door: Lennart Bloemhof | 11 februari 2014
1. Wat voor rol speelt sport in jouw leven en hoe ben je bij VSG terechtgekomen? “Sport zit in mijn aderen. Ik heb altijd al een passie voor sport gehad, in allerlei vormen. Op mijn veertiende ging ik schrijven voor een lokaal dagblad in mijn geboorteplaats Alphen aan den Rijn. Dat heb ik tien jaar gedaan en daardoor leer je de breedtesport goed kennen, van tafeltennis tot cricket. Zelf was ik daarnaast een fanatiek waterpoloër bij AZC. In de jaren tachtig maakte ik als AZC-speler Europacupfinales mee, speelde in Nederlandse (jeugd)teams en na mijn sportcarrière richtte ik de eerste professionele waterpoloschool van Nederland op en zat ik in een internationaal bestuur van Europese topclubs. Die waterpolopassie heeft mij in mijn huidige werk een speciale interesse in zwembaden, en de exploitatie daarvan, opgeleverd.
“Voordat ik bij VSG terechtkwam, studeerde ik allereerst Politicologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Die studie heb ik niet afgemaakt, maar het leverde mij wel inzicht op in politiek en wakkerde mijn bestuurlijke interesse aan. In de jaren negentig werkte ik als zelfstandig communicatieadviseur en vanaf 2001 tot 2005 was ik bij Sportfondsen Nederland verantwoordelijk voor Marketing en Communicatie. Via Sportfondsen Nederland ben ik bij VSG terechtgekomen. De aanleiding voor die overstap was wel apart: in die tijd speelden er vervelende zaken voor zwembaden. Zo waren er regelmatig incidenten als chloorontsnappingen, verdrinkingen en legionellabesmettingen. Sportfondsen exploiteert zo’n honderd zwembaden en toen zijn we met landelijke, grote partijen gaan kijken of we - om de problemen tegen te gaan - van wetgeving naar zelfregulering konden gaan via een keurmerk. Dat mondde uit in het Keurmerk Veilig & Schoon en het Protocol Vrolijk & Veilig. Bij de ontwikkeling daarvan was ik betrokken. Zo kwam ik in contact met Paul Coppes, de toenmalig directeur van Landelijk Contact (LC) (de voorloper van VSG, red.) die eind vorig jaar helaas is overleden.
“Paul vroeg mij of ik bij LC aan de slag wilde. De organisatie had het op dat moment moeilijk en stond voor een reorganisatie en heroriëntatie. Zijn vraag kwam voor mij op het goede moment. Bij Sportfondsen was ik wel klaar omdat ik datgene had afgerond waarvoor ik was aangenomen. Verder ben ik niet zo van het pappen en nathouden. Ik hoefde daarom niet lang na te denken, ook al ging ik van een organisatie met ongeveer drieduizend mensen naar een kernteam met tien personen en een groot aantal kundige vrijwilligers. VSG vertegenwoordigt alle gemeenten van Nederland en is daarom voor iedereen een belangrijke gesprekspartner.
“Sinds ik bij VSG binnenkwam, ben ik nadrukkelijk betrokken bij het veranderen en herpositioneren van de organisatie. In 2006 hebben we onze naam veranderd van LC in VSG. Het hoofdveld van de organisatie moet sport en gemeenten zijn, maar er komen steeds meer bijveldjes bij, zoals sport en gezondheid of sport en onderwijs. Die ontwikkeling aanduiden was in het begin van mijn VSG-periode vloeken in de kerk. Of je zag sport als doel en dan was je op de hand van NOC*NSF, of je zag sport als middel en dan was je meer van de geitenwollen sokken. Die tweedeling leefde heel sterk. Toen we bijvoorbeeld voor de naam VSG kozen, was NOC*NSF blij en baalde NISB omdat ze bang waren dat we te sportminded zouden zijn. Dat beeld is nu volledig bijgedraaid en gelukkig komen we met z’n allen nu op het punt dat sport niet zo makkelijk is in te kaderen. Ik vind daarom dat we moeten stoppen met het isoleren van sport, bijvoorbeeld op gemeentebegrotingen. Sport is een onderdeel van de keten waarin mensen zich begeven en we tekenen daar te makkelijk een lijn omheen. Als sport wordt ingezet voor bijvoorbeeld gezondheids- of Wmo-doelstellingen, dan moet vanuit die hoek ook geld worden toegevoegd aan de sportbegroting.”
2. Hoe kijk je met die gedachte in het achterhoofd naar de aankomende gemeenteraadsverkiezingen? En zijn er grote verschillen tussen de sportparagrafen van de politieke partijen?“2014 is een cruciaal schakeljaar voor de sport in Nederland. Vanaf 2015 start de decentralisatie van overheidstaken naar gemeenten, waarmee gemeenten verantwoordelijk worden voor zaken als jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen. Ik durf daarom te beweren dat wanneer iemand in maart het stemhokje ingaat, hij of zij dan een keuze maakt voor vraagstukken die de komende dertig jaar actueel blijven vanwege die decentralisatie. De uitbreiding van gemeentelijke verantwoordelijkheden zal uiteraard ook gevolgen hebben voor de sector sport en bewegen.
“De politiek heeft het belang van de verkiezingen inmiddels ook in de gaten. Als je namelijk de verkiezingsprogramma’s van alle partijen naast elkaar legt, zal je niet meer dan tien procent verschil ontdekken. Wel zijn er traditionele verschillen te vinden tussen de politieke partijen in de sport- en beweegparagrafen van de programma’s. Van de maakbare samenleving die partijen als PvdA en SP onderschrijven en vinden dat de overheid de kosten op zich moet nemen om de beweegparticipatie op niveau te houden, tot de marktwerkinggedachte van de VVD. Het CDA heeft een interessante sportparagraaf en zet in op het ondersteunen van vrijwilligerswerk, ontstaan vanuit de kerkelijke achtergrond van de partij.
“Maar ik blijf erbij: sport is geen politiek en politiek is geen sport. Het is van iedereen en heeft een eigen rol in alle sectoren. Die gedachte moet centraal staan in de gemeenteraadsverkiezingen. De gouden weg is straks om met iedereen aan tafel te zitten, vervolgens kijken in een wijk of buurt waar behoefte aan is, en daar het beleid op af te stemmen. Verschillen tussen sportverenigingen zijn vergelijkbaar met verschillen tussen mensen. Sommige verenigingen hebben hulp nodig en sommigen kunnen het alleen.”
3. Toch hangen bezuinigingen als een zwaard van Damocles boven de gemeenteraadsverkiezingen. Heb je ook inzicht in mogelijke bezuinigingen op de sport- en beweegsector in gemeenten?“Sinds 2010 monitoren we samen met het Mulier Instituut de bezuinigingen op sportgebied. Daaruit blijkt dat gemeenten vanwege de economische crisis hebben gewacht met het doorberekenen van de crisis naar de burger om de sportinfrastructuur niet te schaden. Nu de economie herstelt, stappen gemeenten langzaam van die lijn af. Dat zal door alle sectoren worden gevoeld, en dus ook door de sector sport en bewegen. Alleen zien we in de voornemens wel dat er op sport en bewegen relatief het minste bezuinigd zal worden in vergelijking met andere sectoren. Maar bezuinigingen zijn onvermijdelijk.
“Waarop dan bezuinigd zal worden? Dat zullen zaken als gebouwbeheer zijn. In sommige gevallen zal de sportvereniging dan zelf het gras van het sportveld moeten gaan maaien, in plaats van de gemeente. Verder is sinds 1 juli 2012 de Wet Markt en Overheid in werking, waarmee oneerlijke concurrentie wordt tegengegaan tussen overheden en bedrijven om zo gelijk mogelijke concurrentieverhoudingen te creëren. Die wet is bedacht in Brussel en betekent voor gemeenten dat ze aan marktwerking moeten doen en daarom de kosten van de verhuur van gemeentelijke sportaccommodaties marktconform moeten doorberekenen naar sportverenigingen.
“De overgangsperiode voor die wet is twee jaar en je ziet dat gemeenten daar nu volop mee bezig zijn. Om sportparticipatie te bevorderen, zit er van oudsher vaak een gat tussen de marktconforme accommodatiehuur en wat er daadwerkelijk wordt doorberekend aan de vereniging. Dat zal gaan veranderen. Wel kan de gemeente de accommodatie als ‘maatschappelijk belang’ betitelen, waardoor het niet de volledige last hoeft door te bekekenen. De veldhuur zal dan bijvoorbeeld tussen de van oudsher betaalde 10 euro per uur en marktconforme 25 euro per uur, op 15 euro gaan zitten. Maar hoe een gemeente dat precies gaat aanpakken, zal verschillend zijn.”
4. Dat indiceert dat er per gemeente verschillend op sport bezuinigd zal worden. Waarop mag volgens jou absoluut niet bezuinigd worden en wat is verder de rol van VSG in de aankomende gemeenteraadsverkiezingen?“Het is niet zo dat wij heel erg voor of tegen bepaalde bezuinigingen zijn. Op die manier kijken wij er niet naar. Wij kijken naar datgene wat er allemaal al is in een gemeente, wat de gemeente aanbiedt en wat de vraag is in de regio. Die zaken willen we bij elkaar brengen en samenwerken is daarbij het credo. Ik noem dat het kijken naar de werkende bestanddelen van de sport.
“Een sportaccommodatie is bijvoorbeeld een veilige en schone omgeving. Kunnen we daar ook de rest van de wijk van laten meeprofiteren? De gemeente is vanwege de overheveling van overheidstaken de komende jaren bijvoorbeeld steeds meer geld kwijt aan ouderenzorg. Als je dan het sportcomplex op een doordeweekse dag openstelt voor een spelmiddag voor senioren, kun je misschien als vereniging accommodatiekosten delen en profiteren van de opbrengsten. Dan heeft iedereen daar baat bij: gemeente, ouderenzorg en sportclub. Het werkende bestanddeel is dan de accommodatie. Dat wil niet zeggen dat de sportvereniging kartrekker van dat proces moet zijn. Als een club zegt: ‘Wij vinden alleen het organiseren van wedstrijden en trainingen genoeg’, dan is dat ook goed. Misschien wil een andere partij dat dan op zich nemen. Het gaat om de samenwerking.
“Een ander bekend werkend bestanddeel van sport is gezondheid. Iedereen weet dat sporten gezond is en dat gezondheidsproblemen vaak ontstaan op middelbare leeftijd. Maar juist mensen van die leeftijd stromen het meeste uit bij verenigingen. Hoe kun je die mensen langer aan je sportclub binden? Daar moet je voor samenwerken, ook met partners die niet altijd voor de hand liggen. Een mooi voorbeeld daarvan is bureau Halt. Samen met de KNVB en enkele voetbalclubs heeft Halt een pilot gedraaid om preventief te werken aan een veilige sportomgeving. Halt-bureaus staan voornamelijk bekend om het aanpakken van de vervelende jongens op de straathoek. Maar wat weinig mensen weten, is dat zij ook ontzettend veel kennis hebben op het gebied van ouderparticipatie. Die kennis wordt nu gebruikt om trainers en vrijwilligers vaardiger te maken en ouders te betrekken bij hun kinderen en zo te behouden binnen de vereniging. Ik wil met dit voorbeeld benadrukken dat de kennis er al wel is in de maatschappij, maar vaak niet gebruikt wordt. Ik zeg: zoek die kennis op en gebruik het. Ga niet zelf zitten hobbyen. Er ligt een taak voor ons - als VSG - om dat besef te benadrukken en zaken zichtbaar te maken samen met onder meer de bonden, NOC*NSF, NISB en VWS.
“Wij adviseren gemeenten om zich constant af te vragen of een bezuiniging ook wel een echte bezuiniging is. Ik onderstreep daarbij integraliteit en het ketendenken en heb meestal nog geen uur nodig om een College integraal te laten kijken naar andere opties voor een sportbezuiniging. Gemeenten moeten zich bijvoorbeeld afvragen wat het gaat kosten als bewegingsarmoede doorzet. Een goed voorbeeld daarvan is de campagne van neuropsycholoog Erik Scherder, oud-topschaatser Ard Schenk en hersenonderzoeker Dick Swaab rond de ziekte van Alzheimer en het benadrukken van het belang van een gezonde leefstijl om de ziekte te voorkomen en/of te vertragen. Over twintig jaar is Alzheimer waarschijnlijk volksvijand nummer één, maar ik ga niet tegen iemand van zestien zeggen dat hij veel moet sporten om geen Alzheimer te krijgen. Die lange termijn moet een wethouder Wmo-beleid juist wel aanspreken. Als je daarmee namelijk zorgkosten voor de samenleving kunt besparen, wordt sport en bewegen niet alleen leuk, maar ook goedkoop.”
5. Wat zijn de speerpunten voor VSG in 2014 en hoe zie jij de toekomst van de organisatie en je eigen carrière?“Er zijn prachtige voorbeelden van sportsamenwerkingsprojecten in gemeenten waarvan het effect wetenschappelijk gemonitord en bewezen is, zoals het project ‘Overvecht Gezond!’, waarbij onder andere huisartsen, de GGD en sportverenigingen uit de Utrechtse wijk Overvecht proactief inhaken op (toekomstige) gezondheidsproblemen bij hun patiënten of cliënten. Daar is de zorgvraag inmiddels met zo’n vier procent teruggedrongen. Dat soort projecten willen we delen via VSG.
“De veranderende overheid wordt namelijk verward met een terugtrekkende overheid. Nederland is een redelijk intelligent land en staat in de meeste lijstjes in de top tien. Je kunt je dan afvragen of je de overheid op een top-down manier nog wel nodig hebt. Er zit genoeg kennis bij de overheid, in de private sector, de wijk en bij de sportclub om op een horizontale manier te besturen, zoals het Overvecht-voorbeeld aantoont. Dat horizontale is de kansrijkste bestuursvisie, want we zijn inmiddels al tien jaar onderweg naar een civil society. Horizontaal denken begint allemaal bij vertrouwen tussen de partijen en laat de gemeente dan in een nieuwe rol de uitnodigende partij zijn, als de faciliteerder die alles bij elkaar brengt.
“Voor VSG zie ik ook een soortgelijke rol weggelegd en dat is ook de richting die we de laatste jaren zijn opgegaan. We zitten dichter op onze leden en werken meer bottom-up. Wij zijn een platform om te ontmoeten en om goede voorbeelden mee te delen. Met die missie in mijn achterhoofd bezoek ik bijna dagelijks onze leden. Daarnaast bouwen we een brug tussen gemeenten en partijen zoals VWS, NISB en NOC*NSF. Daar gaan we mee door.
“Momenteel is ruim 70 procent van alle Nederlandse gemeenten bij ons aangesloten en daar horen alle gemeenten bij met meer dan 20 duizend inwoners. Met dat percentage zijn we iets gegroeid ten opzichte van andere jaren. Maar het aantal lidmaatschappen zegt mij niet zoveel en we gaan ook niet heel hoog inzetten op het aantrekken van meer gemeenten. Wij zijn er in essentie voor alle gemeenten en focussen ons op de kwaliteit van de ondersteuning.
“In 2014 blijven we vooral goede voorbeelden delen. Daarnaast zijn we gestart met het opnieuw indelen van VSG-regio’s. Het afronden van die indeling zal nog wel een paar jaar duren, maar ze zijn te vergelijken met de veiligheidsregio’s in Nederland met pakweg twintig gemeenten per cluster. We hopen daarmee meer inzicht te krijgen in of er zoiets bestaat als een regionaal gedeeld sportbeleid en waardoor dat dan gebonden wordt. Verder ontsluiten we cijfermateriaal voor gemeenten rond sportbeleid, zodat we kunnen zien welke sportmaatregelen wel of niet werken. Dan kun je als wethouder ook onderbouwen waarom je een beleidskeuze maakt. Dat
evidence based werken vinden wij belangrijk, zodat je als gemeente precies weet wat je aan het doen bent.

“Zelf zit ik bij VSG goed op mijn plek. Ik heb geen strakke carrièreplanning en ik hoef me ook niet te vervelen. Met mijn politieke partij Nieuw Elan was het mijn ambitie om in het College van Alphen aan den Rijn te komen. Dat is inmiddels gelukt. Verder vind ik de ketenaanpak in wijken en kernen en het denken in verbinding ongelofelijk interessante processen en daar maak ik nog graag een tijdje deel van uit.
"Ook ben ik voorzitter van het Jeugdsportfonds Zuid-Holland, dat kinderen van 4 tot en met 18 jaar uit gezinnen met weinig geld de mogelijkheid biedt om te gaan sporten bij een sportvereniging. Zolang dit soort organisaties nog moeten bestaan, ben ik nog lang niet klaar.”