16 februari 2010
Nieuws
door: Peter Hopstaken | 16 februari 2010
1. Sinds wanneer maakt sport deel uit van je werk?
“Tijdens mijn opleiding tot psychiater werkte ik als assistent bij de Valeriuskliniek in Amsterdam. In die tijd – zo rond 1994 - kwam ik op het idee om patiënten wekelijks op vrijdagmiddag te laten hardlopen. Dat wekte in het begin veel hilariteit, maar na verloop van tijd werd het heel populair. Veel van die patiënten waren dik en inactief, dus het was sowieso goed dat ze in beweging kwamen. Dat het ook nog een gunstig effect had op hun psyche had ik niet zelf bedacht. Een vooraanstaand geleerde op dit gebied is Ruud Bosscher, destijds ook werkzaam in de Valeriuskliniek. Tegenwoordig is hij universitair docent aan de Vrije Universiteit en lector ‘Bewegen en Gedragsbeïnvloeding’ aan de Christelijke Hogeschool Windesheim. Hij had zijn proefschrift geschreven over hardlopen als behandeling van depressies.”
“Met actieve sportbeoefening kwam ik al veel eerder in aanraking. Als kind deed ik zelfs aan topsport. Van mijn zevende tot mijn achttiende jaar trainde ik vijf tot zes keer per week. Ik was Nederlands kampioen ponyrijden met achttallen. Dan moet je bijvoorbeeld tegelijkertijd in galop of de bocht om. Als ik dat vertel, wordt daar natuurlijk vaak wat lacherig over gedaan, maar ik deed niet fundamenteel veel anders dan een kind dat fanatiek aan turnen of zwemmen deed. Aan het beoefenen van topsport heb ik veel gehad. Daardoor weet ik wat discipline is, heb ik hoge ambities, ben ik in staat om het onderste uit de kan te halen, kan ik goed afzien en weet ik wat een blessure is. Sport maakt ook nu nog een belangrijk deel van mijn leven uit. Ik lees alles over sport, tot aan een dagelijkse portie teletekst toe. Als er een topsporter zich in mijn praktijk meldt, komt het dan ook zelden voor dat ik niet weet wie hij of zij is.”
2. Wat is het belangrijkste verschil tussen een sportpsycholoog en sportpsychiater?
“Sportpsychologen leren sporters bepaalde vaardigheden. Bijvoorbeeld hoe om te gaan met druk en spanning. Sportpsychiaters kijken ook naar de mogelijke oorzaak van klachten. Als psychiater stel ik eerst een diagnose, vervolgens behandel ik de sporter en schrijf ik eventueel medicijnen voor. Bijvoorbeeld een kalmeringspilletje dat niet op de dopinglijst staat. Een sportpsycholoog als Rico Schuijers kan een team beter maken, maar als psychiater behandel ik alleen individuele sporters. Ik maak per definitie geen onderdeel uit van het team van de sporter. Dat is veiliger voor de sporter, want diegene moet alles tegen mij durven zeggen. Toch is het grensgebied tussen het werk van een sportpsycholoog en een sportpsychiater soms wat vaag. Neem nu een topsporter met faalangst. Een sportpsycholoog kan de sporter helpen om met die angst om te gaan. Maar een sportpsychiater kan nuttig zijn als de faalangst verlammend werkt waardoor de sporter niet meer functioneert.”
“Uit onderzoek is gebleken dat topsporters een drie keer zo grote kans hebben op psychische stoornissen dan ‘gewone’ mensen. Dat heeft verschillende oorzaken. Ten eerste staat topsport niet synoniem voor ‘gezond bewegen’. Topsporters zoeken grenzen op en gaan daar vaak moedwillig overheen. Ten tweede heeft een topsporter per definitie met competitie te maken en zijn er meer verliezers dan winnaars wat frustraties kan geven. Tot slot bevatten topsporters over het algemeen vaker karakterologische eigenaardigheden. Denk aan iemand met ADHD. Die zit liever niet rustig op een stoel achter een bureau. Veel sporten en bewegen is voor hem een goede uitlaatklep.”
3. Kan je voorbeelden geven van veel voorkomende psychische problemen van sporters?
“Veel sporters hebben eetproblemen. Er zijn bijvoorbeeld enorm veel vrouwelijke topsporters die anorexia hebben. Dat signaleert de directe omgeving niet altijd, want het referentiekader in de sportwereld is zo verschillend van de normale wereld. Zo vindt niemand het gek dat vrouwelijke hardlopers geen borsten hebben. Anorexia komt trouwens ook veel bij mannen voor. In Scandinavië hebben ongelofelijk veel mannelijke schansspringers last van eetproblemen is gebleken uit onderzoek. En natuurlijk hebben sporters vaak relatieproblemen. Ze moeten immers focussen op hun trainingen en prestaties en zijn vaak lang van huis. Als je van een topsporter die voor een groot toernooi staat weet dat hij problemen in de relatie heeft, dan kan je diegene de suggestie meegeven zich te laten behandelen. Anders kan het gevolgen hebben voor de prestaties. Tijdens de Olympische Spelen in Peking zag je dat aan zwemster Inge Dekker. Het was bekend dat zij net haar relatie had beëindigd. Ondanks de gouden medaille van de estafetteploeg – toen Dekker goed presteerde - zwom zij op de individuele nummers ver onder haar kunnen. Kijk maar naar haar tijden, dat had niet gehoeven.”
4. Wat moet er gebeuren om psychische problemen bij topsporters zoveel mogelijk te voorkomen?
“Ik vind dat topsporters standaard gescreend moeten worden op psychische klachten. Daar zou een faciliteit voor ontwikkeld moeten worden. Nu zit daar een gapend gat, want sporters melden zich niet uit zichzelf. Ze durven niet en schamen zich ervoor. Volgens mij zou er in Nederland een netwerk van sportpsychiaters opgezet moeten worden. Via NOC*NSF zou je dan als topsporter bij zo’n netwerk terecht moeten kunnen. Als sporter vul je dan in eerste instantie een formulier in en als je boven de norm valt, komt er automatisch een vervolgstap in de vorm van een consult. Waarom heeft NOC*NSF wel een ‘Meldpunt seksuele intimidatie’ en geen ‘Meldpunt psychische problemen’? Ik ken profwielrenners die een keer flink gevallen zijn en daar nu verschrikkelijk bang voor zijn geworden. Zij slikken op doktersvoorschrift antidepressiva, maar dat heeft geen gunstig effect op hun prestaties. En denk aan het drugsprobleem van Yuri van Gelder. Als hij eerder behandeld zou zijn, zou de schade veel minder groot zijn geweest. Als je vroeg bijstuurt, is de kans op succes het grootst.”
5. Waarom gebeurt er op dat gebied zo weinig?
“Tja, ik snap het ook niet. Ik ben lid van de Vereniging van Sportpsychologie Nederland. Daar heb ik het wel eens aangeroerd, maar ze doen niks, het is allemaal politiek die men bedrijft. Het moet allemaal via contacten achter de schermen, maar een sporter met een acuut probleem heeft de tijd niet om daar op te wachten. Als ik op televisie roep dat topsporters gescreend zouden moeten worden op psychologische klachten krijg ik meteen een geprikkeld mailtje van sportpsycholoog Rico Schuijers, de voorzitter van die club, dat ik zo’n uitspraak niet via de media mag doen. Ook Maurits Hendriks van NOC*NSF heb ik wel eens benaderd, maar hij heeft me laten weten dat het onderwerp niet hoog op zijn prioriteitenlijstje staat. Zijn doel is om Nederland zo veel mogelijk medailles te laten halen. Dat staat kennelijk te ver van mijn plan om dropouts te voorkomen. De bond die voor mij – gezien mijn hardloopervaringen – het meest voor de hand ligt om mee samen te werken, is de atletiekunie. Maar het vreemde is dat deze bond – net als de andere bonden overigens - zich wel richt op gehandicaptensport, maar niet op atleten met psychische klachten. Oud-marathonloper Gerard Nijboer heeft er doorlopend voor gelobbyd. Tevergeefs. Ik denk dat de atletiekunie er gewoon nog niet rijp voor is. De sportwereld is sowieso wat conservatief. Ik had laatst te maken met een suïcidale profvoetballer. Pas daarna vroeg de voorzitter van zijn club mijn mobiele telefoonnummer, maar eigenlijk had hij dat eerder moeten doen. Eerst moet het flink mis gaan, voor er gehandeld wordt. Maar voorkomen is beter dan genezen. Je ziet tegenwoordig gelukkig wel steeds vaker dat ziektekostenverzekeraars ‘sporten’ proberen te stimuleren. De volgende stap is waarschijnlijk dat de verzekeraars met verschillende polisvoorwaarden gaan komen. Zoals al het geval is bij rokers en niet-rokers, zullen sporters een andere premie gaan betalen dan niet-sporters.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.