Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan evert jan hulshof algemeen directeur van de knltb

5 vragen aan Evert-Jan Hulshof, algemeen directeur van de KNLTB

26 maart 2013

Nieuws

door: Leo Aquina | 26 maart 2013

1. Je bent al vijftien jaar directeur van de KNLTB. Je bent nu 47, dus bij je aantreden was je 32 jaar. Wat waren de overwegingen van de KNLTB destijds om zo'n jonge directeur aan te stellen en wat stond er destijds op jouw cv?
“Toen ik directeur werd van de KNLTB was ik al vijf jaar werkzaam bij de bond. Van huis uit ben ik een tennisser. Ik heb geroken aan het profcircuit en zelfs nog een paar ATP-puntjes gehaald. Daarnaast heb ik fiscaal recht gestudeerd en een marketingopleiding gedaan. Als tennisser had ik geregeld kritiek op de bond, zoals misschien wel elke goede speler betaamt. Op een gegeven moment dacht ik: ´okay, je kan wel kritiek hebben, maar dan moet je er zelf ook iets aan doen.´ Toen heb ik bij de bond gesolliciteerd en ik werd aangenomen als projectcoördinator wedstrijdtennis. Na een half jaar werd ik al gepromoveerd tot manager wedstrijdtennis Dat werk is eigenlijk de kern van de bond. Daar regelde ik bijvoorbeeld alle competities, toernooien en het speelsterktesysteem. Het is ook een complex deel van de organisatie, mede omdat je te maken hebt met heel veel vrijwilligers en een aantal beroepskrachten met veel passie voor ´hun´ tennissport."

“Het managen van wedstrijdzaken was precies in mijn straatje, maar na vijf jaar was ik toe aan een nieuwe uitdaging. Op dat moment was er juist voor de tweede maal in korte tijd een directeur weggegaan. Eigenlijk lag er voor die functie een zwaar managementprofiel: iemand van een jaar of vijftig met twintig jaar managementervaring. Ik ben gewoon op het bestuur afgestapt en heb mijn ambitie kenbaar gemaakt. Ik heb er ook bij gezegd dat ik het belangrijk vond dat er iemand uit de organisatie zelf naar voren werd geschoven, gezien de recente ervaringen met twee mensen van buiten. Het bestuur heeft mij op basis van mijn prestaties en ervaring als manager wedstrijdtennis de kans gegeven. Ik moest binnen twee jaar een automatiseringstraject en een reorganisatie doen. Afspraak was dat ik weg zou gaan als het na twee jaar niet was gelukt. Het is een heel intensieve periode geweest, maar ik had de automatisering binnen twee jaar rond en binnen het budget. Daarnaast was ik erin geslaagd de bond te professionaliseren, onder andere door het reorganiseren van vijftien districtskantoren tot vijf regiokantoren.”

2. In het persbericht waarin je vertrek wordt aangekondigd, staat dat de KNLTB onder jouw bewind uitgroeide tot een servicegerichte organisatie voor meer dan 1.700 verenigingen en 650.000 tennissers. De afgelopen jaren is er echter een daling in het ledenaantal. In het Meerjarenbeleidsplan 2004-2008 was een doelstelling uitgesproken van een ledenstijging naar 750.000. Dit aantal is destijds niet gehaald. Hoe verklaar je die cijfers en trek je je dat persoonlijk aan?
“Het Meerjarenbeleidsplan 2004-2008 (Samen Sterker) had inderdaad een kwantitatieve doelstelling. Toen is er nadrukkelijk gekozen om meer focus te krijgen op ledengroei. Dat we niet op die 750.000 zijn uitgekomen, heeft verschillende oorzaken. Er zijn dingen die je kunt beïnvloeden en zaken waar je geen vat op hebt. Er is natuurlijk sprake van concurrentie. Dan heb ik het niet alleen over andere sporten, maar ook bijvoorbeeld over gaming, computers. De vrijetijdsmarkt heeft steeds meer te bieden. Daar moet de tennisbond een antwoord op vinden.”

“Als je naar de dalende ledenaantallen van de afgelopen jaren kijkt, speelt bijvoorbeeld de economische crisis ook een rol. Die terugloop van leden is een zorgpunt. Tennisverenigingen hadden jarenlang wachtlijsten. Er gingen jaarlijks zo’n 90.000 leden weg, maar het goede nieuws was dat er ook meteen weer 90.000 bijkwamen. Hiermee bleef het ledenaantal stabiel. Dat gaat niet meer op. Je moet jezelf de vraag stellen: hoe komt het en wat doen we eraan?”

“Aan het huidige beleidsplan 2009 – 2013 (Passie voor Tennis) heeft daarom veel marktonderzoek ten grondslag gelegen, bijvoorbeeld naar trends in vrijetijdsbesteding. Toen hebben we juist gekozen voor een kwalitatieve doelstelling in plaats van een kwantitatieve doelstelling. We hadden dus geen doelstelling voor wat betreft aantallen. Maar als je het ledenaantal over een groot aantal jaren bekijkt zitten we al meer dan twintig jaar vrij stabiel rond de 700.000. Dat is een enorm hoog aantal voor een sportbond. Mensen vergeten wel eens dat we daarmee ruimschoots de tweede bond van Nederland zijn. Ook internationaal kunnen we de vergelijking goed doorstaan. De KNLTB behoort wereldwijd (meer dan tweehonderd tennislanden) tot de absolute top op het gebied van organisatiegraad.”

 “Als je me vraagt of ik mij de daling in ledenaantallen persoonlijk aantrek? Nee, de verenigingen zijn erin geslaagd het ledenaantal stabiel hoog te houden. Het wordt in dit kader wel steeds belangrijker om sneller en doeltreffender in te spelen op omgevingsveranderingen.
Hier ligt natuurlijk een rol voor de KNLTB om verenigingen daarbij te ondersteunen met de juiste producten, activiteiten en diensten. En het is ook altijd nog maar de vraag wat de autonome ontwikkeling geweest zou zijn zonder ons beleid. Misschien was het ledenaantal dan wel met 200.000 gedaald.”

3. Bij de zorg om teruglopende ledenaantallen stelde je zelf de vraag: hoe komt het en wat doen we eraan? Heeft de KNLTB daar een antwoord op?
“We hebben natuurlijk een analyse gemaakt van die 90.000 mensen die jaarlijks weggaan. Je ziet bijvoorbeeld dat van degenen die stoppen met tennis, het grootste deel binnen twee jaar stopt. Iemand die al tien jaar lid is, raak je niet zo snel kwijt. Het is dus belangrijk om mensen die binnenkomen langer vast te houden. Daarom hebben we verschillende programma’s ontwikkeld om verenigingen te helpen deze leden te behouden. Er zijn allerlei redenen aan te wijzen waarom mensen weglopen. Tennis is voor veel kinderen de tweede sport. Gebrek aan tijd wordt vaak genoemd als reden om ermee te stoppen. En als er in tijden van crisis keuzes gemaakt moeten worden, is de tweede sport ook kwetsbaar. Een ander punt dat vaak wordt aangedragen, is dat tennis een moeilijke sport is. De al eerder genoemde toenemende concurrentie op de vrijetijdsmarkt is ook een ontwikkeling waar we als bond op moeten inspelen.”

“Gebrek aan tijd kun je ook omdraaien in je voordeel. Teamsporten leggen een enorm beslag op de tijdsbesteding van kinderen en tennis is veel flexibeler te plannen. Daar proberen we verenigingen bewust van te maken. Ook op het feit dat tennis een moeilijke sport is, proberen we in te spelen door nieuwe varianten te introduceren die de sport nog veel toegankelijker maken. Zo gaan we in september van dit jaar van start met tenniskids. Dat is een programma voor de jeugd van vijf tot twaalf met aangepaste rackets en aangepaste ballen. Kinderen kunnen op die manier enorme rally’s spelen. We leiden op dit moment duizend tennisleraren op voor dat programma en er worden straks ook wedstrijdjes in gespeeld. Het zal een enorme verandering in het tennislandschap teweegbrengen.”

“Bij het opstellen van het huidige beleidsplan hebben we met Maarten van Bottenburg onderzocht welke megatrends er zijn en waar de tennisbond op in zou moeten spelen, zoals bijvoorbeeld informatisering en digitalisering. We hebben bijvoorbeeld een digitaal afhangbord ontwikkeld en uitgerold. Je hangt niet meer je lidmaatschapskaart op een bord, maar er is een scherm waar je een pas doorheen kunt halen om een baan te reserveren. Dat digitale afhangbord is al in gebruik bij zeshonderd verenigingen. Het kan ook op afstand werken, dat leden van thuis uit een baan boeken voor een later tijdstip. Daarnaast verschaft het afhangbord op deze manier waardevolle informatie aan de vereniging over het speelgedrag van hun leden.”

“Er blijft altijd een zeker spanningsveld tussen consumentisme en het verenigingswezen. Overigens zijn er in het tennis al sinds 1946 gescheiden markten tussen commerciële aanbieders van indoortennis in het winterseizoen en de tennisverenigingen in het buitenseizoen. Die twee versterken elkaar ook. Als tennisbond hebben we in het verleden wel overwogen om ook iets te doen met dat commerciële circuit. Er zijn zelf pilots geweest, maar we hebben uiteindelijk gekozen om dat niet te doen. Ik geloof nog altijd heel sterk in de kracht van verenigingen. Die zullen zich wel meer aan moeten passen dan vroeger, maar de verenigingen zijn sterker dan veel mensen denken.”

4. Onlangs heeft de KNLTB plannen aangekondigd om de bond verregaand te herstructureren. In het plan KNLTB 3.0 staan de vier C’s centraal: Clubs, Coaches, Competitie en Courts. Wat houdt KNLTB 3.0 in en staan die vier C’s niet sowieso centraal bij de werkzaamheden van de bond?
“Die vier C’s zijn inderdaad voor de hand liggend, maar als je het in deze vorm giet, blijft het beter in het bewustzijn van de mensen hangen. Het zijn belangrijke zaken die voorop moeten staan in alles wat er binnen de bond gebeurt. Met KNLTB 3.0 willen we de organisatie herinrichten om modernisering mogelijk te maken en om een aantal besparingen te doen. Zestig procent van de inkomsten van de tennisbond is afkomstig van de leden dus als de ledenaantallen teruglopen, moet je nog kritischer naar het geld kijken.”

“Regeren is vooruitzien. We zijn in het verleden van vijftien districtskantoren naar vijf regiobureaus gegaan. Dat heeft geleid tot kwaliteitsverbetering en kostenbesparing. Uiteindelijk is het daarna een logische stap naar één centraal bondsbureau, maar dat was op dat moment nog niet mogelijk. Daarvoor moesten we ook de bestuurlijke organisatie reorganiseren, slagvaardiger en geen dubbele petten, dat was KNLTB 2.0. Op dit moment zijn we al bezig met de organisatievernieuwing van de beroepsorganisatie richting KNLTB 3.0. Zo vindt de komende weken al de eerste verhuizing van een regiokantoor plaats. Het komende half jaar wordt gewerkt aan het beleidsplan voor 2014 en verder, daarin worden de vier C’s inhoudelijk verder uitgewerkt.”

5. Tot slot: wat heeft je doen besluiten te vertrekken? Wat waren je hoogte- en dieptepunten bij de KNLTB en wat zijn je toekomstplannen?
“Ik ben inmiddels toe aan mijn vierde bestuur en mijn vierde meerjarenplan. Er zijn vele dingen die ik allemaal al eens heb gezien. Op een gegeven moment stel je jezelf de vraag of je nog eens dat traject in wil gaan. Toen ik begon als directeur dacht ik dat ik het zo’n acht tot tien jaar zou doen. Dat is vijftien jaar geworden. Het is voor mij gewoon tijd om een nieuwe stap te maken. Wat dat precies wordt, weet ik nog niet. In eerste instantie wil ik even wat gas terugnemen om er daarna weer vol tegenaan te gaan. Dat kan binnen de sport zijn, maar ook daarbuiten. Maatschappelijke relevantie is daarbij wel belangrijk. In sportorganisaties, brancheorganisaties en onderwijs kunnen nog belangrijke stappen voorwaarts worden gemaakt. Daarbij gaat het onder meer over thema’s op het gebied van governance, professionalisering en kwaliteit van dienstverlening, inclusief nieuwe cq. andere bedieningsconcepten. Juist hiermee heb ik me binnen en buiten de KNLTB de afgelopen jaren intensief bezig gehouden.”

“Als je me vraagt naar hoogtepunten denk ik in eerste instantie toch aan de Davis Cup. Het bereiken van de halve finales in 2001, of de thuiswedstrijd tegen Zwitserland vorig jaar in Amsterdam, met Roger Federer. Marco Borsato trad tijdens een regenpauze op en het publiek was dolenthousiast ondanks het weer. Persoonlijk ben ik erg trots op de ontwikkeling van het Dynamische Speelsterkte Systeem, waardoor jaarlijks meer dan 1,3 miljoen uitslagen worden ontsloten op de persoonlijke pagina’s van onze leden en in de app, op basis waarvan hun rating wordt bepaald. Maar een ander hoogtepunt is - ieder jaar weer - het begin van de competitie. Dat er weer 40.000 teams, in totaal meer dan 200.000 tennissers, gaan spelen. Dat iedereen in de lente op weg is naar de tennisbaan. Daar doe ik het voor. Dieptepunten zijn er ook geweest. Dan denk ik meteen aan die keer dat we een vrijwilliger zouden eren omdat hij veel voor de sport had betekend. Op het moment dat hij de onderscheiding kreeg opgespeld, viel hij dood neer. Ook de vertraging rond de ingebruikname van ons nieuwe automatiseringsprogramma beschouw ik als een fikse tegenvaller.”

“Wat ik het meest zal missen, is de samenwerking met vrijwilligers en medewerkers. We hebben bij de KNLTB heel veel goede mensen rondlopen. Aan de andere kant krijg ik mijn hobby terug. Toen ik hier binnenkwam, maakte ik van mijn hobby mijn werk. Natuurlijk is het altijd mijn hobby gebleven. Als ik met mijn competitieteam op de baan sta, is het hartstikke leuk, maar het had toch ook altijd te maken met mijn werk. Mensen spreken je daar ook op aan. Als ik straks op de baan sta, kan ik dat allemaal weer meer van de zijkant bekijken. En wat ik zeker niet zal missen, zijn de veel te lange (bestuurs)vergaderingen.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.