van het boek van David Walsh over Lance Armstrong geschreven. Voor hem heb ik diep respect. Hij is bedreigd, gedaagd, en toch ging hij door omdat hij wist dat Armstrong loog in een periode dat iedereen Lance aanbad. Dat was in mijn ogen onthullende topjournalistiek.”

2. Vertrouwen is belangrijk, maar ook jij bent als journalist vaak de confrontatie aangegaan. Hoe dicht mag een (sport)journalist bij zijn onderwerp komen?
“In de journalistiek verlies je vrienden en win je vijanden, heb ik ervaren. Henk hebben altijd met de ruggen tegen elkaar gestaan. Wij moesten elkaar vertrouwen. Ook als we het verschrikkelijk met elkaar oneens waren, kwam de buitenwereld het niet te weten. De Slavenburg-zaak was een van onze grootste onthullingen. Daar hebben we ook dingen gedaan die op het randje waren, maar we hebben het nieuws gekregen en we vonden het maatschappelijk belang groot. We konden laten zien hoe het bankwezen functioneerde en wat de kwalijke rol was van Wim Duisenberg, de toenmalige president van de Nederlandse bank. Die man heeft ons tot aan zijn dood gehaat.”

"Er is zelfs een periode geweest dat ik überhaupt niet in Rotterdam kon komen"

“In de sportjournalistiek hebben we het ook gehad, dat staat overigens los van het feit dat we periodes niet in een aantal stadions konden komen. Er is zelfs een periode geweest dat ik überhaupt niet in Rotterdam kon komen. Toen Louis van Gaal coach was van Ajax, ontstond er langzaam een zeer vijandige relatie met Ajax. Uri Coronel was bestuurslid en hij was een persoonlijke vriend voordat hij bestuurslid werd. Best lastig. Onze dochters zijn hartsvriendinnen, onze vrouwen tennissen samen. Op een gegeven moment was Uri de enige die mij bij Ajax altijd netjes bleef groeten. Later, toen het conflict tussen het bestuur van Ajax en Johan Cruijff tot een climax kwam, heb ik in een praatprogramma iets gezegd, waarna mijn kinderen mij vroegen een keer even niets meer te zeggen. Ik begreep ze. Toen heb ik Johan gebeld en gezegd dat ik mij terug zou trekken uit dat conflict. Het was mij de vriendschap met Uri en de vriendschap van onze kinderen niet waard. Johan zei: ‘Je hebt volkomen gelijk. Wij zijn nu 65 en je moet om mij geen ruzie krijgen met Uri… maar je moet om Uri ook geen ruzie krijgen met mij.’ Dat laatste zei hij er ook bij, dat vond ik mooi, heb ik ook tegen Uri gezegd.”

“Uri kende ik privé en Cruijff via het werk, maar we kenden elkaar vanaf ons twintigste. We hadden een open relatie met elkaar. Johan ging begin jaren zeventig naar Spanje en ik dacht 'een fascistische staat, wat moet je daar nou?' Later zei ik wel eens tegen Johan als voorbeeld dat journalistiek ons uit elkaar kon drijven: ‘Stel dat Henk en ik erachter komen dat je betrokken bent bij verkochte wedstrijden, of dat je geld hebt overgehouden aan een transfer, dan moeten we je wel bellen.’ Toen zei Johan: ‘Jullie zijn de eersten die mij moeten bellen. Als dat zo is, ben ik fout geweest en het is jullie werk om het te onthullen.’ Ik denk dat dat de basis vormde van onze relatie. We hebben ook wel aanvaringen gehad. Ik was het bijvoorbeeld totaal met hem oneens over keepers. Volgens mij moeten die in de eerste plaats ballen tegenhouden. Alles wat een keeper meer kan, is meegenomen. Dat was bij Johan andersom. We hebben er ook wel om gelachen. Dan zei hij tijdens een etentje tegen mijn vrouw: ‘Jij snapt het toch wel, maar Frits begrijpt niets van voetbal.’

"We spraken met een meisje en voelden dat er iets verborgen bleef. Dat is je journalistieke antenne"

3. In jullie tijd bij Vrij Nederland waren Henk van Dorp en jij roemruchte journalisten, scherp, inhoudelijk en niets ontziend. Hoe anders is de insteek van Helden?
“Die is niet veel anders. Met Helden zijn we storytellers, maar dat waren we vroeger ook. Fotografie is ook heel belangrijk. Helden is inmiddels veel meer dan een blad. Het begon ooit als tijdschrift en nu is het een mediabedrijf met Barbara als CEO. We maken bladen, tv programma’s, video’s, bedenken en voeren social media-strategieën uit. Deze zomer hebben we alle social content en andere content in aanloop naar en tijdens de Olympische Spelen voor TeamNL gemaakt. We werken voor partijen die mooie content willen, bonden en grote sportsponsors. We vertellen verhalen, maar vermijden de kritische vraag zeker niet. We hebben ook onthullingen gedaan. Het turnschandaal rond Frank Louter, die meisjes op hun rug liet vallen, die tegen ze zei dat ze niet ongesteld mochten worden en ze uitschold als ze wel ongesteld werden. We kwamen daar min of meer toevallig achter. Tien jaar nadat de turndames sportploeg van het jaar waren geworden, wilden we een verhaal over ze maken. We spraken met een meisje en voelden dat er iets verborgen bleef. Dat is je journalistieke antenne. We vroegen haar of ze de waarheid sprak. Toen vertelde ze dat ze wilde praten als de andere meisjes dat ook deden. Op die manier ging het balletje rollen. Heldenverhalen gaan ook over dingen die mis gaan. Vorig jaar waren we bij Rafael van der Vaart in Sevilla toen hij in de kleedkamer hoorde dat hij op de tribune zou zitten. Een held verliest ook. Nu we het toch over Rafael hebben, in de nieuwe Helden staat een heel kritisch interview met hem en zijn vriendin Estavana Polman (zegt hij met een lichte ironie, red.).”

“Voor Vrij Nederland maakten we niet alleen sportverhalen, maar ik vind sportjournalistiek niet minder belangrijk dan andere journalistiek. Sport is een spiegel van de samenleving Ik voetbal nog elke week. Iedereen vindt tegenwoordig dat de gewone man moet worden gehoord. Die gewone man staat op het voetbalveld. Ik speel bij SC Buitenveldert. In de afgelopen weken heb ik tegen Real Sranang gespeeld, tegen Zuid-Oost United en tegen AGB, een volledig Turkse club. Op die manier kom ik alles tegen waar de maatschappij op dit moment problemen mee heeft."

"Natuurlijk hebben veel spelersinterviews voor een reclamebord weinig diepgang, maar hoe zit het met al die politieke journalisten?"

"Henk en ik hebben altijd over sport geschreven en veel onderwerpen die we tegenkwamen, zag je vijftien tot twintig jaar later terugkomen in de maatschappij: het eerste vrouwenvoetbal, de acceptatie van homo’s, integratie. Natuurlijk kun je ervoor kiezen alleen over die bal op de paal te schrijven. Daar is niets mis mee, maar zo zijn Henk en ik, en ook Barbara, nooit geweest. Iedereen moet voor zichzelf weten hoe hij ermee omgaat. Natuurlijk hebben veel spelersinterviews voor een reclamebord weinig diepgang, maar hoe zit het met al die politieke journalisten? Zestien uur bij een dichte deur staan wachten op het Binnenhof voor een quootje, hoeveel voeling met de maatschappij heb je dan?”

4. Je legt zelf al het verband tussen sport en maatschappij. Als lid van de Amsterdamse Sportraad heb je op dat vlak ook een bestuurlijke rol. Cruijff zag het liefst oud-topsporters als sportbestuurders. Was je dat met hem eens? En wat is precies jouw rol in de Sportraad?
“Ik denk niet dat een goede sportbestuurder per se een goede sporter moet zijn geweest, maar een bestuurder moet wel begrijpen dat hij in dienst staat van de sporters en niet andersom. Dat is denk ik ook wat Johan bedoelde. In Duitsland heb je nu veel jonge trainers, die op de tekentafel over voetbal nadenken. Ik vind het hartstikke interessant, maar je moet natuurlijk ook de juiste intuïtie hebben. Als iemand negentig procent goede passes verstuurt, maar al die passes gaan naar de vrije linksback of naar de keeper, dan zegt het niets over zijn kwaliteiten. Maar als het slim wordt gedaan, kun je er toch alleen maar winst uithalen?"

"Wat Johan misschien nog wel eens over het hoofd zag is dat veel van die trainers vroeger wel op niveau hebben gespeeld, maar misschien de top net niet hebben gehaald omdat ze geblesseerd raakten. Waar ik me echt aan erger als ik naar voetbal kijk op het hoogste niveau, zijn de voorzetten. Een voetballer die ervoor betaald krijgt moet de bal uit een corner toch altijd tussen de eerste en de tweede paal kunnen leggen?”

"Ik ben zelf niet echt een geboren bestuurder, maar ik kom overal. Ik ben meer het Amsterdamse straatjochie dat weet wat er overal speelt"

“Maar we hadden het over bestuurders. Ik denk dat de Nederlandse sportbestuurders over het algemeen behoorlijk goed begrijpen dat ze in dienst staan van de sporters. Dat is internationaal nog wel eens anders. De Sportraad in Amsterdam functioneert fantastisch. Dat komt omdat we een heel goede voorzitter hebben in Robert Geerlings. Hij gaat helaas weg. Over de opvolger kan ik nog niets zeggen. We hebben ook een goed bureau en we hebben veel voeling met de Amsterdamse sportwereld. We willen ervoor zorgen dat er op zoveel mogelijk plekken in Amsterdam in alle geledingen zoveel mogelijk mensen in aanraking komen met sport. Dat is misschien nog wel belangrijker dan cultuur. Ik ben zelf niet echt een geboren bestuurder, maar ik kom overal. Ik ben meer het Amsterdamse straatjochie dat weet wat er overal speelt.”

“Natuurlijk gaat er wel eens wat mis op het sportveld. Maar gebeurt dat op straat ook niet? Een dode grensrechter in vijftig jaar voetbal? Dat is er een teveel, vreselijk, walgelijk, geen woorden voor, maar kijk eens om je heen in de maatschappij. Sport kan veel betekenen. Ik heb een paar keer gevoetbald op Mallorca, daar heb ik veel van geleerd. Toen ik een jaar of twintig was had mijn schoonmoeder daar een huisje. Jaime, de zoon van de eigenaar van het lokale restaurant, vroeg me of ik niet eens mee wilde trainen. Dat deed ik en ze vroegen me meteen of ik die zondag ook mee wilde spelen. Wij die zondag naar een dorp vijfentwintig kilometer verderop. Stel je voor: vijfhonderd man rond een gravelveld en een keiharde wedstrijd. We eindigden negen tegen negen en ik had me ook niet onbetuigd gelaten. Ik hoorde ze praten over ‘El Rojo’, die rooie. Dus toen we het veld afliepen, zei ik tegen Jaime, de enige die Engels sprak, ik kom even naast jou lopen voor de veiligheid want ik heb geen zin in een pak op m’n donder. Ik zag de bui al hangen. Hij keek me verbaasd aan. ‘Hoezo?’ We gingen - koud - douchen en na de wedstrijd stonden er tafels klaar, waar de tegenstander ons ontving voor een maaltijd. Op het veld bikkelhard, na de wedstrijd amigos para siempre. Zo moet de sport bedreven worden, zo moet het leven bedreven worden. Dat wil ik in de Sportraad ook uitdragen.”

5. Je refereerde eerder in dit gesprek aan je leeftijd, je zei ‘65 wat zal ik me nog druk maken’. Welke ambities heb je nog?
“Dat was eenmalig en licht ironisch, natuurlijk maak ik me nog druk. Dat zit in onze generatie, denk ik. Er is me al vaak gevraagd om een autobiografie te schrijven, maar het komt er niet van. Mijn vrouw Marijke is op dit moment bezig met een bijzonder boek. Ze is Neerlandica, gepromoveerd in zeventiende-eeuwse literatuur. Een jaar of vijf, zes geleden is ze aan een boek begonnen, over hoe onze levens samenkomen. Ze was geïnspireerd door een theatervoorstelling van Diederik van Vleuten, die zijn familiegeschiedenis vertelde aan de hand van zijn oom Jan. Marijke ging onderzoek doen naar onze achtergronden; mijn ouders die de oorlog hebben overleefd als joden maar tegelijk heel veel familie en vrienden zijn kwijtgeraakt en haar ouders en zusjes die een kamp in Indië hebben overleefd.”

"Helden, ik voetbal nog iedere week, ik stap regelmatig op de racefiets, kleinkinderen. Daar gaat veel tijd inzitten”

“Het is fascinerend wat er allemaal naar boven komt. Ze heeft dingen ontdekt over mijn tante Leen, waar ik vroeger altijd met mijn nichtje op bezoek moest. Als kind vond ik dat eigenlijk altijd vervelend, maar als ik nu zie wat die allemaal heeft meegemaakt in de oorlog. Ik heb mijn nichtje, ze woont nu in Amerika, daar laatst over gebeld. Oh my god, zei ze. Marijke komt met onthullingen over een Nederlandse ambtenaar, er kwamen verhalen naar boven… Er zal straks een Nederlandse semi-overheidsinstantie niet blij zijn. Het boek wordt op 7 april gepresenteerd aan de burgemeester van Amsterdam, Eberhard van der Laan. Het houdt me bezig, het is ons boek, maar het is eigenlijk Marijkes project. Of ik zelf nog nieuwe projecten op stapel heb staan? Ik heb nog altijd twee sleutelromans in mijn hoofd, die autobiografie, maar ik kom er niet toe. Helden, ik voetbal nog iedere week, ik stap regelmatig op de racefiets, kleinkinderen. Daar gaat veel tijd inzitten. In de voetbalkleedkamer had die hele discussie over het ondefinieerbare vertrouwen van de kleedkamer nog een grappige bijomstigheid. De zaterdag daarop zeiden mijn medespelers tijdens het omkleden bij elke opmerking: ‘Dat komt allemaal in mijn boek'.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.