7 oktober 2008
Nieuws
Bart Zijlstra is vanaf 2003 werkzaam bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport waar hij begon als plaatsvervangend directeur Geestelijke Gezondheidszorg. In 2005 versterkte hij de directie Sport als plaatsvervangend directeur met onder meer ‘topsport’ in zijn portefeuille. In mei 2008 volgde Zijlstra Rob de Vries op als directeur van de directie Sport.
door: Peter Hopstaken | 7 oktober 2008
1. Ben je een sportliefhebber?
“Ik heb heel veel met sport, zowel actief als passief. Op zondags stap ik vaak met een paar vrienden op de racefiets en dan rijden we pakweg vijftig kilometer. Met die vrienden race ik trouwens ook regelmatig in de Ardennen. Bovendien hebben we zelfs verschillende ‘klassiekers’ gereden, zoals Luik-Bastenaken-Luik en de Amstel Gold Race. Daarnaast tennis ik ook, wat minder vaak dan vroeger omdat ik het te druk heb tegenwoordig. En ik heb veel aan hardlopen gedaan. Zo liep ik in 1990 bijvoorbeeld de marathon van Amsterdam, net niet onder de vier uur.
Maar ik kijk ook graag naar sportwedstrijden. Dat heb ik altijd al gedaan. Zo herinner ik me nog goed de WK-finale Nederland-Duitsland in 1974. Ik was toen negen jaar en ik keek samen met mijn familie in een hotel vol met Duitsers naar de wedstrijd. Dat was een traumatische ervaring natuurlijk, maar het heeft mijn interesse in sport niet bedorven. Integendeel, sport is juist altijd belangrijk geweest voor mij. Als ik de krant open sla, bekijk ik eerst de sportpagina’s.”
2. In welke mate kan een directeur van de directie Sport een stempel drukken op het uit te voeren sportbeleid?
“Het mag duidelijk zijn dat de staatssecretaris politiek verantwoordelijk is voor de uitvoering van het sportbeleid. De ambtenaren adviseren haar en ik heb daarbij de eindverantwoordelijkheid. Het kader is dus weliswaar politiek bepaald, maar daarbinnen heb ik veel ruimte en vrijheid. Die speelruimte gebruik ik onder meer om als directie Sport een zo sterk mogelijke speler te zijn in het beleidsveld waar we actief zijn. Dat kan naar mijn mening alleen als we sterke verbindingen leggen met andere sectoren binnen ons departement zoals Gezondheid en met andere ministeries zoals Onderwijs. Daarnaast ga ik ook graag sterke relaties aan met de wereld buiten politiek Den Haag, zoals bonden, gemeenten, sportverenigingen en ziektekostenverzekeraars. Eén van de leuke kanten van mijn werk is dan ook dat ik snel en makkelijk moet kunnen schakelen tussen al die verschillende partijen.”
3. De nota ‘Tijd voor Sport’ die momenteel uitgevoerd wordt, beslaat de periode 2006-2010. Liggen jullie op schema?
“In het najaar presenteren we een tussenevaluatie. Het Mulier Instituut, het centrum voor sociaalwetenschappelijk sportonderzoek, is bezig de gegevens daarvoor te verzamelen. We zijn denk ik over het algemeen goed op dreef, maar dat betekent niet dat we nu stil kunnen gaan zitten. Sterker nog, er moeten hier en daar wel wat slagen worden gemaakt. Dan denk ik met name aan de aanstelling van combinatiefunctionarissen bij gemeenten. Zij moeten de verbinding gaan leggen tussen de school en de sportvereniging. Het mes snijdt zo aan twee kanten: kinderen komen eerder in aanraking met sport en daarnaast worden de sportverenigingen sterker. In het najaar gaat er een delegatie van de directie Sport samen met onze collega’s van het ministerie van Onderwijs bij gemeenten langs om te zien hoe ver de gemeenten in het proces zijn. Zo nodig geven we ze een zetje. Als gemeenten zelf behoefte hebben aan een bezoek van ons dan kunnen ze ook zichzelf aanmelden.”
4. Het onlangs verschenen rapport ‘Topsport in Nederland’ van de Algemene Rekenkamer kwam met de opvallende aanbeveling dat de samenwerking tussen VWS en NOC*NSF zich zou moeten ontwikkelen van ‘subtiel’ naar ‘robuust’. Ben je het eens met deze opvatting?
“Iedere speler heeft zijn eigen rol. Wij voeren een landelijk sportbeleid in brede zin. Daarbij hebben we te maken met bepaalde restricties, bijvoorbeeld met prioriteiten van het kabinetsbeleid. NOC*NSF daarentegen behartigt vooral de belangen van de eigen leden. Zij willen het aandeel van de georganiseerde sport zo sterk mogelijk maken. NOC*NSF is dan ook deels een lobbyorganisatie. Dat levert in het contact met ons af en toe een gezonde spanning op, maar dat is niet erg. Mijn persoonlijke contacten met de belangrijke mensen binnen NOC*NSF zijn verder prima. Maar er staat in het rapport waarschijnlijk niet voor niets dat onze samenwerking beter zou moeten worden. Ik heb wel een idee wat onze bijdrage daarin zou kunnen zijn; de directie Sport moet wat transparanter worden. We moeten duidelijker maken waarom we iets willen en waarom we wat doen.”
5. Hetzelfde rapport vraagt zich af of, gezien de Nederlandse ambities om een topsportklimaat op Olympisch niveau te creëren, de ingezette publieke middelen proportioneel gezien reëel zijn. Ben je het eens met deze kanttekening van het rapport?
“Er is hier sprake van een mooie wisselwerking. Het sportbeleid geeft impulsen aan het Olympisch Plan en dat project genereert weer nieuw beleid. Op die manier is het Olympisch Plan 2028 een belangrijke inspiratiebron voor het sportbeleid en niet alleen op het gebied van topsport. Het voornemen levert ook impulsen voor de breedtesport op. Natuurlijk moet er ook naar de financiering van het plan gekeken worden. Zijn er private bronnen? Wat doet het bedrijfsleven? Vanuit de overheid dragen we ook ons steentje bij. Het is niet voor niets dat er vanuit de rijksbegroting twintig miljoen euro extra is vrijgemaakt voor sport. Welke andere sector kan ons nazeggen dat ze een vijfde van het totale budget extra hebben gekregen?
Of de investeringen hoog genoeg zijn gezien de ambities? Ik vind van wel. De investeringen volgen de ambities en niet andersom. Van belang is wel dat de sportinfrastructuur nog doelmatiger wordt. Gelukkig zien we goede voorbeelden om ons heen, zoals in het Huis van de Sport in Nieuwegein waar bijna twintig bonden en andere sportorganisaties bij elkaar zitten. Maar de sportwereld moet proberen ook elders schaalvoordelen te halen, door bijvoorbeeld vaker de contacten met het bedrijfsleven aan te halen en te benutten. Ook belangrijk is dat de sportwereld zich afvraagt hoe ze beter in de samenleving kan komen te staan. Daar is nog wel een slag te maken. Sport heeft van oudsher bepaalde conservatieve elementen. Denk bijvoorbeeld aan het beperkt aantal vrouwelijke sportbestuurders. Erica Terpstra is natuurlijk een goede ambassadeur voor de vrouwen, maar verder hebben alleen de tennis- en de karatebond een vrouwelijke voorzitter. Ook daar ligt nog een grote uitdaging voor de sport.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.