23 juni 2009
Nieuws
door: Peter Hopstaken | 23 juni 2009
1. Je bent onlangs vrij verrassend voorzitter geworden van de amateursectie van de KNVB. Hoe is deze ‘match’ tot stand gekomen?
“ROC Midden-Nederland – waar ik tot voor kort voorzitter van was - heeft een partnerschapovereenkomst met een groot aantal sportbonden, waaronder met de KNVB. Veel andere ROC’s hebben overigens een dergelijke overeenkomst. Het houdt in dat studenten stage kunnen lopen bij die bonden, een afstudeeropdracht maken voor een bond, na of tijdens hun opleiding bij sportorganisaties werken op de administratie, in de horeca of als beveiliger. Er is dus op vele manieren samenwerking denkbaar. Enfin, bij mijn afscheidsreceptie als voorzitter van ROC Midden-Nederland was ook Ruud Bruijnis, directeur amateurvoetbal bij de KNVB, aanwezig. En Ruud belde mij een week later op met de vraag of ik geïnteresseerd was in de functie van voorzitter van de amateursectie van de KNVB. Ik vond het meteen een leuk idee. Ik heb er wel eerst over nagedacht, met wat mensen erover gesproken en toen besloten om het te gaan doen. Vanaf de eerste kennismaking merkte ik overigens meteen wat voor professionele organisatie de KNVB is.”
2. Wat wordt jouw belangrijkste taak als KNVB-voorzitter?
“De bedoeling is dat ik nadrukkelijk de maatschappelijke betekenis van voetbal ga uitdragen. Dat betekent bijvoorbeeld dat ik in woord en daad duidelijk moet gaan maken welke impact het voetbal heeft op jongeren in de zin van sociale integratie, teambuilding, discipline, integratie, enzovoorts. Het moet namelijk mogelijk zijn om zoveel méér jongeren aan het voetballen te krijgen. Alleen al in de groep van 16 tot 22 jaar vind je veel te veel inactieve jeugd. Veel van hen zijn te dik, bewegen te weinig, eten slecht, drinken te veel alcohol. Dan kom ik al snel op mijn stokpaardje: als voorzitter van het voormalige Platform Bewegen en Sport MBO heb ik in 2007 met honderd prominente Nederlanders aan mijn zijde een appèl gedaan op de politiek om bewegen en sport een vaste plek te geven in het MBO. Dat is in het midden van de jaren negentig daaruit wegbezuinigd. Dat is zoals Erica Terpstra dat verwoordde een ‘historische vergissing’ gebleken. En niet alleen om gezondheidsredenen. Want onderzoek wijst ook uit dat de cognitieve ontwikkeling van iemand duidelijk achterblijft als zijn motorische ontwikkeling hapert. En ook dat iemand met een betere conditie meer zelfvertrouwen heeft en beter in staat is om te leren of te studeren. Vitaliteit is een randvoorwaarde om goed in taal te zijn en goed te kunnen rekenen. We snijden ons als Nederland Kennisland dus ook enorm in de vingers als we onze kinderen niet vanaf jonge leeftijd aan regelmatig laten bewegen en met sport in aanraking laten komen.”
3. Waardoor verloopt het dan toch zo moeizaam om bewegen en sport terug in het MBO te krijgen?
“Dit kabinet heeft daarvoor 28 miljoen euro ter beschikking gesteld. Daarvan is 18 miljoen euro bestemd voor het MBO. Dat is op zich prachtig, maar het geld is alleen bedoeld voor de laatste drie jaar van deze kabinetsperiode. Het zijn dus geen structurele gelden. Bovendien hangt het af van de goedwillendheid van de ROC-bestuurders of bewegen en sport écht onderdeel van het curriculum gaat uitmaken en dat is een veel te wankele basis. MBO-instellingen functioneren autonoom. Het bedrijfsleven zou zich hier trouwens ook krachtiger moeten laten horen, het gaat tenslotte om hun toekomstig personeel. Dat het zo moeizaam verloopt heeft όόk te maken met de korte horizon van vier jaar waar de politiek mee te maken heeft. Het is kennelijk moeilijk een politicus te vinden die een aanzienlijk deel van zijn budget wil aanwenden voor deze zaak. Terwijl de investering zich op lange termijn méér dan terugverdient. Een ‘gewone’ scholier/student kost de samenleving aan onderwijs ongeveer zevenduizend euro per jaar. Terwijl iemand die op de een of andere manier de boot mist en door de zorg moet worden opgevangen de samenleving ongeveer € 140.000 euro op jaarbasis kost. Ik ben ervan overtuigd dat bewegen en sport ervoor kunnen zorgen dat jongeren er een ander, gezonder leefpatroon op gaan nahouden en daardoor minder een beroep hoeven te doen op die extra zorg. De extra investering in vitaal burgerschap zal zich ook in die zin op lange termijn dubbel en dwars terugbetalen.”
4. Kan de KNVB helpen om meer jongeren in beweging te krijgen?
“Jazeker, en dat doet ze natuurlijk al. Voetbal is van zo’n grote betekenis. Kijk alleen al naar de droge statistieken: er zijn in Nederland 3.500 voetbalverenigingen, per week worden er 32.000 competitiewedstrijden gespeeld door 64.000 teams, de KNVB heeft 1,2 miljoen leden. Een enorm aantal. Toch moet dit aantal verder omhoog kunnen. Ik denk dat anderhalf miljoen leden zeker haalbaar is. De vijver waaruit we vissen is nog zo groot! Denk alleen al aan de half miljoen jongeren in het MBO. Daarvan is slechts dertig tot veertig procent actief in sport en bewegen.”
“Ik denk wel dat de KNVB moet blijven streven naar verbeteringen van het eigen aanbod, zich moet blijven afvragen of voetbal wel zo aantrekkelijk blijft om te doen. We moeten bijvoorbeeld blijven investeren in het tegengaan van de verruwing op en rond het veld. Daarom is het belangrijk dat we het accent leggen op de ontwikkeling van kader zoals coaches, trainers en scheidsrechters. Maar ik vind ook dat we onze spelregels ter discussie moeten durven stellen. Moeten we bijvoorbeeld de buitenspelregel niet afschaffen? Die zorgt in de praktijk voor veel irritatie, zeker ook bij de amateurs. Ik ben ook een voorstander van het afschaffen van het gelijke spel. Dan loont het veel minder om ‘op de nul’ te spelen. En wat is nu mooier als een wedstrijd een boeiend slot krijgt in de vorm van ‘shoot outs’ of strafschoppen?”
“Tot slot denk ik dat voetbalverenigingen niet alleen voetbal moeten aanbieden maar ook andere sporten. Logisch is om daarbij samen te gaan werken met andere verenigingen. Gebundeld krijgen samenwerkende verenigingen de massa die nodig is om een vereniging rendabel te kunnen runnen. Accommodaties en vrijwilligers kunnen dan ook veel efficiënter ingezet worden. En natuurlijk moeten verenigingen nόg meer gaan samenwerken met onderwijsinstellingen. Het zou veel vanzelfsprekender moeten zijn dat het naschoolse sportaanbod op de vereniging plaatsvindt. De invoering van de combinatiekracht is een flinke stap in de goede richting, maar ik vind het jammer dat er zoveel gesteggel plaatsvindt over de vraag waar deze kracht in dienst komt. Nu is dat bij de gemeente, maar is de continuïteit van deze aanstelling dan wel gewaarborgd? Dat vraag ik mij af en ik maak mij er zorgen om.”
5. Je bent zes jaar voorzitter geweest van de Stichting Utrecht Topsport. Waar staat Utrecht op het gebied van topsport momenteel?
“Ik ben niet tevreden over de positie van Utrecht als topsportstad. Die is veel te marginaal. De Stichting Utrecht Topsport was feitelijk een te kleine organisatie met te weinig slagkracht. Daarom is op zeker moment besloten om de stichting onder te brengen in Vereniging Sport Utrecht, toenmalig belangenbehartiger van alleen de breedtesport. Daardoor kon topsport gebruik gaan maken van een sterkere organisatie. Maar aan de andere kant bestond het gevaar dat topsport zich minder zou gaan profileren. Hoe het ondertussen verloopt, daar heb ik minder zicht op. Feit is wel dat bijvoorbeeld Amsterdam en Rotterdam het vele malen beter dan Utrecht doen. Het politieke topsportklimaat is daar toch nog veel beter en er werken in de betreffende topsportorganisaties méér professionals. Ik vind het wel jammer dat steden soms met elkaar concurreren, zoals laatst bij het binnenhalen van de start van de Tour de France in 2010. Ik vind dat steden samen meer als de BV Nederland moeten optrekken en minder apart. Gelukkig zie je dat wel gebeuren in het kader van het Olympisch Plan. Daar zie je dat mensen boven zichzelf uitstijgen en het landsbelang laten prevaleren boven het belang van de organisatie die zij vertegenwoordigen. Het streven om heel Nederland in 2016 op olympisch niveau te hebben, moet in mijn ogen trouwens ook gelden voor onderwijsinstellingen. Zij zijn volgens mij hét middel om sporten en bewegen als onmisbaar onderdeel van het normale leven te maken. We zouden scholen op het vermogen daartoe kunnen beoordelen. Dan kunnen ze bijvoorbeeld een olympisch kwaliteitslabel krijgen als ze aan de normen voldoen en bijvoorbeeld tevens officieel ‘partner’ worden van NOC*NSF. Het mooie is dat al mijn ideeën en ambities mooi aansluiten bij de ambities van de KNVB. Nu moeten ze nog geconcretiseerd en gerealiseerd worden. Ik zal er bovenop zitten!”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.