Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan cees vervoorn lector topsport onderwijs 2

5 vragen aan Cees Vervoorn, lector Topsport & Onderwijs

6 juli 2010

Nieuws


door: Peter Hopstaken | 6 juli 2010

1. Voor je begin dit jaar als lector werd benoemd, was je eerst directeur van de ALO en later voorzitter van het domein Bewegen, Sport & Voeding. Die periode besloeg zo’n elf jaar. Hoe kijk je daar op terug? Waar ben je het meest trots op?
“Toen ik in 1999 directeur van de ALO werd, kreeg ik van de bestuursvoorzitter als opdracht: ‘trek onze gordijnen open, er is een wereld buiten ons. De academie is een onderdeel van de samenleving, laat dat zien! Zorg ervoor dat we beter zichtbaar worden en structureel meedoen aan maatschappelijke debatten.’ Daar heb ik allemaal hard aan getrokken en ik denk dat ik die taak goed voltooid heb. Kort na mijn komst moest ik ook een spiksplinternieuw gebouw laten bouwen. Een boeiend proces, onder meer omdat ik het als een mooie kans zag om mijn eigen ideeën daarover te verwezenlijken. Ik wilde bijvoorbeeld dat het een transparant gebouw zou worden; met veel glas, zodat je van binnen goed naar buiten kon kijken en andersom. Verder ben ik trots dat we twee nieuwe opleidingen vanaf de grond af aan ontwikkeld hebben: de opleiding ‘Sport, Management & Ondernemen’ – in de volksmond SM&O – en ‘Voeding’. Samen met de ALO behoren deze opleidingen inmiddels zowel binnen de Hogeschool van Amsterdam als daarbuiten tot de absolute top. In enquêtes onder studenten die soortgelijke opleidingen in heel Nederland volgen, worden ze het hoogst gewaardeerd.”

2. Hoe ben je lector Topsport en Onderwijs geworden? Hoe verliep dat proces?
“In de zomer van 2009 werd ik benaderd door de voorzitter van ons College van Bestuur. Hij vroeg mij of ik na tien jaar toe was aan iets anders. Dat beaamde ik en samen zijn wij gaan nadenken over wat ik dan zou kunnen doen binnen de Hogeschool van Amsterdam. We kwamen in dat proces al gauw terecht bij het Olympisch Plan 2028. Bij de uitwerking van dat plan is volgens mij namelijk een belangrijke rol weggelegd voor kennisinstellingen. Om van Nederland een echt sportland te maken en alle gebieden op Olympisch niveau te krijgen, is het verbreden en verdiepen van kennis nodig. Maar ondanks het vele onderzoek dat er in Nederland wordt verricht, wordt dat niet of nauwelijks gecoördineerd. Er is bijvoorbeeld niet eens een gezamenlijk onderzoeksprogramma. Gelukkig is er echter - zeer recent - op initiatief van NOC*NSF, Innosport.NL en de ministeries van OCW en VWS een belangrijke stap voorwaarts gezet in het op een lijn krijgen en in de volle breedte betrekken van het hoger onderwijs bij het Olympisch Plan 2028. Deze ontwikkelingen richten zich onder meer op de mogelijkheden voor sportonderzoek - lees maar het recent verschenen rapport ‘Kennisagenda Sport 2011-2016’ van het Mulier Instituut - en sportonderwijs in het land. Eind juni vond hierover een zeer geslaagde werkconferentie plaats die in september een vervolg zal krijgen en eind september zal uitmonden in een Sectorplan ‘Sportonderwijs en –onderzoek in het Hoger Onderwijs’. Al met al zag ik voor de Hogeschool van Amsterdam vorig jaar een kans liggen om met het Olympisch Plan als ambitieuze stip aan de horizon een belangrijke positie te vervullen. Dat past goed bij het profiel van de Hogeschool en de Universiteit zelf, maar ook bij die van vele andere Amsterdamse kennisinstellingen. Langzamerhand kreeg ik zo het idee om die centrale rol via een lectoraat te formaliseren.”

3. Hoe ziet het lectoraat eruit, hoe is het georganiseerd?
“Onder het lectoraat hangt een stichting waarin diverse partijen participeren. Naast de Hogeschool van Amsterdam/Universiteit van Amsterdam hebben ook Hogeschool INHolland, het ROC van Amsterdam, de Vrije Universiteit/faculteit Bewegingswetenschappen en de gemeente Amsterdam hierin een rol. Met al deze partijen is een convenant afgesloten en in een latere fase worden per afzonderlijke partij verdere activiteiten op het snijvlak van sport, onderwijs en de stad uitgewerkt. Ik krijg daar van alle betrokkenen veel ruimte en vrijheid in, maar realiseer een en ander uiteraard in samenspraak met de convenantpartners. Ik leg verantwoording af aan het Colleges van Bestuur en dus niet aan lagen daaronder. ”

“Al met al vind ik het een prachtige uitdaging. Ik ben er ook van overtuigd dat onderwijs een cruciale rol kan en moet spelen in het ondersteunen van de ambities van het Olympisch Plan. Bij de stichtingpartners staan meer dan honderdduizend studenten ingeschreven. Een groot deel van hen is in sport geïnteresseerd. Denk eens aan al die stageplaatsen die zij zouden kunnen vervullen in de sport. Op die manier kan je veel realiseren zonder dat het veel geld kost. Belangrijk vind ik daarbij dat alle betrokken onderwijsinstellingen echt sportinclusief gaan denken. Qua activiteiten, regelgeving, onderzoek, onderwijs. De eerste contouren daarvan zijn al op verschillende manieren zichtbaar. Zo is bijvoorbeeld bij de Hogeschool van Amsterdam en de Universiteit van Amsterdam het studentenstatuut aangepast aan de ambities die studerende topsporters hebben. Ook praat ik met de Vrije Universiteit over de realisatie van een Nederlands Sport Science Instituut aan de Zuidas van de stad. Dat krijgt als functie een kennistransferpunt voor topsport te worden. Het zal een gebouw worden - geen virtuele gemeenschap - waarin wetenschappers en coaches/trainers elkaar ontmoeten, waar topsporters trainen en studeren, waar studenten stages lopen en - als het aan mij ligt - waar coaches en trainers hun opleidingen kunnen volgen. De kennis wordt vanuit het instituut via moderne technologieën aan de sport terug gegeven, trainingsprogramma’s worden verbeterd, studenten geschoold en de relatie met de reguliere geneeskunde wordt aangehaald. Kortom, een toonaangevend instituut dat de brug slaat tussen (top)sport, onderwijs en de gezondheidszorg en dat gevoed wordt door experts en kennisinstellingen uit het gehele land. Deze voorbeelden passen min of meer in de belangrijkste kerntaak van het lectoraat: het leggen van verbindingen tussen de betrokken kennisinstellingen, partners, overheden en het bedrijfsleven in Amsterdam. Daarbij gaat het om een voortdurende combinatie van kennisontwikkeling, kennisdeling en kenniscirculatie.”

4. Ik heb je ook eens horen pleiten voor een zogenaamd deltaplan voor sportopleidingen. Past dat ook bij het lectoraat?
“Ja, want ook op die manier kan kennis worden gebundeld en dat is nodig om Nederland naar een hoger niveau te tillen. Alle sportopleidingen bij elkaar lijken nu wel een lappendeken. Zo zijn er meer dan tien sportmanagementopleidingen. Daarnaast kennen we trainersopleidingen, coachopleidingen, een opleiding tot technisch directeur, trainersopleidingen van een bond en opleidingen voor combinatiefunctionarissen. Ik kan me voorstellen dat het werkzaam is om alle opleidingen – bijvoorbeeld verdeeld per type – onder één dak of organisatie te plaatsen. Dat zal de kwaliteit van de opleidingen en dus de kwaliteit van het topkader verhogen en uiteindelijk heeft iedereen daar baat bij. Ook op Europees niveau speelt de discussie. Ik denk overigens dat het goed zou zijn om alle opleidingen tot trainer/coach in een onderwijsomgeving onder te brengen in plaats van bij bonden, zoals nu vaak het geval is. Dat behoort toch niet echt tot hun core business. Bovendien daagt het Olympisch Plan 2028 ons ook uit om het topkader in Nederland op Olympisch niveau te brengen."

5. Hoe lang zal het lectoraat Topsport en Onderwijs op zijn minst bestaan?
“Normaal gesproken is een lectoraat voor zestig procent verbonden aan een hogeschool en voor veertig procent aan een kennisinstelling. Dit om de verbinding te leggen tussen de praktijk en de theorie. In dit geval is het lectoraat volledig door de Hogeschool van Amsterdam/Universiteit van Amsterdam ingesteld, waar ik voor onbepaalde tijd voor honderd procent in dienst ben. Maar na vijf jaar gaan we met alle partijen die ressorteren onder de stichting goed evalueren. Vooralsnog zal het lectoraat in termen van personeelsomvang nauwelijks groeien. We hebben erg weinig budget om extra personeel aan te trekken. Wel komt er binnenkort iemand die mij gaat ondersteunen – noem het maar een ‘afhechter’ – want ik ontwikkel heel veel, maar dat leidt ook tot veel losse eindjes.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.