Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
5 vragen aan arie kauffman directeur van de judobond

5 vragen aan Arie Kauffman, directeur van de judobond

21 juli 2009

Nieuws

door: Peter Hopstaken | 21 juli 2009

1. In jullie beleidsplan las ik dat er in Nederland 100.000 actieve judoka’s zijn waarvan echter slechts iets meer dan de helft lid van de bond is. Hoe zit dat precies en wat doen jullie eraan om meer leden te krijgen?
“De judobond heeft 750 aangesloten clubs, verenigingen en (commerciële) sportscholen. Uit hoofde van dat lidmaatschap zijn de leden van die clubs – dus de judoka’s zelf – statutair verplicht lid van de bond. Die judoka’s moesten tot voor kort dat lidmaatschap zelf aangaan en zichzelf ook afmelden als ze stoppen met judo. Maar van de naar schatting honderdduizend judoka’s – die lid zijn van die 750 clubs – zijn er hooguit 55.000 lid van de bond. Kennelijk was voor een groot aantal judoka’s de prikkel te klein om lid van de judobond te worden. Terwijl je toch bijvoorbeeld lid moet zijn om aan officiële wedstrijden mee te doen, in aanmerking te komen voor selectietrainingen op alle niveaus en voor registratie van de (dan)graduaties, dus ook als je de zwarte band wilt gaan halen. Je ziet daarom wel relatief veel judoka’s met een bruine band alsnog lid worden.”

“Maar veel eerder al, onder de twaalf jaar, haken veel judoka’s af. Het verloop bij de jeugd is in sommige jaren zelfs twintig procent. En we hebben in deze leeftijdsgroep dus relatief veel kortlopende lidmaatschappen. Dat komt ook doordat kinderen vaak door hun ouders min of meer actief gestimuleerd worden om te gaan judoën om bijvoorbeeld hun energie kwijt te kunnen. Als bond richten we ons nu vooral op het behoud van deze leden, de werving gaat eigenlijk vanzelf. Eén van de projecten die binnenkort start is de start van JBN Kidsclub met een eigen website: Digidojo.nl. Daarmee hopen we de jonge judoka’s meer aan ons te binden.”
 
“Er is een flinke groep oudere, actieve judoka’s die het nalaat officieel lid van de bond te worden. Daarmee lopen we veel inkomsten mis. Met meer leden zouden we onze dienstverlening aan verenigingen aanzienlijk kunnen uitbreiden en gelijktijdig kan ook de gemiddelde contributie omlaag. Er is in het verleden wel eens overwogen om juridisch af te dwingen dat alle nog niet-aangesloten judoka’s alsnog lid van de bond worden. Vooralsnog vinden we dat een te zwaar middel en proberen we het met een nieuw contributiestelsel. Wat onder andere inhoudt dat als de club zijn leden opgeeft deze wordt beloond. En dan sterker naarmate door de club méér leden worden aangemeld. Enerzijds voor het opgeven en anderzijds voor het eventueel collectief afdragen van de contributie. Dit stelsel lijkt nu al enig effect te sorteren. Naast de aangesloten clubs zijn er ook nog ‘wilde clubs’ waar - onder meer - aan judo gedaan kan worden. Hoeveel wilde clubs er precies zijn, weet ik niet. Kennelijk hebben we deze clubs als bond niets additioneels te bieden. Ze organiseren zelf hun niet-officiële wedstrijden en hebben geen behoefte om per judoka contributie aan de bond te moeten betalen.”

“Judo kun je dus heel goed ongeorganiseerd beoefenen, maar toch zijn er grote verschillen met andere takken van sport met veel ongebonden sporters zoals atletiek en wielrennen. Voor judo heb je per definitie een sparringpartner en een judomat en dus accommodatie nodig. Bovendien heb je vergeleken met atletiek en wielrennen meer directe, ‘visuele’ begeleiding nodig. Judo is namelijk een hele technische sport. Een goede judoleraar is daarom van extra groot belang.”

2. Van 26 tot en met 30 augustus vindt in Rotterdam het WK Judo plaats. Wat komt er voor jullie kijken bij de organisatie en hoe zorgen jullie ervoor dat ‘we’ het als land op ons cv kunnen bijschrijven als ‘excellent evenement’?
“Ik ben pas in 2007 in dienst getreden, dus tot die tijd ben ik nergens betrokken bij geweest. Reken maar dat er in de loop der jaren heel wat bij komt kijken. Dat begint al bij de bidfase. In 2004 dienden we ons bid in, in september 2005 hebben we het toegewezen gekregen. De financiering hebben we in 2006 sluitend gekregen. Veel marketingrechten behoren weliswaar de internationale judofederatie toe, maar wij mochten wel suppliers aantrekken en de kaartverkoop organiseren. Een belangrijke kostenpost is natuurlijk de accommodatie, Ahoy in Rotterdam. We zijn zeer tevreden met subsidies van VWS en Rotterdam Topsport. De target voor de kaartverkoop hebben we al vrij vroeg gehaald. Begin juli hadden we tachtig procent van de kaarten voor het weekend verkocht en vijftig procent van de kaarten voor de wedstrijden door de week. NOC*NSF en de Partners in Sport kan je in dat kader trouwens ook als sponsor beschouwen. Zij zijn als partner van het WK op elke toernooidag aanwezig en hebben daarbij voor hun gasten vier businessboxen afgenomen. We werken verder nauw samen met de partners van NOC*NSF. Zo levert Randstad de hostesses, heeft de Lotto - die ook sponsor van de judobond is - een stand, en organiseert Unilever een publieksactie waar entreekaarten mee te winnen zijn. Iets dergelijks doen de Nederlandse Spoorwegen ook.”

“Onze ambitie is om het beste WK ooit te organiseren, op een niveau dus dat niet eerder gehaald is. Denk daarbij aan de inrichting van de zaal, de belichting, de VIP-faciliteiten, de business-to-business activiteiten. We proberen het allemaal zo aantrekkelijk mogelijk te maken, juist ook voor het niet-specifieke judopubliek. En voor de televisiekijkers. Met de NOS hebben we een cameraplan opgesteld, dat is voor het eerst. Uiteindelijk willen we een hele goede indruk achterlaten om op die manier kort na 2012 weer een groot toernooi toegewezen te krijgen. We zijn op de goede weg hoor. Onlangs hebben we met de internationale judofederatie een contract getekend om de komende drie jaar een Grand Prix wedstrijd in Rotterdam te organiseren. Daarvan zijn er maar acht per jaar, dus het is extra goed dat we daar voortaan bij horen.”

3. Hoewel jullie bondsbureau in Nieuwegein gehuisvest is, behoren jullie niet tot het ‘Huis van de Sport’ waar twaalf sportbonden zijn gevestigd en dat ook in Nieuwegein staat. Hoe staat de judobond tegenover samenwerking met andere bonden?
 “We zijn momenteel in overleg met het Huis van de Sport in Nieuwegein om eventueel mee te gaan doen met het ‘Huis van de Sport nummer twee’. Dat krijgt een plek naast het huidige complex. De bedoeling is dat de twee gebouwen met elkaar in verbinding komen te staan door onder meer een loopbrug. Bij onze afweging moeten we de financiële gevolgen van een verhuizing zwaar mee laten wegen. Onze huidige accommodatie is namelijk lastenvrij. Punt is wel dat ons huidige bondsbureau niet meer aan de hedendaagse normen voldoet. Maar de wens van het bestuur is ook altijd geweest om als bond zelfstandig te blijven en een eigen ingang te houden. Die opvatting moeten we dus ook heroverwegen.”

“Een voordeel van meedoen in het Huis van de Sport is uiteraard dat we dan bepaalde dienstverlening kunnen delen met andere bonden. Daar hebben we al een zekere ervaring mee. Want in 2005 heeft een aantal kracht- en vechtsportbonden hun ledenadministratie en financiële administratie ondergebracht bij de judobond. Aanvankelijk ging het om de taekwondobond, karatebond, krachtsport en fitnessfederatie, boksbond en de federatie oosterse gevechtssporten. Daarnaast heeft de judobond met enkele van deze bonden ook aanvullende afspraken gemaakt voor verdere ondersteuning, zoals de coördinatie van beleidsvoorbereiding en de voorbereiding van subsidieaanvragen en subsidieafrekeningen.”

“De eerste driejarige overeenkomst van deze samenwerking is inmiddels achter de rug. In die periode zijn de krachtsport en fitnessfederatie en de federatie oosterse gevechtssporten hun eigen weg gegaan. De krachtsport en fitnessfederatie omdat ze een nieuwe locatie op Papendal heeft betrokken. De federatie oosterse gevechtssporten deed van oorsprong al niet zo strak mee, feitelijk hangt die federatie wat los aan elkaar. De karatebond is afgehaakt omdat ze een groot ledenverloop hadden en van mening waren dat de judobond te weinig ondernam om dat tegen te gaan. Bovendien schreven we in hun ogen te makkelijk niet-betalende leden af.”

“Uiteindelijk werken we nu alleen nog samen met boks- en taekwondobond. Het oorspronkelijke plan om een groot aantal kracht en vechtsporten te bundelen is dus niet helemaal geslaagd. Misschien waren we er te vroeg mee. Maar ik denk ook dat het voeren van een ledenadministratie en financiële administratie niet tot de corebusiness van een sportbond behoren. Misschien moet daar eerder aan uitbesteden worden gedacht. Ik zie veel meer in samenwerking tussen bonden op het gebied van evenementenorganisatie, de ontwikkeling van opleidingen, marketing en beleidsontwikkelingen in het algemeen. Dat is veel ingewikkelder om samen te gaan doen, maar op termijn bereik je er meer mee.”

“Sportkoepel NOC*NSF stimuleert dat kleine bonden intensief gaan samenwerken of zelfs gaan fuseren. Ik snap de bedenkingen daartegen van veel bonden, maar ik vind het al een hele vooruitgang dat er over de mogelijkheid van samenwerking gesproken wordt. Vaak zien directie en werkorganisatie overigens wel de voordelen van verregaande samenwerking en/of fusie, maar ligt dat bij het bestuur van een bond en de vrijwilligers gevoeliger. Hun kennis en betrokkenheid is toch wat verschillend van die van de werkvloer. Bovendien raakt samenvoeging en/of fusie van een bond het eigen bestaansrecht. Overigens vraag ik mij zelf όόk af of in het geval van de judobond samenbundeling dé oplossing is. Samenwerken vind ik prima, maar ook ik zou moeite hebben met verlies van zelfstandigheid van de bond.”

4. Er is een selectiecommissie samengesteld met o.a. vijf bondsvoorzitters met als opdracht om een nieuwe voorzitter van NOC*NSF te vinden. Had jullie voorzitter in die commissie willen zitten?
“Jazeker. Onze voorzitter Jos Hell heeft aangegeven beschikbaar te zijn voor de selectiecommissie. Uiteindelijk behoorde hij niet tot de vijf leden die de bonden vertegenwoordigen in de selectieprocedure. Wij zijn verder niet zo met de opvolging van Erica Terpstra bezig. Ik vind wel van belang dat met de komst van een nieuwe voorzitter ook de rust bij NOC*NSF terug zal komen. Ik zou in dat kader overigens zelf wel wat zien in een ander bestuursmodel. Met een betaalde voorzitter en een Raad van Toezicht op grotere afstand. Feitelijk het KNVB-model. Je voorkomt daarmee het bekende pettenprobleem. In de huidige situatie kunnen de voorzitter en de directeur elkaar min of meer voor de voeten blijven lopen, als er geen goede afspraken - die ook de buitenwereld begrijpt - worden gemaakt over de taakverdeling. Ook blijft op deze manier niet helder wie het ‘gezicht’ van NOC*NSF is. Bovendien, als er een betaalde voorzitter zou komen, zou het aantrekkelijker zijn voor een type als bijvoorbeeld Leo van Wijk om voorzitter van NOC*NSF te worden. Nu zou hij daar niet voor in aanmerking willen komen, heeft hij zelf meerdere keren aangegeven. Ik zou Ivo Opstelten een hele goede opvolger van Erica Terpstra vinden. Of Els van Breda Vriesman, zij weet toch precies wat er bij zo’n functie komt kijken. André Bolhuis zou natuurlijk ook kunnen. Of Clémence Ross. Maar zij zal haar directeurschap van NISB er vast niet voor willen opgeven.”

5. Er is rond de afvaardiging voor de Olympische Spelen van Beijing veel gedoe geweest rondom de aanwijzing van Dennis van der Geest in plaats van Grim Vuijsters. Terwijl Van der Geest in de laatste jaren vόόr Beijing vaak geblesseerd was en Vuijsters lange tijd achter elkaar uitstekend presteerde in internationale wedstrijden. De vader van Van der Geest was voorzitter van de selectiecommissie. Heeft de judobond iets verkeerds gedaan achteraf gezien?
“De directeur speelt geen enkele rol in de selectieprocedure, en de inrichting van de technische staf was de verantwoordelijkheid van het bestuur. De selectieprocedure voor Beijing was volstrekt duidelijk en ook in brede kring gecommuniceerd. Ik denk wel, achteraf gezien, dat er tekortkomingen zijn geweest. Om te beginnen in het communicatieproces. Vuijsters werd door de judobond gefeliciteerd met zijn Olympische nominatie, maar daarbij werd niet uitdrukkelijk vermeld dat nominatie geen garantie is voor uitzending. Bovendien is het inderdaad vragen om problemen als je een familielid als voorzitter van de technische staf - die de selectie maakt - benoemt. Ik heb ervaren dat Van der Geest zich in deze kwestie, toen het aankwam op selecteren, bewust afzijdig heeft gehouden. Het is zuiver gespeeld! Toch heeft hij de schijn tegen.”

“Ik vind er veel voor te zeggen om de bondscoach de beslissende stem te geven. Hij heeft uiteindelijk het beste overzicht, hij of zij kan de judoka’s het beste met elkaar vergelijken. Overigens is dat in een individuele sport lastiger dan in een teamsport. Het gaat erom dat je degene selecteert die de grootste kans heeft op de eindoverwinning. Daarom vond ik de suggestie destijds om Van der Geest en Vuijsters in een serie gevechten te laten uitmaken wie er naar Beijing uitgezonden zou worden een onzinnige. De winnaar van deze cyclus wedstrijden zou niet per definitie degene zijn met de grootste medaillekansen. Bovendien is er onnodig blessurerisico. Achteraf is het extra zuur dat de blessuregevoelige Van der Geest in Beijing al in de eerste ronde moest afhaken met een blessure. Maar Van der Geest had ook de pech dat hij uitgerekend al in die eerste ronde de tegenstander trof die hij het minst graag tegenover zich zag. In tegenstelling tot veel andere individuele sporten worden judoka’s nog niet geplaatst bij een toernooi. Het is daardoor goed mogelijk dat de twee beste judoka’s al in de eerste ronde tegen elkaar strijden. De frustratie van Vuijsters over de hele gang van zaken is begrijpelijk. Hij mag het nu allemaal laten zien. Ik ben daar wel optimistisch over."

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.