16 juli 2013
Nieuws
1. Hoe ben je na een carrière als topsporter in je huidige baan terechtgekomen?
“Toen ik in 1998 stopte met atletiek wist ik eigenlijk niet zo goed wat ik wilde. Ik had een HEAO-studie afgerond en ik was begonnen aan een studie bedrijfskunde. Dat laatste had ik niet afgemaakt omdat het niet te combineren was met topsport. Ik had eigenlijk niet zoveel zin om die studie weer op te pakken en ik had al een HEAO-diploma. In de zomer heb ik eerst een tijdje commentaar gegeven bij atletiekwedstrijden voor Canal+ en toen kwam vrij snel de kans om bij Global Sports Communication aan de slag te gaan als atletenmanager. Jos Hermens (directeur/eigenaar, red.) was al mijn manager toen ik nog liep, dus we kenden elkaar goed.”
“Als atletenmanager had ik wel voordeel van mijn eigen ervaring als topsporter. Je kunt je goed in een atleet verplaatsen en je weet vaak wat wel en niet prettig is. Ik heb in dat werk ook veel geleerd dat ik tijdens mijn topsportcarrière goed had kunnen gebruiken. Ik was als sporter altijd panisch om een training te missen. Ik heb vaak doorgelopen met allerlei pijntjes en dat had lang niet altijd gehoeven. Als manager heb je meer een helicopterview en dan zie je zoiets beter. Maar in mijn huidige werk ben ik ook nog altijd veel met details bezig. Ik ben heel perfectionistisch.”
“Voor een atleet is de wedstrijdplanning superbelangrijk, maar het is lang niet altijd mogelijk om die planning perfect op de wensen van een atleet aan te passen. Aankomende atleten zijn nu eenmaal niet altijd in de positie om een startplaats af te dwingen. Zij moeten soms de kansen pakken die geboden worden, ook al past dat niet perfect in een planning. Afrikaanse atleten gaan daar veel relaxter mee om. Ze maken zich minder druk om dingen die ze toch niet onder controle hebben en daarom zit het ze ook minder in de weg. Daar kunnen Europeanen veel van leren. Dat wil niet zeggen dat Afrikaanse atleten per definitie makkelijker te managen zijn. Je hebt weer te maken met andere problemen, visa bijvoorbeeld. Vroeger waren ze vaak ook moeilijk te bereiken, maar tegenwoordig heeft iedereen gelukkig een mobiele telefoon.”
2. Jullie hebben bij het kantoor van Global Sports Communication ook een atletenhuis. Hoe ver gaat de begeleiding van jullie atleten en aan welke voorwaarden moeten atleten voldoen om voor jullie begeleiding in aanmerking te komen?
“We hebben inderdaad een atletenhuis waar ongeveer dertig atleten kunnen verblijven. Wie daar zitten, is heel wisselend. In de zomer zijn het er veel meer dan in de winter, dat heeft natuurlijk met het aantal wedstrijden te maken. Het is voor atleten die uit Afrika, Amerika of Brazilië komen een uitvalsbasis voor wedstrijden in Europa. Zij hebben in het atletenhuis een slaapplek en een gezamenlijke ruimte. Het zit dicht bij de atletiekbaan en het bos waardoor ze er goed kunnen trainen. Bovendien kunnen ze altijd terugvallen op allerlei vormen van begeleiding zoals bijvoorbeeld fysiotherapeuten en coaches die bij ons werken.”
“Atleten hebben vaak persoonlijke coaches, maar wij hebben ook coaches in dienst. We bieden sportmedische begeleiding en regelen eigenlijk alles op organisatorisch vlak. Daar ligt bij ons een filosofie aan ten grondslag. We willen geen atleten die erop uit zijn om op korte termijn zoveel mogelijk geld te verdienen. We willen iemand echt in zijn carrière begeleiden, zorgen dat ze het maximale uit hun carrière halen en op de grote toernooien mee strijden om de medailles. We hebben geen limieten of iets dergelijks om wel of niet met atleten te werken. We kijken naar de potentie van atleten. Een scoutingsapparaat hebben we niet echt, maar we hebben in verschillende landen coaches die om zich heen kijken. En we gaan ook naar jeugdkampioenschappen om atleten te bekijken. Het is daarbij wel altijd de vraag hoe jong je begint met atleten. Jeugdatleten hebben wij nog niet zoveel te bieden, want die zijn nog niet toe aan de grote wedstrijden. Het is ook erg moeilijk in te schatten hoe een kind van veertien jaar zich zal ontwikkelen tot volwassen atleet. De jongste atleten waar wij contracten mee aangaan zijn zo’n zeventien à achttien jaar.”
“Hoe ver de begeleiding gaat? Toen ik nog atletenmanager was vroegen mensen me wel eens of dat een fulltime baan was. Dat vind ik wel grappig, het is veel meer dan dat. Als manager regel je eigenlijk alles om een atleet heen. Je doet onderhandelingen met wedstrijden, je regelt vliegtickets, accommodaties, maar ook sponsorcontracten. Wij begeleiden ruim 130 atleten. Het is een totaalpakket. Als manager krijgen wij een percentage van de inkomsten. Dat is wereldwijd standaard ongeveer vijftien procent.”
“Wat ik het leukst vind aan dit werk is de band die je opbouwt met atleten. Je ziet een jonge talentvolle atleet binnenkomen en die zie je doorgroeien tot een volwaardige topatleet. Natuurlijk komt er ook wel eens een eind aan zo’n band. Vaak is dat het geval met vrij jonge atleten, van wie we toch niet meer verwachten dat ze niet meer echt kunnen doorgroeien naar de grote internationale wedstrijden. Dat is waar wij werken. Als een atleet niet verder komt dan de kleinere wedstrijden heeft hij ook niet zoveel aan ons. Dan kan hij beter werken met iemand die in dat circuit actief is.”
3. Jullie werken vanuit Nijmegen met een internationale atletenstal. Jij won zelf in 1992 goud op de Olympische 800 meter in Barcelona, het laatste Nederlandse olympische atletiekgoud. Hebben jullie nog speciale aandacht voor Nederlandse atleten?
“We hebben Nederlandse atleten onder contract, maar we zijn internationaal gericht. Natuurlijk is de Nederlandse atletiek een belangrijke zorg voor ons, maar ik heb wel het gevoel dat de laatste jaren het tij weer een beetje aan het keren is. Er komt steeds meer talent bovendrijven en dat zie je vooral op juniorenkampioenschappen. Daarnaast is iemand als Churandy Martina natuurlijk ook enorm belangrijk als boegbeeld. Waarom er de laatste jaren meer talent lijkt door te stromen? Dat heeft deels te maken met het geluk van een sterkere lichting, maar het is zeker ook een gevolg van het beleid dat een aantal jaar geleden is ingezet. Talentherkenning is belangrijk en er wordt meer gedaan om coaches te faciliteren. Als coaches vanwege hun werk alleen in de avonduren met atleten kunnen werken, is dat erg lastig. Daar is de afgelopen jaren veel aan gedaan en ik hoop dat de Atletiekunie dat vast kan houden. Dat is moeilijk want NOC*NSF heeft een aantal topsportkeuzes gemaakt die niet allemaal even gunstig zijn voor de atletiek.”
4. Tegenwoordig ben je geen atletenmanager meer, maar eventmanager. Wat houdt die functie in?
“De laatste jaren heb ik het werk als atletenmanager en eventmanager steeds meer gecombineerd, maar dit jaar ben ik voor het eerst fulltime bezig met eventmanagent. Als atletenmanager en eventmanager heb je natuurlijk wel eens tegengestelde belangen. Het kan op kantoor ook wel gebeuren dat collega’s daardoor tegenover elkaar komen te staan. We zijn daar heel eerlijk en open in en daardoor kunnen we het ook altijd samen oplossen. Het samenstellen van een deelnemersveld voor evenementen is heel intensief. Je krijgt voor alle onderdelen duizenden aanmeldingen en je wil altijd zo’n sterk mogelijk deelnemersveld neerzetten voor het beschikbare budget. Dat vind ik het leukste aspect aan het werk en ik ben er heel fanatiek in. Je wil natuurlijk zoveel mogelijk wereld- en olympisch kampioenen, maar je wil ook zorgen dat je echt mooie wedstrijden krijgt. Dat is een enorme puzzel.”
“De Diamond League-wedstrijd in Sjanghai is ons grootste evenement. Dat organiseer ik natuurlijk niet in mijn eentje, maar ik ben wel projectleider. We zijn in 2005 in Sjanghai begonnen en toen in 2010 de Diamond League van start ging, is de wedstrijd daar onderdeel van geworden. De Diamond League is een serie van veertien internationale topwedstrijden. Als organisatie moet je voldoen aan enorm veel eisen. Die eisen zijn verdeeld in elf categorieën, zoals het niveau van de atleten, de mediafaciliteiten, een goed gevuld stadion. Op al die categorieën moet je goed scoren. Het is een uitdaging om dat in China te doen, want er zijn natuurlijk enorme cultuurverschillen. In China is sprake van een hele strike hiërarchie. Je kunt enorm veel bespreken, maar als je niet met de juiste personen om de tafel zit, gebeurt er helemaal niets. Chinezen zijn ook niet gewend om risico te nemen. Als je binnenkomt met de gedachte van ‘oké, we gaan ervoor!’, dan loop je vaak tegen muren aan. Ze zijn erg bang om fouten te maken, dus doen ze vaak maar liever niets, want dan gaat het ook niet fout.”
“Naast Sjanghai zijn we betrokken bij de FBK Games in Hengelo, waarvoor we het deelnemersveld samenstellen. En dit jaar doen we voor het eerst de Flame Games in Amsterdam. Met de Flame Games willen we een nieuw evenement neerzetten waarbij we de sport combineren met entertainment, maar het is natuurlijk wel een topsportevenement. Het budget is nog beperkt, maar we willen wel de beste atleten aan de start hebben. De FBK-games zijn een monument in de Nederlandse atletiek, maar ze hebben het moeilijk. De plannen van FC Twente om het stadion over te nemen zijn van de baan, maar er moet nog altijd bezuinigd worden. We willen graag met de gemeente meedenken over de exploitatie van het stadion, want de FBK Games zijn enorm belangrijk voor de Nederlandse atletiek.”
5. Naast je werk bij Global Sports Sports Communication ben je ook bestuurslid met de portefeuille ‘topsport’ bij de atletiekunie en bestuurslid bij de EK atletiek 2016 in Amsterdam. Wat houdt dat precies in en wat zijn je bestuurlijke ambities?
“Die portefeuille topsport bij de Atletiekunie doe ik samen met Chiel Warners. Ik denk dat het belangrijk is dat wij als oud-atleten een rol hebben in het bestuur. Het is vooral een beleidsmatige functie en dat vind ik best moeilijk want ik ben echt een doener. Of er tegenstrijdige belangen zijn met mijn werk bij Global Sports Communication? Ik ben het in de praktijk nog niet echt tegengekomen. Maar als er een belangenconflict zou zijn omdat ik twee petten opheb, moeten we daar heel open in zijn. Het is een beleidsmatige functie dus heel direct ingrijpen of mensen bevoordelen is niet aan de orde. Dat zou natuurlijk ook wel heel erg dom zijn, want iedereen kan het zien.”
“Bij de EK 2016 ben ik bestuurslid. Ik heb geholpen bij de lobby om het toernooi naar Amsterdam te halen, maar je moet mijn rol daarin niet overdrijven. We hebben het met een heel team gedaan en Rien van Haperen heeft die kar echt getrokken. Bij de presentatie van het bid hebben wethouder Eric van der Burg en André Bolhuis (voorzitter NOC*NSF, red.) een belangrijke rol gespeeld. Mijn achtergrond als topsporter heeft wel geholpen want daardoor kende ik veel mensen in de council van European Athletics. Daarnaast speelt de wil om te winnen ook mee. Die was er in het hele team. We hebben over alles wat we tijdens die bidprocedure hebben gedaan heel erg goed nagedacht. Maar waarom je zo’n toernooi dan uiteindelijk binnenhaalt, dat is moeilijk te zeggen.”
“Mijn bestuurlijke ambities? Ik ben in 2005 eens in de race geweest voor een bestuursfunctie bij de IAAF, maar ik ben toen niet gekozen en dat was eigenlijk maar goed ook. Ik had op dat moment nog helemaal geen bestuurservaring en ik had totaal geen idee hoe die wereld werkte. Op dit moment is Nederland heel goed vertegenwoordigd door Sylvia Barlag. Zij zit in de council van de IAAF en dat is superknap. Er is nooit zoveel aandacht voor, maar de positie die zij heeft binnen de IAAF is echt fenomenaal. Het is voor een klein landje als Nederland echt heel belangrijk om daar invloed uit te kunnen oefenen. Zelf ambieer ik dat niet meer. Het ligt mij ook niet heel erg. Ik voel mij het meest senang als ik heel praktisch zaken kan organiseren.”Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.