26 april 2011
Nieuws
1. Wat is de rode draad van de bijdragen in de bundel ‘Het kost tijd…’?
“Die is tweeledig. De bijdragen in het eerste deel zoeken naar verklaringen waarom mensen niet aan sport doen en het tweede deel onderzoekt groepen en de manier waarop in bepaalde groepen wordt aangekeken tegen sport. Het zijn vragen die beleidsmakers vaak stellen en we hebben veel kennis op dit gebied samengevoegd. Maar het is niet alleen een handvat voor beleidsmakers om niet-sporters over te halen te gaan sporten. In een aantal bijdragen komt ook de vraag naar boven: moeten we alle niet-sporters willen overhalen te gaan sporten? Wat is eigenlijk de rationalisatie achter die doelstelling?”
“Beleidsmakers willen graag een simpel antwoord op de vraag waarom mensen niet aan sport doen, maar dat is er niet. Het is een complex aan factoren. De persoonlijke omgeving speelt een rol, werk, kinderen. Mensen geven vaak aan geen tijd te hebben, of geen geld. Als iemand veel van dat soort belemmeringen ervaart, is het moeilijker om sport nog echt leuk te vinden en andersom ervaart iemand sneller belemmeringen als hij of zij toch al niet zoveel plezier aan het sporten beleeft. Natuurlijk is er ook nog altijd een kleine groep die simpelweg echt niet wil: de sporthaters. En er is een groep die echt niet (meer) kan, vanwege bijvoorbeeld leeftijd, of meervoudige fysieke beperkingen. Het merendeel van de niet-sporters zit daar ergens tussenin. Geen tijd of geen geld is in sommige gevallen ook geen prioriteit.”
2. Welke bijdrage vond je het meest verrassend?
“Als samensteller van de bundel vind ik natuurlijk alle bijdragen waardevol. Een verrassende bijdrage in de bundel komt van Corina van Doodewaard en Froukje Smits onder de titel ‘Sport en geloof: jongeren in tweestrijd’. Op zoek naar de verklaringen waarom mensen niet sporten, moet je ook naar sociaaleconomische en culturele verschillen kijken. Hoewel zeker niet zaligmakend, is de groep waartoe mensen behoren een belangrijke voorspeller van sportgedrag. Doodewaard en Smits constateren dat er onder reformatorische jongeren relatief veel niet-sporters zijn en onderzoeken de invloed van de manier waarop er in deze specifieke geloofsgroep wordt aangekeken tegen sport op het sportgedrag. De gedachte dat sport goed is en dat iedereen aan sport zou moeten doen, is niet voor iedereen vanzelfsprekend. Van de islam hadden lezers dat misschien wel al verwacht, maar deze bijdrage laat zien dat ook andere groepen in de samenleving zijn die anders tegen sport aankijken.”
3. Heeft het overheidsbeleid gewerkt dat de afgelopen jaren in Nederland is gevoerd om meer mensen aan het sporten te krijgen?
“Ja, dat denk ik wel. De sportparticipatie is omhoog gegaan en dat komt niet alleen omdat mensen uit zichzelf meer zijn gaan sporten. Dat heeft wel degelijk te maken met stimulering vanuit de overheid en het feit dat de overheid meer faciliteiten heeft gecreëerd, bijvoorbeeld bereikbare en betaalbare sportvelden en -zalen. Het beleid is dus tweeledig. Enerzijds het creëren van een positief beeld over sport. En anderzijds het verzorgen van een laagdrempelig sportaanbod. Als het gaat om de beeldvorming moet je denken aan massamediale campagnes, van ‘Trim je Fit’ zo’n dertig jaar geleden tot recentelijk ‘Meedoen Alle Jeugd door Sport’. Vroeger was sport iets voor fanatici, maar het idee dat sport goed is - dat positieve beeld - is heel belangrijk voor de motivatie. De laatste jaren is er naast sportbeleid ook beweegbeleid gekomen. Dat is iets anders dan sportbeleid, maar draagt wel bij aan een positief beeld van sport. Het gaat mij echter te ver om traplopen ook een sport te noemen, zoals André Bolhuis deed tijdens de presentatie van het boek. Meer bewegen is iets anders dan meer sporten. Bridge en schaken zijn ook sporten en andersom meten wij als sportonderzoekers niet alle vormen van bewegen zoals fysieke arbeid of lopend/fietsend naar school of werk. Fitnessactiviteiten tellen wij wel mee, hoewel mensen die aan fitness doen, dat zelf niet altijd sport vinden. Het is belangrijk om bewegen en sporten uit elkaar te houden, maar de nadruk van het belang op gezond leven, heeft ook het sportbeleid gestimuleerd. Sportbeleid moet er vooral op gericht zijn om alle mensen de kans te bieden om te sporten.”
4. Je gaf zelf aan dat het boek ook vraagtekens zet bij de normatieve doelstelling: waarom móeten steeds meer mensen sporten? Wat is de ratio achter die doelstelling?
“De beweegnorm is meer gefundeerd dan de huidige sportnorm. Vijf keer per week dertig minuten bewegen draagt bij aan de gezondheid en het is duidelijk wat de maatschappelijke voordelen zijn: lagere ziektekosten, minder ziekteverzuim. Als het om sport gaat, is de doelstelling om de sportparticipatie te verhogen van 65 naar 75 procent van de bevolking. Dan gaat het om mensen die twaalf keer per jaar deelnemen aan een sportactiviteit. Wat dat nou oplevert, is onduidelijk. Het is een doelstelling om een doelstelling te hebben. Dat hoeft niet verkeerd te zijn, maar de rationaliteit ontbreekt een beetje. Het stellen van zo’n doel leidt ertoe dat je gaat proberen het op een zo efficiënt mogelijke manier te bereiken. Daar schuilt een gevaar in. Om die 75 procent sportparticipatie te halen, heb je misschien een bepaalde moeilijk bereikbare groep helemaal niet nodig. Dan kan de keus gemaakt worden om die groep helemaal te laten vallen. Het kost alleen maar geld en in het licht van de doelstelling is het veel efficiënter je energie op andere groepen te richten. In dat geval leidt die doelstelling tot uitsluiting. Op dit moment is dat overigens niet het geval. De meeste gemeentelijke middelen in het sportstimuleringsbeleid worden ingezet om de minst actieve groepen te laten sporten. Hoewel je bij het programma ‘Meedoen’ wel deels zag gebeuren dat werven van islamitische meisjes ‘te moeilijk’ werd gevonden. Naar mijn idee moet de overheid er vooral op inzetten om alle mensen in de samenleving zoveel mogelijk gelijke kansen te bieden om te sporten. Als mensen vervolgens zelf de keuze maken dat niet de doen, is het ook goed. Je kunt niet iedereen dezelfde normen van ‘het goede leven’ opleggen.”
5. Je hebt als onderzoeker in de afgelopen jaren de meest uiteenlopende zaken op het gebied van sportbeleid onderzocht. Welk (deel)terrein beschouw je als je specialisme en wat zou je graag nog eens willen onderzoeken?
“Rechtvaardigheid en het in- en uitsluiten van verschillende groepen. Dat is eigenlijk al vanaf mijn studie het thema geweest dat mij altijd heeft beziggehouden. Dat kun je mijn belangrijkste expertisegebied noemen. Daar komen ook mijn vraagtekens bij de normatieve doelstellingen in het sportbeleid uit voort. Een norm heeft altijd de neiging tot uitsluiten, zoiets wil ik graag ter discussie stellen. Het is voor mij altijd de vraag waar de sport ophoudt om alleen maar het mooie in beeld te brengen. Ik vind die schaduwzijde niet mooi, maar ik wil hem wel laten zien. Mijn belangstelling gaat in het algemeen uit naar grotere thema’s als schuld en schaamte, zowel in de topsport als in de breedtesport. Schuld kom je tegen als sport een obsessie wordt. Mensen die zich schuldig voelen als zij niet naar de sportschool gaan, kinderen met anorexia. Ex-talenten of oud-topsporters die niet weten wat ze met hun leven buiten de sport aan moeten en zich schamen om dat toe te geven of hulp te zoeken. Schaamte is vaak een gevolg van de norm. Bijna alle jonge kinderen doen aan sport, dat kan problemen opleveren voor kinderen die dat niet doen. Ik heb mij recentelijk ook beziggehouden met transgenders in de sport. Deze mensen dagen de voor velen vanzelfsprekende gendercategorieën in de wedstrijdsport uit; zij overschrijden letterlijk ondenkbaar te overschrijden grenzen.”
“Met deze thema’s heb ik mij altijd beziggehouden en dat wil ik blijven doen. Niet alleen onderzoeken wat sport kan opleveren, maar ook wat sport voor schade kan berokkenen. Als onderzoekers zijn we natuurlijk altijd gebonden aan opdrachtgevers. Op dit moment werk ik aan een nieuw onderzoeksprogramma in opdracht van het ministerie van VWS. We onderzoeken verschillende adolescentenculturen en groepen mid-lifers en hoe daar wordt gedacht over sport en een gezonde leefstijl. Het is een van de onderdelen van een volgend meerjarig onderzoeksprogramma 2011- 2014, waar helaas tot dusverre maar één jaar geld voor is toegezegd.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.