23 april 2013
Nieuws
1. Als de Britse atleten de doelstelling op de Spelen in Londen wél hadden gehaald, was u dan gebleven? En vindt u dat coaches of sportbestuurders altijd moeten opstappen bij het niet halen van de doelstelling?
“Of ik was gebleven, weet ik niet. Mijn contract liep af, dus dan waren we met elkaar om de tafel gaan zitten. Nu was de situatie voor mij echter helder. Het laatste decennium was de Britse atletiek een beetje ingedut. Er was sprake van een zekere lamlendigheid en er heerste een excuuscultuur. Bij mijn aanstelling wilde ik een sterk statement maken door de lat hoog te leggen. Ik heb de ambitie neergezet om het dubbele aantal medailles van Peking te halen. Als je een signaal wil afgeven, heeft dat alleen zin als je er zelf ook consequenties aan verbindt. Dus ik heb vanaf de start gezegd: als we de doelstelling niet halen, heeft dat consequenties en zal er ook geen plaats meer zijn voor de leider. Dat was om aan te geven dat het mij serieus was. De gevolgen waren er niet alleen voor de atleten en staf, maar ook voor mij persoonlijk. Op het moment dat je zoiets stelt, kun je na afloop niet meer terug want dan verlies je je geloofwaardigheid. Maar ik zeg er wel bij: je hoeft van tevoren niet te zeggen dat je je eigen lot ophangt aan de doelstelling.”
“Daarmee kom ik op het tweede deel van je vraag. Ik denk niet dat coaches of sportbestuurders per se op moeten stappen als een organisatie de doelstellingen niet heeft gehaald. Er moet goed worden geëvalueerd en er moeten dan veranderingen en aanpassingen komen. Dat kan betekenen dat een leider op moet stappen, maar dat hoeft niet. Natuurlijk moet het wel als de leider zijn positie van tevoren aan die doelstellingen verbindt. Ik vond dat ik dat bij UK Athletics moest doen om de boel op scherp te zetten. Het was kort dag, we hadden nog maar drieënhalf jaar tot de Spelen in Londen. Dat UK Athletics en de atleten mij na Londen wilden behouden, was natuurlijk een compliment. Er was natuurlijke sprake van een enorme succesbeleving. De doelstelling was acht medailles waarvan minimaal één goud. Het werden er zes medailles, maar wel vier goud. Het winnen van zoveel gouden medailles heeft enorme emotionele waarde. Het was het beste resultaat bij de Spelen in meer dan dertig jaar. Toch heb ik niet overwogen in te gaan op het aanbod door te gaan. Zoiets zou zich bij de eerste de beste tegenslag in een volgende cyclus tegen mij keren.”
2. In de Britse media lazen we dat de Britten na uw komst anders tegen hun atleten zijn gaan aankijken. Voorheen werden ze als ‘watjes’ gezien en daarna niet meer. Wat heeft u gedaan om die omslag te bewerkstelligen? En wat zijn op het gebied van topsport de grootste verschillen tussen Nederland en Groot-Brittannië?
“Het belangrijkste bij UK Athletics is de cultuuromslag geweest. Daarbij is een aantal aspecten van belang. Als eerste: geen excuses of uitvluchten. Ten tweede accountability: verantwoordelijkheid nemen. Tot slot: accepteren dat een prestatiecultuur nooit comfortabel is. Je moet iedere dag honderd procent geven want als je dat niet doet, is er altijd wel iemand in Amerika of Rusland of Jamaica die dat wel doet. Als je me vraagt waar dat cynisme van de Britten ten opzichte van hun atleten vandaan kwam: ik denk sowieso dat cynisme diep ingebakken is in de Britse cultuur. Britten halen zichzelf bij voorkeur naar beneden en klagen is een nationale hobby. Het is een hardere maatschappij en je wordt daar dan ook als sporter veel eerder en meedogenlozer afgeslacht dan hier.”
“Op topsportgebied zijn er grote verschillen tussen Groot-Brittannië en Nederland. Politiek en financieel heeft de Britse topsport veel meer vuurkracht. Topsport wordt daar ook veel serieuzer genomen. Als het in Nederland op televisie over topsport gaat, moet er altijd een cabaretier bijzitten of een zanger. Programmamakers denken altijd dat er een soort toegevoegde leukigheid moet zijn om het waardevol te maken. Op het topsportgala moeten allerlei mensen die niets met sport te maken hebben een prijs uitreiken. Zoiets zie je in Groot-Brittannië niet. Daar wordt de topsport zelf serieus genomen. De koningin besteedt er aandacht aan in haar kersttoespraak, dat is hier ondenkbaar. De topsport op zich is een kernwaarde. Je ziet dat ook terug bij een aantal zeer welbespraakte sporters en oud-sporters. Neem Chris Hoy, Steve Redgrave of Sebastian Coe als voorbeeld. Iconen die de sport ook geloofwaardig op politiek niveau kunnen vertegenwoordigen. Ik zie ze in Nederland niet.”
“De aansturing van de topsport is daar ook kwalitatief veel sterker. In 1996 waren de Olympische Spelen desastreus voor Groot-Brittannië. Ze wonnen maar één gouden medaille op de hele Spelen, over alle sporten. Bij de vrouwen was er slechts één medaille, voor Denise Lewis op de zevenkamp. De nationale trots was gekrenkt. Als antwoord daarop hebben ze twee belangrijke dingen gedaan. Ten eerste kwamen er gelden uit de National Lottery beschikbaar voor de sport en dat geld werd aangewend voor de tweede maatregel. Er werd expertise binnengehaald vanuit het buitenland. Dan moet je denken aan coaches, sportmedici, sportwetenschappers maar ook beleidsmensen. Allemaal specialisten die wisten waar het in de top om draaide. Ze hebben destijds enorm veel kennis en expertise geïmporteerd en dat zie je nu terug in de kwaliteit van de aansturing. Niet alleen als het gaat om de coaching, maar ook als je bijvoorbeeld de kwaliteit van de algemeen directeuren van de bonden bekijkt. Die ligt daar veel hoger dan hier in Nederland. Een van de belangrijkste verschillen tot slot is het commitment van de nationale overheid. Dat zie je overal terug, niet alleen financieel. Toen ik werd aangesteld bij UK Athletics kreeg ik een welkomsttelefoontje van de minister van sport. Daar win je weliswaar geen medaille meer door maar het illustreert wel de betrokkenheid.”
3. Kan Nederland zich als topsportland verder ontwikkelen om in de toekomst te voldoen aan de top-tien ambitie?
“Er is geen geheim recept. Je brengt de beste sporters samen met de beste coaches en de beste ondersteunende experts in de best mogelijke omgeving. Dat is niet eenvoudig, het is kostbaar maar het wordt wel over de hele wereld in de topsport nagestreefd. Je zult bovendien veel aandacht moeten besteden aan talentontwikkeling. Als je dat beter doet dan de concurrentie, heb je een serieuze kans. Maar er is onvoldoende vastberadenheid in Nederland. Er is wel een ambitie, maar men is niet bereid de prijs ervoor te betalen. In het leven wordt het verschil niet gemaakt met het hebben van een ambitie, iedereen heeft wel een of andere ambitie. Het gaat erom wat je er voor over hebt om het te realiseren. Iedereen roept bijvoorbeeld dat schoolsport belangrijk is, maar er gebeurt niets. In Groot-Brittannië zijn enorm veel competities tussen scholen. Dat kennen we hier niet. Bij ons is sport georganiseerd via clubs. Alle kinderen gaan naar school, maar niet alle kinderen worden lid van een sportclub. Als je op scholen aan sport doet, heb je dus een veel grotere pool van talent om uit te selecteren. Succes in topsport is in grote mate afhankelijk van budget. Alles bij elkaar opgeteld zijn er in Groot-Brittannië ongeveer vier keer zoveel middelen beschikbaar per topsportprogramma als hier. Het is absoluut gerechtvaardigd om als Nederlandse samenleving te zeggen dat we dat er niet voor over hebben, maar dan moeten we de wedstrijd ook niet aan willen gaan.”
“De top-tien ambitie is niet irreëel. Je moet de lat altijd zó hoog leggen, dat je het doel met grote inspanning misschien maar eens op de vier of vijf keer daadwerkelijk haalt. Dan gaat er een prikkel vanuit. Nederland is de afgelopen jaren bij de Olympische Zomerspelen altijd rond de twaalfde/dertiende geëindigd in de medailleklassementen. Top-tien is niet onhaalbaar maar moeilijk en zo hoort een ambitie ook geformuleerd te zijn. Maar het gat met nummer acht, negen en tien is substantieel en als je aan wilt haken, moet je het serieuzer nemen. Gezien de beschikbare middelen doen we het eigenlijk heel erg goed, maar ik zie in het buitenland politiek veel meer commitment en als je daar niet in mee gaat, red je het niet.”
“De Nederlandse sport heeft ook een aantal zaken waar men in het buitenland van kan leren. Nederland heeft de grootste dichtheid van sportclubs ter wereld. De organisatie is ontzettend fijnmazig. Daarnaast is NOC*NSF een zeer slagvaardige organisatie: a one stop shop. In Groot-Brittannië zijn vier organisaties bezig met dezelfde zaken die bij NOC*NSF onder één dak gebeuren. De bureaucratie die daarvan het gevolg is, werkt vertragend en kostenverhogend. Ook in landen als Australië en Brazilië is de bureaucratie van de topsport veel groter dan in Nederland. Ik weet dat daar bij de Nederlandse bonden nog wel eens anders over wordt gedacht, maar dan moeten ze echt eens wat scherper gaan kijken in de keukens in het buitenland. Wat je bij NOC*NSF bovendien ziet, is veel uitwisseling van informatie en expertise. De organisatie verbindt veel programma’s bijvoorbeeld door de nationale coach platforms die er vier keer per jaar zijn. Dat soort kruisbestuiving zie je in Groot-Brittannië nauwelijks.”
4. Op 19 april luidde NOC*NSF het einde in van Olympisch Vuur als gevolg van het eerdere kabinetsbesluit een streep te zetten door de plannen om de Olympische Spelen in 2028 naar Nederland te halen. Wat vindt u daarvan? Heeft het zin om het Olympisch Plan nieuw leven in te blazen?
“Het lukt sowieso niet om die Spelen hierheen te halen zonder sterk leiderschap en commitment. Tot op heden is dat er niet geweest. Zowel bij Olympisch Vuur als binnen de Olympische Council was het leiderschap niet stevig en niet consistent. Kijk alleen maar hoeveel verschillende mensen op de stoel hebben gezeten, Er was bovendien niemand met het charisma en de slagkracht van een Seb Coe Maar belangrijker nog: Den Haag stond er nooit echt achter en dat maakt het bij voorbaat een kansloze missie. Het bleef bij met een voetje de temperatuur van het water voelen, men sprong er nooit in. Zonder steun van de rijksoverheid is het kansloos. Misschien dat een paar commerciële partijen als een soort eerste raketbrandstof kunnen fungeren, maar uiteindelijk moet Den Haag er gewoon achter gaan staan.”
“Het oorspronkelijke Olympisch Plan met de zes bouwstenen vond ik heel goed, maar dat duurde ongeveer zes weken en toen had iedereen het erover hoe we de Spelen naar Nederland zouden halen. Het idee om het sportklimaat in Nederland te versterken was heel mooi, maar mensen waren er niet in geïnteresseerd. Ze gingen allemaal aan de haal met het idee van een sexy evenement in Nederland. Dat is erg jammer. Er is gewoon veel te vroeg gefocust op dat evenement. Dat die plannen nu van tafel zijn, hoeft niet te betekenen dat ook de rest van het oorspronkelijke Olympisch Plan verdwijnt. Het is per slot van rekening een kerntaak van NOC*NSF en het ministerie van VWS om het sportklimaat in Nederland te versterken.”
5. In een interview met de Britse krant The Telegraph zei u dat u na de vorige functie bij UK Athletics 'geen dromen' meer heeft. Wat betekent dat? Hoe ziet de toekomst zonder dromen eruit?
“Ik heb nooit aan dromen gedaan. Dromen zijn voor de dromers, zelf heb ik altijd beide voeten op de grond gehouden. Wat ik bedoelde te zeggen is dat ik al veel meer heb bereikt dan ik ooit voor mogelijk had gehouden en dat mijn honger gestild is. Ik heb in totaal acht jaar in Engeland gewerkt en ik heb het gastland in de belangrijkste sport op hun thuisspelen geleid. Ik heb olympische kampioenen getraind en ik heb hier in Nederland bij NOC*NSF een heel prestigieuze functie bekleed. Er zijn geen posities meer die ik nog ambieer. Ik vind het nu vooral leuk om mensen en organisaties te helpen die mijn inzichten waardevol vinden. Zo coach ik bijvoorbeeld mensen in het zakenleven in Londen en houd ik daar regelmatig bedrijfspresentaties. Ik heb niets meer dat ik nog actief najaag.”
“Na de Spelen in Londen heb ik een jaar genomen om mijzelf te versterken. Ik lees veel, ik reis en ik werk aan mijn fitheid. Wat ik lees? Altijd twee boeken tegelijk: één waarvan ik iets leer en één waarvan ik het volgende hoofdstuk graag wil lezen. Op dit moment heb ik een boek van Mark de Rond op mijn nachtkastje liggen: There is an i in team. De Rond is professor aan de Universiteit van Cambridge en hij schrijft over het samenbrengen van individuen in een team. De titel is een omkering van de beroemde uitspraak There is no i in team. En voor mijn plezier ben ik bezig in een boek met verzamelde columns van Nico Dijkshoorn. Dat is pure ontspanning, gewoon lachen. Wat de toekomst brengt? We zien wel wie er in de herfst bij me aanklopt. Ik verkeer in de bevoorrechte positie dat ik mij kan permitteren om dingen te doen die ik leuk vind.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.