Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Nieuws
10 vragen aan edith schippers minister van volksgezondheid welzijn en sport

10 vragen aan Edith Schippers, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

12 juli 2011

Nieuws


door: Peter Hopstaken | 12 juli 2011

1. Onder meer de Koninklijke Vereniging van Leraren Lichamelijke Opvoeding (KVLO) heeft in een reactie op de Beleidsbrief Sport opgemerkt dat daarin met geen woord gerept wordt over de beloofde ‘drie uren bewegingsonderwijs’. Wat is de reden daarvan?
“Laat er geen misverstand over bestaan dat ik het belang onderschrijf van voldoende bewegingsonderwijs op en rond scholen. Maar OCW is verantwoordelijk voor het binnenschoolse aanbod en als het gaat over sport- en beweegaanbod rond de school dan is VWS hierop aanspreekbaar. In de Beleidsbrief Sport heb ik aangegeven te willen inzetten op meer en vraaggericht sport- en beweegaanbod in de buurt. Ik wil stimuleren dat er voor kinderen voldoende sport- en beweegaanbod is, dus dat er in buurten ook verbindingen worden gelegd tussen sportaanbieders en scholen bijvoorbeeld met behulp van combinatiefunctionarissen. Dat wil ik nog meer stimuleren door sport aan te bieden in aansluiting op de school, zowel wat tijd als locatie betreft. Daarbij wil ik niet alleen de sportbonden betrekken, maar ook partijen als de Richard Krajicek Foundation en de Johan Cruyff Foundation. Ook wil ik nagaan hoe de kinderopvang gestimuleerd kan worden om sport aan te bieden tijdens de naschoolse opvang.”

2. Scholen en kleinere gemeenten hebben het - bij gebrek aan een wettelijk kader en in een tijd van bezuinigingen - moeilijk om te blijven investeren in sport (of bewegingsonderwijs). Welke mogelijkheden ziet u voor lagere overheden en scholen die toch die ambitie blijven houden?
“Momenteel wordt in samenwerking met partners gewerkt aan het opzetten van het programma ‘Sport en Bewegen in de buurt’. Hierin wil ik de focus leggen op het stimuleren van meer interventies die sportdeelname in de buurt bevorderen. Te denken valt aan een doorlopend aanbod van sport- en beweegprogramma’s voor en na schooltijden. Een belangrijk onderdeel van dit programma is de uitbreiding en verbreding van het aantal lokale mensen met een combinatiefunctie. Eind 2011 zal ik het uitgewerkte programma bekendmaken en vanaf 2012 start de daadwerkelijke uitvoer hiervan.”

3. De toenemende druk op het verhogen van de sportdeelname vanuit de Rijksoverheid verhoogt tevens de druk op de bestaande, veelal verouderde (vaak uit de jaren zeventig) voorzieningen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) vinden dat meer aandacht van het Rijk voor het revitaliseren of het stimuleren van multifunctioneel gebruik van bestaande voorzieningen onmisbaar is. Bent u het daarmee eens?
“Ja, ik ben het eens met de constatering van de VNG en de VSG. Juist omdat de budgetten onder druk staan moeten we creatief zijn! Kijken hoe accommodaties beter kunnen worden benut over de dag door verschillende groepen en met verschillende functies. Momenteel wordt een task force opgericht die gaat inventariseren welke belemmeringen - bijvoorbeeld als het gaat om multifunctionele accommodaties - lokaal niet kunnen worden opgelost. Die moeten we wegnemen, opdat kinderen in de naschoolse opvangtijd ook kunnen sporten op de sportclub.”

4. Het College van Zorgverzekeringen - adviesorgaan van de minister - heeft berekend dat invoering van de gecombineerde leefstijlinterventie (de ‘BeweegKuur’) binnen een periode van tien jaar één miljard euro aan besparingen op gezondheidseffecten oplevert (916 miljoen na aftrek van de kosten). Het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) is blij met de steun van het ministerie van VWS voor de BeweegKuur maar mist de nodige vervolginvestering nog om het onderdeel te laten uitmaken van het verzekerde basispakket. Hoe denkt u over zo’n eventuele vervolginvestering?
“Ik neem het advies van het College van Zorgverzekeringen om de ‘gecombineerde leefstijlinterventie voeding en beweging’ – ofwel de zogenoemde GLI - als een samenhangende aanspraak in de Zorgverzekeringswet op te nemen niet over. Een belangrijke rol in mijn afweging is dat het in de eerste plaats de eigen verantwoordelijkheid is van het individu om gezond met zijn lichaam om te gaan. Hij heeft daar immers ook als eerste profijt van in de vorm van een aanmerkelijk grotere kans op een betere gezondheid en een hogere kwaliteit van leven. Naar mijn oordeel moet de overheid deze primaire individuele verantwoordelijkheid niet van het individu willen overnemen.”

“Wel vind ik het belangrijk om als overheid te investeren in de randvoorwaarden van een GLI zoals de BeweegKuur. Daarom heb ik dit jaar daar een laatste impuls aan gegeven. Hierdoor zijn er mede door toedoen van het NISB samen met haar landelijke en regionale partners in ruim 120 gemeenten lokale netwerken ontstaan. In deze netwerken werken GGD’en en eerstelijns zorgverleners samen met sportverenigingen en andere sport- en beweegaanbieders. De basis staat dus.”

“Het niet overnemen van het advies betekent overigens niet dat er op het gebied van bewegen niets meer ten laste van de Zorgverzekeringswet kan worden gedaan. Advisering over en begeleiding naar meer lichaamsbeweging blijft verzekerde zorg. Verzekeraars zijn uiteraard vrij om het product gecombineerde leefstijlinterventie in het aanvullend pakket aan te bieden. De methode is immers effectief. Ook gemeenten kunnen het product - al dan niet in samenwerking met de verzekeraars - aan hun burgers aanbieden, evenals werkgevers aan hun werknemers.”

5. Daagt uw eigen omgeving uit tot bewegen? Ziet u in uw woonomgeving, op het Binnenhof en in het gebouw van het ministerie van VWS mogelijkheden voor een meer beweegvriendelijke inrichting?
“Het beweegvriendelijk inrichten van de leefomgeving zit hem vaak in kleine dingen. Bijvoorbeeld in kantoorpanden is vaak nog een hoop winst te behalen. De dominante looprichting in kantoren leidt werknemers automatisch naar de lift. Naar de trap moet je vaak zoeken. Ik moet zeggen dat dat in mijn eigen ministerie helaas niet anders is. Bij binnenkomst vind je drie lange roltrappen omhoog, waarna je een lift instapt om uiteindelijk comfortabel op je bureaustoel te belanden. Werknemers zouden veel meer gestimuleerd moeten worden om te bewegen. Daar staat tegenover dat er de mogelijkheid is om tijdens de pauze en voor/na het werk gebruik te maken van de fitness of de groepslessen die daar georganiseerd worden. Alleen moet je dan niet te lang werken!”

6. Vindt u dat alle vormen van bewegen een zelfs maatschappelijke waarde vertegenwoordigen en maakt het dus niet uit of iemand naar zijn werk wandelt, tuiniert, de trap neemt in plaats van de lift of 'aan sport doet', of bent u van mening dat sporten nog een extra betekenis genereert die niet is ingesloten in meer dagelijks, functioneel bewegen?
“Natuurlijk is er een verschil in sporten en bewegen. Niet iedereen houdt echter van sporten. Als iemand daar echt geen zin in heeft, is dat uiteindelijk aan hem zelf. Als mensen naar hun werk wandelen, een fietstocht maken, de trap nemen of gaan volleyballen bij de sportvereniging dan is dit hun keuze. Het heeft een positief effect op het fit en gezond blijven. Voor mensen zelf, maar ook gelet op de arbeidsproductiviteit. Ik zie sporten en bewegen dan ook als een belangrijk onderdeel van een gezonde leefstijl.”

“Echter de positieve invloed van sport reikt nog verder dan het dagelijkse meer functionele bewegen: niet alleen leuk en gezond, maar ook goed voor bijvoorbeeld leerprestaties, grenzen verleggen/excelleren, weerbaarheid, participeren, omgaan met winst/verlies, leefbaarheid en veiligheid van buurten en voor de economie.”

7. Het kabinet heeft het Olympisch Plan 2028 omarmd, maar dat blijkt niet erg uit de genoemde budgetten in de Beleidsbrief Sport. Verwacht u dat de ambities van het plan uit de huidige budgetten gerealiseerd kunnen worden?
“De Rijksoverheid is één van de vijf alliantiepartners van het Olympisch Plan 2028. Samen met de inbreng van de andere partners geeft dit een goed fundament onder het Olympisch Plan. Gedurende 2012 tot en met 2016 is er een apart budget van tien miljoen euro vrij gemaakt voor onder andere de ondersteuning van de Alliantie Olympisch Vuur en de activiteiten die bijdragen om een goede uitgangspositie te krijgen voor een eventueel bid voor de Olympische Spelen in 2028. Hiermee wordt een stevige impuls gegeven aan het faciliteren van het Olympisch Plan. Daarnaast wordt met de uitwerking van de Beleidsbrief Sport ook bijgedragen aan de Olympische ambities.”

“Overigens ben ik van mening dat het succes van de vele activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van het Olympisch Plan niet zijn af te leiden uit de budgetten die hiermee gemoeid zijn. Ondanks de forse bezuinigingen zijn de budgetten voor het sport- en beweegbeleid overeind gebleven en wordt er ingezet op meer opbrengsten vanuit de kansspelen voor de sport.”

8. Ziet u nog kansen om haar collega bewindspersonen ervan te overtuigen dat het Olympisch Plan 2028 uiteindelijk winst oplevert (in termen van minder rokers, meer bewegen, meer mensen die zich bewust zijn van hun gezondheid, lagere preventieve gezondheidszorgkosten, betere behandeling depressies, voorkoming schooluitval, betere leerprestaties, leefbaarder buurten, betere integratie van minderheden, geringer ziekteverzuim, hogere productiviteit door meer ambitieuze en gedreven medewerkers, meer Holland Branding, meer cohesie door meer vrijwillige inzet en meer onderling vertrouwen) en dat er vanuit andere budgetten dan het sportbudget van VWS in de sport geïnvesteerd zou moeten worden? Wat zou er volgens u nodig zijn om uw collega bewindspersonen ervan te overtuigen het sportbudget niet als kostenpost te zien maar als goed renderende investering?
“U geeft een prachtige opsomming van argumenten op grond waarvan dit kabinet heeft gekozen voor verhoging van het sportbudget, terwijl er toch veel moet worden bezuinigd om het nationale huishoudboekje op orde te krijgen. Daarom omarmt dit kabinet ook de ambities uit het Olympisch Plan 2028. Samen met mijn collega-bewindspersonen wil ik de komende tijd werken aan het toespitsen en concreet maken van wat onze inzet is voor dit plan. Dit betekent een gezamenlijke inzet namens de Rijksoverheid en maatschappelijke partijen.”

9. Studenten die te lang studeren krijgen een boete. Dat geldt ook voor studerende topsporters. Vindt u het wenselijk om - gezien de alom omarmde ambities om van Nederland een echt sportland te maken – bij de minister van Onderwijs een uitzonderingspositie voor topsporters te bepleiten? En zo ja, bent dat dan ook daadwerkelijk van plan?
“Ik vind het van groot belang dat topsporters hun studie kunnen blijven combineren met hun topsportcarrière, zeker met het oog op de fase na afloop van de topsportcarrière en het voorkomen van het zwarte gat. Als mogelijke oplossing voor de langstudeerdersregeling wordt in het kader van de uitvoering van het Sectorplan Sport, Onderwijs en Onderzoek gedacht aan een beurzenprogramma voor topsporters. De regering wil samen met het bedrijfsleven en de sportsector kijken wat de mogelijkheden zijn om te komen tot private studiebeurzen. De ambitie voor het Olympisch Plan 2028 zal immers niet alleen door de overheid gerealiseerd kunnen worden.”

10. Uit onderzoek dat VWS mede heeft ondersteund blijkt dat er het nodige ontbreekt aan de (rechts) positie van topsporters. Denk daarbij aan een CAO, verzekeringen, arbeidsongeschiktheid, de maatschappelijke positie na de sportcarrière, sociale zekerheid etc. De sociale partners willen er graag mee aan de slag en hebben daarvoor in de vorm van een subsidieaanvraag een beroep gedaan op VWS. Die aanvraag is volledig afgewezen en bovendien krijgt werknemersorganisatie NL Sporter geen subsidie meer. Waarom bent u van mening dat de sociale partners het zonder hulp moeten oplossen? Zelf vinden zij zich daar nog niet krachtig genoeg voor terwijl de nood zo hoog is.
“Ik ben van mening dat het aan de sport zelf is om de belangen van topsporters te behartigen. Er zijn inmiddels voldoende randvoorwaarden gecreëerd om de sportsector zelf in staat te stellen verantwoordelijkheid nemen voor een professionalisering van de arbeidsverhoudingen van beroepssporters. Daarvoor is meerdere malen projectsubsidie verleend. Zo heb ik de sportsector in de gelegenheid gesteld om het onderzoek ‘Een wereld te winnen, professionalisering van de beroepssporters in Nederland’ uit te voeren. Vervolgens heeft VWS het initiatief genomen om een ronde tafeldiscussie te organiseren met alle betrokken partijen om de diverse verantwoordelijkheden juist te leggen bij die partijen die daar verantwoordelijk voor zijn. Als laatste impuls is de WOS nog eenmaal ondersteund in het realiseren van een overlegorgaan om een sociale dialoog op te starten. Dit overlegorgaan heeft geresulteerd in een convenant dat de voorloper vormt van een cao voor beroepssporters en dat zich richt op het versterken van de arbeidsverhoudingen en het betrekken van onder andere sportbonden en sportverenigingen en commerciële sportploegen. Ik vind het dan ook de verantwoordelijkheid van de WOS in samenwerking met de sportkoepel, NL Sporter en de sportbonden om de daadwerkelijke uitvoering van dit convenant verder uit te werken.”

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.