24 juli 2012
Nieuws
1. In het ‘Sectorplan Sportonderwijs en –onderzoek, 2011-2016’ staat onder meer dat sporters in staat moeten worden gesteld een sportloopbaan te combineren met een opleiding en dat daarvoor flexibiliteit en maatwerk nodig is. Wat vind je ervan dat er ten aanzien van topsporters vooralsnog geen uitzondering wordt gemaakt op de langstudeerboete?
“De politiek roept wel vaker de olympische ambitie te steunen, maar in de praktijk blijkt daar dan weinig van. Het is voor iedereen duidelijk dat zo’n boete niet past bij het idee een topsportklimaat te creëren in Nederland. Natuurlijk moet ook een topsporter zijn uiterste best doen om zijn studie binnen een bepaalde periode te halen, dat mag niet grenzeloos zijn. Maar er is toch wel een acceptabele uitzonderingsregel te verzinnen zijn voor deze beperkte groep studenten? Jet Bussemaker - rector van de Hogeschool van Amsterdam - heeft begin juli samen met Doekle Terpstra - bestuursvoorzitter van Hogeschool Inholland - en Marcel Wintels van Fontys Hogescholen via de media protest gevoerd en gepleit voor zo’n uitzondering. We moeten eerst maar eens afwachten wat er nu loskomt. En zodra de aandacht voor dit punt verzwakt, zullen we weer reuring maken. Ik zal in mijn functie als lector Topsport & Onderwijs altijd proberen de vinger te blijven leggen op dit soort regels die topsport in de weg staan.”
“Sowieso schrijft de politiek doorgaans een groot oplossend vermogen toe aan sport en bewegen, terwijl de ter beschikking gestelde middelen niet in die verhouding staan. Ik ben er wel gerust op dat sport hoog op de agenda blijft staan als er een nieuw kabinet komt – dat hebben we inmiddels wel bereikt – maar het daadwerkelijk zetten van stappen kan beter. In dat kader zou je kunnen denken aan een Minister van Sport, hoewel zijn portefeuille misschien te klein zou zijn. Maar met een dergelijke functie kun je wel bereiken dat op allerlei beleidsterreinen ook vanuit sportverantwoordelijkheid besluiten worden genomen. Die ‘minister’ zou bij belangrijke vergaderingen van departementen als volksgezondheid, onderwijs, financiën moeten kunnen aanschuiven om vanuit de sportgedachte licht op de zaak te geven. Als lector vervul ik min of meer een soortgelijke rol in de Amsterdamse politiek. Het verbinden van onderwijs, sport en politiek is noodzakelijk voor de olympische ambitie. Alleen op die manier kunnen we in Nederland sportinclusief leren denken. Scandinavië geeft wat dat betreft het goede voorbeeld. Daar is sport volledig geïntegreerd in de samenleving. Op de goede manier, dus vanaf de basis veel bewegen wat voor sommigen uitmondt in competitieve topprestaties. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Australië. Die landen lijken het op sportief gebied goed te doen, maar zijn feitelijk alleen gericht op topsport. Het zijn de landen met de hoogste percentages obesitas.”
2. Je bent ruim tweeënhalf jaar lector Topsport & Onderwijs in een bijzondere constructie. Je geeft immers geen les en verricht geen onderzoek maar hebt als belangrijkste taak het leggen van verbindingen tussen de betrokken kennisinstellingen, partners, overheden en het bedrijfsleven in Amsterdam. Wat heb je hierin bereikt?
“Ten eerste is er een flinke dynamiek ontstaan in de driehoek Sport–Onderwijs–Gemeente Amsterdam. We hebben een grote steen in de vijver gegooid en heel Nederland kijkt toe wat hier allemaal gebeurt. We trekken dingen los en er worden veel activiteiten georganiseerd, zoals het jaarlijkse sportsymposium, waar mensen bij elkaar komen en kennis delen. Verder weet ik zeker dat de Hogeschool van Amsterdam en Universiteit van Amsterdam zichtbaarder zijn geworden in de sportwereld. Als in 2010 was gevraagd of die onderwijsinstellingen een associatie hadden met sport, was het antwoord overwegend nee geweest. Nu zullen de meesten die associatie wel hebben. Dat heb ik natuurlijk niet alleen teweeggebracht; dat is een logisch gevolg van het pad dat de Hogeschool van Amsterdam en Universiteit van Amsterdam zijn ingeslagen. Maar ik ben blij dat ik daar een bijdrage aan kan leveren.”
“Ik raak er steeds meer van overtuigd dat sport en onderwijs de basis vormen voor heel veel ambities. Niet alleen op olympisch niveau, zoals in de top-10 eindigen in het medailleklassement van de Spelen en het binnenhalen van de Spelen in 2028 of in de jaren daarna. Maar ook in de ambitie om in de top-5 van sterkste kennislanden te komen. Uit onderzoek blijkt namelijk dat bewegen een sterk positieve invloed heeft op de cognitieve ontwikkeling van kinderen. Of om af te komen van de obesitas-problematiek. Ik ben een believer en heb daarom een enorme zendingsdrang. Sport kan bijdragen aan oplossingen van veel problemen en zou een grondrecht voor kinderen moeten zijn. Acht uur lichamelijk opvoeding per week op basis- en voortgezet onderwijs is echt geen overbodige luxe. Het mooie van het Olympisch Plan is ook dat het primair uitgaat om vanaf de bodem te starten. Hogere sportparticipatie, meer bewegen, goede sportinfrastructuur voor iedereen. Als het plan uiteindelijk resulteert in het binnenhalen van de Olympische Spelen zou dat mooi zijn, maar dat is geen op zichzelf staand doel.”
“Het is juist om die reden ook jammer dat de hele discussie is ontstaan over hoeveel de Olympische Spelen mogelijk gaan kosten. Er is nota bene een motie ingediend door de PVV. Terwijl die kosten niets zeggen als je er niet tegenover zet wat het oplevert. Als je een weg bouwt van 20 miljoen euro dan is dat geld niet verdwenen. Daar heb je namelijk een weg voor. Wat de uitvoering van het Olympisch Plan nu precies gaat opleveren, is niet makkelijk voor te rekenen. En dat is moeilijk te verkopen in deze crisistijd. Natuurlijk moeten er geen Spelen komen ten koste van alles, maar zoals de financiële discussie de afgelopen maanden gevoerd werd, is niet juist. We moeten dat achter ons laten en het Olympisch Vuur vrij zijn werk laten doen. Het zou mooi zijn als - ter ondersteuning daarvan - iemand in de politiek opstaat die het verhaal goed kan vertellen. Die uitlegt dat het dan wel zoveel miljard gaat kosten, maar dat het een goede investering zal blijken. Die uitlegt wat de kracht van sport is.”
3. Je was lid van de ledenraad van AFC Ajax, hebt ‘de crisis’ overleeft en bent nu een van de zeven leden van de nieuwe bestuursraad. Waarom heb je die functie aangenomen?
“Sowieso is het goed dat ik voor mijn werk ook functies in sportorganisaties vervul. Daar kun je goede netwerken opbouwen en extra verbindingen leggen. Daarnaast staat voorop dat ik alleen dingen doe die ik leuk vind. Daar valt dit ook onder, het besturen van de vereniging Ajax. We zijn als grootaandeelhouder weliswaar verbonden aan de NV Ajax, maar de vereniging is ook gericht op het organiseren van activiteiten en evenementen die de voetbalsport bevorderen. En dat is weer de basis die zo belangrijk is. Natuurlijk zijn er eind vorig jaar momenten geweest dat ik er minder plezier in had, maar ik haak niet snel af. Ik ben blij met de structuur zoals die er nu is bij Ajax, we zijn een duidelijke weg ingeslagen, we kunnen naar de toekomst kijken. Ajax is een mooie club, die een belangrijke rol kan spelen en al speelt bij de integratie van sport op scholen en in de wijken. Je staat er versteld van hoeveel indruk een voetballer als Gregory van der Wiel maakt op kinderen, vooral ook op allochtone kinderen. Voor hem willen ze echt hun best wel doen. Daar kan geen tennisser of zwemmer tegenop. Ajax neemt hier al een enorme maatschappelijke verantwoordelijkheid in, vaak op de achtergrond. En op sommige vlakken denk ik mee.”
4. Welke taak heb jij als voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Rabo Wielerploegen?
“Dat is een heel zuivere. Ten eerste moeten we plannen die de directie maakt beoordelen en bewaken. Ten tweede houden we de financiële kaders in de gaten. Als we de plannen goedkeuren, staan we daar vanzelfsprekend achter. Het kan zijn dat op de vloer één en ander anders uitpakt, maar dat heb je al snel in de sport. Daar moet je over in gesprek met de directie; in die zin fungeer je ook als klankbord. En in uiterste gevallen heeft de Raad van Commissarissen de bevoegdheid ingrijpende beslissingen nemen.
Daarnaast word ik persoonlijk - in mijn rol als wetenschapper - nog wel eens uitgenodigd om mijn kennis te delen. Daar stuur ik bewust niet actief op aan, maar als de professionals denken dat ik een bijdrage kan leveren, help ik graag. Bijvoorbeeld met de inrichting van de medische omgeving. Maar over het algemeen is er bij Rabo Wielerploegen veel goed geregeld, ook tot in detail. Ik zou zelfs willen zeggen dat de ploegen daar trendsettend in zijn. Omdat er vaak andere dingen spelen, krijgt ze jammer genoeg nauwelijks een platform om dat te laten zien. Dat zou al anders zijn als Robert Gesink in de top-3 zou zijn geëindigd. Maar ik durf te beweren dat Rabo Wielerploegen niet onderdoet voor bijvoorbeeld Team SKY dat nu geroemd wordt om haar ‘wetenschappelijke’ aanpak, met oog voor statistieken en innovatieve snufjes.”
5. Als op één dag de finale van de Champions League met daarin Ajax zou worden gespeeld, de huldiging van een Tour-winnende Rabo-renner in Parijs plaatsvindt en je op de tribunes kan zitten bij een olympische zwemfinale met Ranomi Kromowidjojo, en je kan maar op één van deze drie plekken zijn, waar kies je dan voor?
“Dat is een gewetensvraag. Maar ik zal toch voor het zwemmen kiezen. Die sport is mijn fundering. En als een Nederlandse een medaille kan winnen op een wereldnummer als de 100 meter vrije slag, dan wil ik daarbij zijn. Maar daarna neem ik meteen het vliegtuig naar Parijs en dan naar het stadion waar de voetbalfinale wordt gespeeld. Hoewel de zwemsport me na aan het hart ligt, ben ik er bestuurlijk niet bij betrokken. Dat is maar beter ook, want ik zou veel te kritisch zijn.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.