23 maart 2010
Nieuws
1. Stel je ziet promoveren als een vorm van topsport. Het bedrijven
van topsport wordt naarmate je ouder wordt steeds lastiger. Is het
promotietraject voor jou dan lastiger dan voor jongeren die vlak na het behalen
van hun master opgaan voor de doctorstitel?
“Hoe ouder, hoe wijzer
is het gezegde. Door het ouder worden, verkrijg je op grond van je ervaringen
gemakkelijker inzicht in patronen en verbanden. Dat heeft me bij het onder
woorden brengen van mijn gedachten enorm geholpen. Natuurlijk was het promoveren
fysiek best vermoeiend, maar ik heb in intellectueel opzicht niet tot het
uiterste moeten gaan. Wel heb ik een beroep moeten doen op mijn
doorzettingsvermogen. Het onderzoeks- en schrijfwerk van mijn proefschrift heeft
ongeveer vijf jaar geduurd en ik zie dan ook zeker uit naar het verdedigen van
mijn proefschrift aan de Rijks Universiteit Groningen. Mijn promotie zie ik als
een hoogtepunt in mijn professionele carrière en ik hoop dat anderen door dit
boek geïnspireerd raken.”
“De impuls om dit proefschrift te schrijven is eigenlijk mijn lectoraat geweest. In 2002 werd ik lector Sportmanagement en toen was er een ontwikkeling in het hoger onderwijs gaande die inhield dat mensen die niet gepromoveerd waren, eigenlijk geen lector konden zijn. Op dat moment had ik nog geen promotieplannen en vond ik dat standpunt echt totaal onzinnig. Er zijn immers aardig wat ervaren hogeschooldocenten die interessante projecten uitvoeren en goed onderwijs kunnen geven zonder dat ze gepromoveerd zijn. Toch kreeg ik van collega’s regelmatig te horen dat ik toch maar wel voor mijn doctorstitel moest gaan, omdat ik daar vroeg of laat vast profijt van zou krijgen. Dat advies heb ik uiteindelijk opgevolgd waarna ik er voor heb gekozen om een wetenschappelijk én praktijkgericht boek te schrijven.”
2. Je proefschrift gaat over het vernieuwen van professioneel
sportmanagement. Waarom heb je voor dit onderwerp gekozen?
“Al vanaf
het begin van mijn promotietraject wist ik dat iets wilde schrijven voor
praktijkprofessionals en dat het moest gaan over de vernieuwing van de
managementpraktijk in de sport. Sinds 1989 geef ik als beroepsopleider les aan
sportmanagers en ik merkte elke keer weer dat de praktijkprofessioneel zich
totaal vergaapte aan één of andere managementgoeroe of een nieuwe stroming. Het
gevolg was dat ze niet zelf meer nadachten en die stroming geheel gingen volgen.
Hierdoor ging niemand meer op eigen kracht vernieuwend en creatief te werk ging.
Met mijn proefschrift wil ik ertoe bijdragen dat de praktijkprofessional niet
langer afhankelijk is van allerlei wetenschappers en experts, maar dat ze zelf
praktijkinnoverend te werk gaan. Maar om dat te bereiken, is er mogelijk ook een
mentaliteitsverandering onder sportmanagers nodig. Het lijkt namelijk of ze
volledig geïndividualiseerd te werk gaan. Ze zijn bijvoorbeeld wel bezig om
zichzelf te scholen, maar verzuimen het om met elkaar de dialoog aan te gaan,
ervaringen te delen en elkaars kennisproductie te stimuleren. Daarin schiet de
gemiddelde sportmanager echt te kort.”
3. Op de flaptekst van het proefschrift stel je dat sportmanagers als
pioniers moeten worden beschouwd. Is dat niet wat
achterhaald?
“Absoluut niet. Het zijn mensen die als kenniscowboys
te werk gaan en nieuwe terreinen verkennen. Ongeacht of ze wel of niet succes
boeken, krijgen sportmanagers als vakmensen niet of nauwelijks erkenning. Ze
hebben in Nederland geen baan die hoog gewaardeerd wordt. Dat blijkt wel uit het
feit dat sportgerelateerde kennisinstellingen als NOC*NSF, NISB en het Mulier
Instituut weinig te melden hebben over het management van sportorganisaties. Het
gaat allemaal over topsport, sporters, coaching en de gezondheidskundige of
technische kant van de sport. De kennisontwikkeling en –verspreiding van de
bestuurlijke sportkant wordt in Nederland overgelaten aan een enkel particulier
instituut als het Sport Management Instituut en een paar sportmanagement
consultancy bureaus. Er is dus geen sprake van een gemeenschappelijke
kennisbasis. Laat staan dat er goed uitgewerkte praktijkvoorbeelden zijn waar
sportmanagers ook echt wat aan hebben.”
“Bovendien komt de wetenschappelijke lectuur vooral uit het buitenland en is de kloof tussen de wetenschappelijke theorievorming en de praktische realisatie daarom enorm groot. En dat is toch opmerkelijk vooral gezien de ambities van topsportland Nederland. Kijk bijvoorbeeld naar het Olympisch Plan 2028. Ze hebben het over ruimtelijke ordening, sportstimulering en sportevenementen, maar nooit over het managen daarvan. Terwijl juist management- en organisatievraagstukken straks een belangrijke rol zullen spelen. Praktijkgericht onderzoek is daarom broodnodig. En beroepsopleidingen, bonden, koepels en federaties zouden hierin een grotere rol moeten spelen.”
4. Heb je het gevoel dat je de enige bent die de beroepspraktijk van
sportmanagers wél serieus neemt?
“Ik ken weinig lectoren
sportmanagement die hetzelfde denken als ik en ook pleiten voor meer
(praktijkwetenschappelijke) kennisproductie. Sporthoogleraren, sportbestuurders
en sportlectoren zouden sportmanagement dan ook veel serieuzer moeten nemen dan
ze nu doen. Er is onderzoeksmatig echt nog een wereld te winnen, maar die
stappen moeten we wel nu gaan zetten. Gelukkig nemen de sportmanagers die in de
praktijk werken het vak wél serieus.
“Zeer waarschijnlijk draagt het gebrek aan kennis ook bij aan de vele vormen van sportmismanagement. In Nederland barst het van wanbeleid bij sportorganisaties. Neem bijvoorbeeld de sector betaald voetbal, dat is een aaneenschakeling van mismanagement wat vooral wordt veroorzaakt door overdreven businessambities. Maar voorbeelden van onprofessioneel management komen ook voor bij grote amateurverenigingen en fitnessbedrijven. Er gaat daar een heleboel mis door gebrek aan voldoende knowhow op het gebied van ondernemerschap en leidinggeven. Het lijkt soms wel of in de sportsector management een bijzaak is.”
5. Je stelt daarom dat de sportmanager in de toekomst als een
‘design-thinker’ te werk moet gaan. Wat bedoel je
hiermee?
“Design-thinking is een methode die in Duitsland en Amerika
al is ingeburgerd en in Nederland steeds bekender wordt. Sportmanagers die als
design-thinkers te werk gaan, zijn mensen die vooraf goed onderzoeken waar de
klant werkelijk behoefte aan heeft. Ze ontwikkelen op grond daarvan een nieuw
concept. Vervolgens proberen ze in de praktijk uit of het werkt en daarna wordt
het product of de dienst op grotere schaal verspreid. Als sportmanager moet je
dus niet alleen dagelijkse problemen willen oplossen, maar vooral ook
toekomstgericht kunnen denken. Sportmanagers kunnen een voorbeeld nemen aan
creatieve bedrijven als Apple en Shimano. Zij combineren bestaande onderdelen en
creëren daar iets geheel nieuws mee waarbij de gebruikswaarde voor klanten
centraal staat. Sportmanagers kunnen wat mij betreft veel van die werkwijze
opsteken. Als ze meer als interdisciplinaire ontwerpdenkers te werk gaan, zijn
zij voor de toekomst van de sportsector van onschatbare waarde.”
Voor meer informatie over de promotie van Adri Broeke: klik hier
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.