door: Leo Aquina | 26 november 2013
1. Wanneer en hoe ben je op de afdeling sport van de gemeente Amsterdam terechtgekomen en waar ben je als je nu terugkijkt op 26 jaar Amsterdams sportbeleid het meest tevreden over?
“Ik ben in 1980 bij de gemeente Amsterdam begonnen. Daarvoor werkte ik als adviseur voor het Centraal Instituut Midden- en Kleinbedrijf. Bij de gemeente heb ik eerst zeven jaar op economische zaken gewerkt en toen kwam er een vacature 'hoofd beleid' op de afdeling sport en recreatie. Dat was het begin van mijn loopbaan in de sport. Ik kom uit een sportieve familie: voetballen, hardlopen, tennissen. Geen grote talenten, maar we deden thuis veel aan sport en dat was ook echt mijn passie. Toen ik economie ging studeren heb ik er nooit over nagedacht om ooit in de sport aan het werk te gaan, maar op een gegeven moment bood de kans zich aan.”
“Organisatorisch is er in de loop der jaren veel veranderd als het gaat om sportbeleid in Amsterdam. Dat heeft te maken met de bestuurlijke inrichting en met de stadsdelen die vanaf 1990 verantwoordelijk werden voor de accommodaties. Daarop was een aantal uitzonderingen zoals de Jaap Edenbaan, de Sporthallen Zuid en de Amsterdam Arena, een van de eerste projecten waar ik bij 'sport en recreatie' mee te maken kreeg. Er lag een raadsbesluit dat er een onderzoek moest komen naar een nieuw stadion. In 1992 besloot de raad dat de gemeente Amsterdam voor zestig miljoen gulden ging participeren in een nieuw stadion en in 1996 stond de Arena er.”
“De bouw van de Arena, de verbreding van de Bosbaan en een nieuwe grote indooraccommodatie ter vervanging van de Sporthallen Zuid zijn de drie grote infrastructurele projecten geweest die als een rode draad door mijn loopbaan bij de gemeente lopen. Dat stadion is er gekomen, de verbreding van de Bosbaan ook, maar die indooraccommodatie helaas niet. Er waren verregaande plannen in Noord, maar dat is nooit rondgekomen. Dat bood wel weer ruimte voor de Ziggodome naast de Arena en we hebben met de renovatie van de Sporthallen Zuid ook een mooie en moderne indooraccommodatie staan. Als je me vraagt waar ik het meest tevreden over ben, dan horen daar zeker ook de sportstimuleringsprogramma’s bij. Vanaf 1990 hebben we daar echt een visie achter zitten en dat hebben we in de loop der tijd echt enorm uitgebouwd en gestructureerd.”
2. De Amsterdam Arena was zeker in de eerste jaren aan de nodige kritiek onderhevig. Hoe ging jij daar zelf mee om?
“Dat was natuurlijk niet leuk. Tijdens de bouw leidde ik allerlei mensen van over de hele wereld rond. Dan vertelde ik hoe prachtig het allemaal zou worden en dat er een Amerikaans bedrijf was dat er met allerlei technieken voor zou zorgen dat het gras ging groeien. En dat gras groeide uiteindelijk niet. Ik zat destijds ook bij de commissarisvergaderingen en dat was natuurlijk heel vervelend. Aan de andere kant is kritiek ook logisch. Toen het gebouw waar wij nu zitten - de Sporthallen Zuid - werd neergezet als vervanging voor de oude RAI, zei ook iedereen dat het de sfeer miste van dat oude gebouw. Maar daarbij vergaten die mensen wel dat in de oude Rai het dak lekte en dat er overal splinters uit de vloer kwamen. Vergeet niet hoe De Meer er indertijd uitzag. Daar durfde je eigenlijk nauwelijks buitenlandse delegaties mee naartoe te nemen, dat was een grote club als Ajax onwaardig.”
“Ik heb me die kritiek op de Arena wel aangetrokken, maar een gebouw heeft ook historie nodig om te gaan leven. Er moeten grote wedstrijden zijn gespeeld en kampioenschappen gewonnen zijn. Wat dat betreft is de vloek er inmiddels wel af. Het vervangen van die grasmat is tegenwoordig gewoon onderdeel geworden van de exploitatie. De Arena is een heel succesvol gebouw en het heeft de ontwikkeling van de omgeving ook veel goed gedaan. Ik weet nog dat we de eerste paal sloegen op een mistige vlakte. Moet je daar nu eens om je heen kijken. Een ander gevolg van de Arena is dat het ook zijn weerslag heeft gehad op de breedtesport. De politiek kreeg toch het gevoel dat er voor de breedtesportaccommodaties iets tegenover moest staan, als er zoveel werd geïnvesteerd in een topsportaccommodatie. Daardoor heeft de breedtesport echt van geprofiteerd.”
3. De maatschappelijke en politieke kijk op sport is tijdens jouw loopbaan veranderd. Wat zijn de belangrijkste verschuivingen?
“Sport was toen ik begon vaak een portefeuille voor de kleinere partijen in het college. Simpel gezegd: die moesten ook iets hebben bij de portefeuilleverdeling. Maar toen de Amsterdam Arena kwam zette de PvdA met Louis Genet hun belangrijkste man op sport. Je zag dat de politiek meer belang ging hechten aan sport. De nadruk lag in de loop der jaren steeds ergens anders op. Daar zijn altijd trends in geweest. Tegenwoordig zie je heel sterk de koppeling van de thema’s sport en gezondheid. In Amsterdam heeft wethouder Eric van der Burg op dit moment niet toevallig sport en zorg samen in zijn portefeuille. In een eerdere periode werd sport ook gezien als een middel om de stad nationaal en internationaal te profileren. Weer daarvoor stond vooral de kennismaking van kinderen met sport centraal. Als je alle ontwikkelingen achter elkaar ziet, is de algemene tendens dat men sport steeds belangrijker is gaan vinden. In 1992 stond er voor het eerst een bedrag voor topsport op de gemeentelijke begroting. Dat was 25.000 gulden. Dat is inmiddels een veelvoud als je bijvoorbeeld kijkt naar de subsidies voor de Stichting Topsport Amsterdam en het Centrum voor Topsport en Onderwijs.”
“We hebben in Amsterdam eigenlijk een beetje in stilte veel stappen gezet op het gebied van topsport. Rotterdam heeft de naam van topsportstad, maar dat is voor een groot deel beeldvorming. De onderlinge concurrentie met Rotterdam is natuurlijk ook een beetje een rode draad in mijn loopbaan. Je hoort altijd dat ze het daar allemaal snel en makkelijk voor elkaar krijgen, terwijl het in Amsterdam allemaal moeizaam gaat. Maar wij hadden binnen vier jaar een nieuw stadion, dat er nu alweer ruim zeventien jaar staat. In Rotterdam praten ze nog steeds over de nieuwe Kuip. Ik begrijp de emotie overigens wel en die concurrentiestrijd met Rotterdam is ook geen kwestie van haat en nijd. In de persoonlijke sfeer kon ik altijd heel goed met ze opschieten en een beetje competitie is ook leuk. Natuurlijk stak het wel eens dat Rotterdam altijd de naam had topsportstad te zijn, terwijl Amsterdam - als je puur naar de beoefening van zowel top- als breedtesport kijkt - Rotterdam vaak ver voor was. De concurrentie tussen de steden is mede onder invloed van het Olympisch Plan overigens veel minder geworden. Het Olympisch Plan was zo veelomvattend dat iedereen de noodzaak van samenwerken wel inzag. Dat zie je nu nog terug.”
4. Je hebt als hoofd sport te maken gehad met een keur aan verschillende wethouders. Wat waren verschillen en overeenkomsten?
“Ze hebben allemaal op hun manier een bijdrage geleverd aan de sport in Amsterdam en ze hadden ook allemaal hun eigen hobby’s. Jan van Duijn van het CDA in de jaren tachtig was lid van een kleinere partij in het college en zijn verdienste is bijvoorbeeld dat hij de plannen voor een nieuw stadion overeind heeft gehouden, want dat was destijds allerminst zeker. Louis Genet van de PvdA heeft daarna het hele politieke spel rond de Arena geleid. Vervolgens kwamen er achter elkaar vier VVD-wethouders op sport. Frank de Grave was een man van schaken. Hij heeft de WK-match tussen Jan Timman en Anatoli Karpov hierheen gehaald. Daarna volgden Edgar Peer, Harry Groen en Geert Dales. Deze laatste had van alle wethouders sport die ik heb meegemaakt misschien het minste met sport, maar hij is heel belangrijk geweest waar het ging om accommodaties. Als insider in de sport vind je allerlei dingen gewoon en zie je niet eens meer hoe vervallen accommodaties vaak waren. Ik kwam wel eens op een sportterrein met Dales en dan riep hij uit: ‘Wat is dat voor Oost-Europese toestand?’ Hij heeft het accommodatiefonds in het leven geroepen waardoor er structureel geld kwam voor de vervanging van accommodaties. Zonder dat hij een echte passie voor de sport had, heeft hij wel enorm veel betekend.”
“Na hem kwamen Hester Maij van het CDA en Carolien Gehrels van de PvdA. Die laatste heeft het sportplan in gang gezet en zij zorgde voor de verbinding tussen sport en andere portefeuilles. En nu met Eric van der Burg (VVD, red.) hebben we iemand die bij uitstek een passie heeft voor sport. Je ziet hem ook vaak op en rond de sportvelden. Hij houdt daar echt van en als wethouder zorg maakt hij ook heel sterk de verbinding tussen sport en gezondheid. Ik heb met alle wethouders prettig gewerkt, maar Frank de Grave steekt er misschien wel een beetje bovenuit. Hij zei altijd tegen me: ‘Coos, jij gaat over 95 procent van het werk en daar heb ik vertrouwen in. Maar die 5 procent die voor mij echt belangrijk is, daar moet je me ook goed in bedienen.’ Dat vond ik een heel prettige manier van werken. Wat ik bij alle wethouders mooi vond om te zien, was hoe zij werden gegrepen door de impact van sport. Als ze op werkbezoek waren zagen ze wat het betekende voor mensen in de samenleving, wat mensen ervoor doen en hoe mensen soms hun hele week inrichten rondom een sportvereniging. Zelfs de wethouders die van origine niet zoveel met sport hadden, werden daar in de loop der jaren door gegrepen.”
5. Je bent zelf naast je professionele bemoeienis met de sport ook altijd als vrijwilliger actief geweest. Beet dat elkaar nooit? En wat ga je straks doen, als je hier op je werk de deur voor het laatst het dichtgedaan?
“Op het moment dat ik op de afdeling sport aan de slag ging, was ik al actief als vrijwilliger in de sportwereld, onder meer als penningmeester bij de handbalvereniging waar mijn vrouw en later mijn dochter speelden. Dat was op zich geen probleem, maar ik heb er wel altijd sterk op gelet om die zaken gescheiden te houden. Ik ben bijvoorbeeld vrij snel gestopt als penningmeester. Dat haakte toch te veel in elkaar omdat je ook in financieel opzicht met de gemeente te maken hebt. Maar op andere gebieden ben ik wel altijd actief gebleven binnen sportverenigingen en dat is geen probleem. Als er subsidieaanvragen zijn, gaat dat over zoveel verschillende schijven dat je er onmogelijk zelfstandig gekke dingen mee kan doen. Daar komt bij dat ik om het formeel zuiver te houden, altijd heb gezorgd dat mijn waarnemer de handtekening zette als het regelingen betrof met verenigingen waar ik op de een of andere manier bij betrokken was. Ik heb van Frank de Grave geleerd: als je ook maar enigszins aarzeling voelt om ergens in het openbaar over te praten, kom je op glad ijs en dat moet je dus niet doen. Dat heb ik altijd als leidraad aangehouden. Daarbij vind ik het mooi dat medewerkers van de afdeling sport zelf actief zijn in de sportwereld. Op die manier hou je ook heel direct voeling met de maatschappij.”
“Als ik over twee weken met pensioen ga, blijf ik ook wel actief in de sport in allerlei vrijwillige functies. Ik heb bijvoorbeeld wel eens met Rien van Haperen van de organisatie van de EK atletiek 2016 gebrainstormd om daar iets voor te doen. Wat precies weet ik nog niet, maar mijn Amsterdamse netwerk kan erg handig zijn en ik weet natuurlijk van een heleboel zaken hoe het geregeld is en wat de procedures zijn. Daarnaast blijf ik gewoon de competitieleiding voor de tennisvereniging doen en ben ik nog altijd scheidsrechter bij een handbalvereniging. Het nadeel van vrijwilligerswerk in de sport is natuurlijk dat het vaak ’s avonds is en ik krijg er juist overdag veel tijd bij. Maar daar maak ik me geen zorgen over. Ik heb twee kleinkinderen en er komt een derde bij. Daar kan ik straks veel tijd aan besteden.”