Skip Navigation LinksHome-Nieuws-5 vragen aan...-Item

5 vragen aan Jurryt van de Vooren, sporthistoricus 14 juni 2011

Historici zijn vertellers en dat geldt ook voor sporthistorici. Jurryt van de Vooren is geen uitzondering. In 1998 studeerde hij af op Feyenoord en sindsdien liet de sportgeschiedenis hem niet meer los. Momenteel werkt Van de Vooren voor het Olympisch Stadion en de VPRO.  Hij praat gepassioneerd over sport en het belang van de geschiedenis, maar relativeert dat tegelijkertijd: “Een tennisser wint er geen punt meer om als hij weet wie de kampioen was op Roland Garros in 1930.”

door: Leo Aquina | 14 juni 2011

1. Hoe wordt iemand sporthistoricus?
“Officieel ben ik als politicoloog afgestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Indertijd kon je binnen die studierichting kiezen voor een vrij doctoraal Nieuwste Geschiedenis. Iemand die daarin is afgestudeerd, beschouwt zichzelf eerder als historicus dan als politicoloog. Ik schreef mijn eindscriptie over ‘Feyenoord in de periode 1933-1945’. Dat was eigenlijk de eerste keer dat ik me met sportgeschiedenis heb beziggehouden en ik was binnen de faculteit ook de eerste die met een sporthistorisch onderwerp kwam aanzetten. Ik heb Feyenoord gebruikt als venster om naar die roerige periode in de geschiedenis te kijken. Daarbij heb ik er bewust voor gekozen om 1933 als beginpunt te nemen, het 25-jarige bestaan van de club. Als je alleen naar de oorlog zelf kijkt, zie je niet wat er anders was dan in de jaren daarvoor.”

“In een gesprek over de oorlog wordt vaak in termen gepraat van goed en fout. Als je Feyenoord in die periode bestudeert, kijk je vanuit het oogpunt van mensen die eigenlijk geen invloed hebben op de grote politieke ontwikkelingen en die de situatie moeten nemen zoals die is. Dan praat je over 95 procent van de bevolking, voor hen was een club als Feyenoord heel belangrijk. De club gaf de mensen de mogelijkheid om met elkaar in contact te blijven in het stadion, het gaf hen afleiding en verlichting in een donkere periode. Dat werd vanuit Feyenoord in die tijd zelf ook benadrukt. Het bestuur drukte dat de spelers op het hart: ‘realiseer je hoe belangrijk je bent voor de mensen’. Dat geldt natuurlijk voor sport in het algemeen onder dergelijke omstandigheden. Wat je ziet, is dat de sport doorging. Het maakte de oorlog geen seconde korter, maar het maakte die periode misschien wel een beetje draaglijker voor veel mensen.”

“Na mijn afstuderen ben ik verder gegaan met journalistiek en redactioneel werk. Sportgeschiedenis is daar altijd een onderdeel van gebleven en ik ben er in de loop van de jaren steeds dieper ingegroeid. Een mooi voorbeeld van de toegevoegde waarde van sportgeschiedenis vind ik zelf het onderzoek naar de Elfstedentocht van 1963, dat ik samen met Marnix Koolhaas heb gedaan. Daaruit is een boek voortgekomen en een radiodocumentaire. Wij interviewden deelnemers en stelden niet alleen vragen als: ‘hoe koud was het?’ En: ‘hoe snel heb je gereden?’ Maar ook: ‘wat voor opleiding heb je genoten?’, ‘uit wat voor familie kwam je?’, ‘werd er veel aan sport gedaan in die familie?’, ‘wat voor andere sporten deed je?’ en ‘had je een zonnebril bij je?’ Zo kregen we niet alleen een beeld van die legendarische tocht, maar ook van de Nederlandse samenleving in het begin van de jaren zestig.”

2. Wat is de staat van de sportgeschiedenis in Nederland?
“Als je puur naar de universitaire wereld kijkt, is er al veel meer belangstelling voor het onderwerp dan tien jaar geleden, maar het is nog steeds gênant weinig. Dat komt misschien omdat weinig mensen met een aansprekende naam in de universitaire wereld zich ermee bezighouden en omdat er weinig mensen zijn die goed kunnen laten zien wat er interessant is aan sport in een historische context. Bovendien heeft sport toch nog altijd iets anti-intellectueels. Op de een of andere manier hoort het er toch nog niet helemaal bij. Nederlandse historici kijken veel naar de officiële politieke ontwikkelingen. Als een minister iets heeft gezegd, is het belangwekkend. Als je iets verder kijkt, speelt sport daar ook vaak een rol in. Neem het voorbeeld van politici zoals de liberale minister Henri Marchant en de sociaaldemocraat Jozef Emanuel Stokvis uit de jaren dertig. Zij kenden elkaar al uit de Haagse voetbalwereld in de jaren tachtig van de negentiende eeuw.”

“In 2004 is er aan de Vrije universiteit van Amsterdam een hoogleraar sportgeschiedenis aangesteld in de persoon van Theo Stevens. Mede vanwege gezondheidsproblemen is die leerstoel echter nooit helemaal van de grond gekomen en de periode is ook alweer afgelopen. Op dit moment is er een leemte op dit gebied in de academische wereld. Op initiatief van het W.J.H. Mulier Instituut in Den Bosch is er wel een groep mensen - onder wie ikzelf - die de mogelijkheden onderzoekt om sportgeschiedenis een plaats te geven in de Nederlandse universitaire wereld. Concrete plannen zijn er op dit moment nog niet. Zelf ambieer ik geen academische carrière.”

“Buiten de academische wereld kan er ook nog altijd veel meer worden gedaan met sportgeschiedenis. Mensen als Matty Verkamman, Frits Barend of Mart Smeets houden zich er natuurlijk ook mee bezig, alleen kijken zij er weer vanuit een heel andere hoek tegenaan. Er is nog een wereld te winnen voor de sportgeschiedenis. Zeker nu er op internet zo enorm veel te vinden is aan beeld en geluid. Commercieel is het natuurlijk ook heel interessant. Sport is emotie. Ik merk in het Olympisch Stadion dagelijks wat de gevoelswaarde van sport voor mensen kan betekenen.”

3. Het Olympisch Stadion moet als werkplek een walhalla zijn voor de sporthistoricus. Wat doe je daar precies?
“Voor een sporthistoricus is er geen betere plek denkbaar, vooral ook omdat sportgeschiedenis binnen de directie nadrukkelijk een onderwerp is. Eigenlijk ben ik een beetje per ongeluk in het Olympisch Stadion terechtgekomen in een baan waarvan vijf jaar geleden niemand wist dat er behoefte aan was. Ik ben persvoorlichter, ik beheer de website, ik houd me bezig met sociale media en de Olympic Experience is mijn verantwoordelijkheid. Dat werk doe ik twee dagen per week, daarnaast werk ik twee dagen voor VPRO-geschiedenis. Met mijn werk in het Olympisch Stadion krijgt de sportgeschiedenis echt handen en voeten. Biografieën voor de Olympic Experience, de Hall of Fame. Wat ik als sporthistoricus in het Olympisch Stadion vooral heb geleerd, is om uit de archieven te stappen. Hoe geef je de sportgeschiedenis een plek in een stadion waar dagelijks wordt gesport en waar ook allerlei evenementen worden georganiseerd.”

“Op mijn website Sportgeschiedenis.nl komen al mijn werkzaamheden als sporthistoricus samen. We proberen er zoveel mogelijk onderwerpen op te zetten die aansluiting hebben met de actualiteit. Het moet vooral leuk zijn voor de liefhebber. Via mijn werk bij de VPRO kan ik makkelijk aan beeld komen, dat is prachtig voor internet, waar steeds meer een omslag van tekst naar beeld en geluid komt. Soms doe ik iets voor de VPRO of het Olympisch Stadion dat terugkomt op de website en soms is het andersom. Zie het als een kruisbestuiving.”

4. Geschiedenis leert ons onder meer om te leren van het verleden. Geldt dat ook voor sportgeschiedenis?
“Laatst sprak ik met rolstoeltennisster Esther Vergeer nadat zij Roland Garros had gewonnen. Ik vertelde voor mijn column in  ‘De Perstribune’ op Radio 1 over Kea Bouman, die de Franse Open in 1927 op haar naam schreef. Vergeer kende Bouman niet, maar ze vond het wel erg leuk om erover te horen. Voor sporters heeft dat soort kennis weinig praktisch nut, maar het is leuk om te weten en het kan een inspiratiebron zijn.”

Als het om sportbeleid gaat, kan er wel degelijk veel van de geschiedenis worden geleerd. Kijk naar de hele discussie omtrent het Olympisch Plan van 2028: het idee om sport te gebruiken om iets in je omgeving te veranderen. Dat is precies hetzelfde als honderd jaar geleden. De bouw van het Olympisch Stadion, maar ook van de voorganger daarvan tegenover het huidige stadion dat in 1914 werd geopend, komt voort uit dat idee. Amsterdam wilde zich destijds meten met grote andere metropolen als Berlijn, Brussel, Parijs en New York. Die steden hadden grote sportstadions, dus in Amsterdam moest er ook een komen. De opening van het oude stadion in 1914 gaf de stad weer enorm veel zelfvertrouwen en in het nieuwe stadion uit 1927 kwam tijdens de Spelen van 1928 letterlijk de wereld op bezoek in Amsterdam.”

“We moeten niet kopiëren wat er toen gebeurde, maar we kunnen we zeker van leren. Destijds werd er heel bewust gekozen om bepaalde dingen te doen met een doel en er was een breed netwerk bij betrokken. Piet Kranenberg was eind vorige eeuw de redder van het Olympisch Stadion. Toen ik hem eens een lijst met financiers voor de bouw van het Stadion in de jaren twintig liet zien, kende hij bijna al die mensen. Het was de complete elite van toenmalig Amsterdam en Kranenberg had nog met veel van die mensen samengewerkt. Zo’n netwerk is onontbeerlijk.”

“Kennis van de hele Olympische geschiedenis is ook belangrijk om het bid voor 2028 een plaats te geven. Je kunt de spelen grofweg indelen in periodes van vijf Olympiades. De eerste was voor de Eerste Wereldoorlog met een zwak Olympisch comité, toen de Spelen vooral een feestje waren van Amerika en Europa. In de tweede periode zijn alle Olympische symbolen zoals we die nu kennen ontstaan: de ringen in 1920, de vlam in 1928, de fakkeltocht in 1936. Dat was een bewuste reactie op de Eerste Wereldoorlog, waarin de wereld uit elkaar viel. De Olympische symboliek was het antwoord van de sportwereld. De derde periode is van 1948 tot 1964, toen de Sovjet-Unie erbij kwam en de voormalige koloniën uit Afrika en Azië. Daarmee werd het meer een politieke strijd. De periode van 1968 tot en met 1984 vormde een dieptepunt met aanslagen en boycots. Je kunt het je bijna niet meer voorstellen maar in 1984 stond gewoon in de Nederlandse kranten dat de Olympische Spelen ten dode waren opgeschreven. De Spelen zouden het eind van de eeuw niet meer halen. Dat is pas 25 jaar geleden en nu mikken we erop om de Spelen in 2028 hierheen te halen. In de vijfde periode kende de Olympische beweging onder Samaranch en Rogge een revival en de Spelen werden een mega-evenement. Een land als Griekenland werd er in 2004 volledig door uit de rails getrokken. Nu, in de zesde periode, zal daar een reactie op komen. De Spelen zijn zo groot geworden dat het niet meer te controleren is. De internationale sportwereld trekt als een sprinkhanenplaag door een organiserend land en laat enorme nooit meer gebruikte stadions en schulden achter. Als Nederland de Spelen in 2028 organiseert, zit je alweer in de zevende periode. Dan moet je nu al anticiperen op die problematiek.”

5. Tot slot Feyenoord, je grote liefde. Komt het ooit nog goed?
“Het is maar goed dat ik in de geschiedenis zit… Een paar weken geleden werd er wat onzin in de wereld geholpen over het einde der tijden. Voor een Feyenoord-supporter stort de wereld iedere zondag opnieuw in. Wij zijn wel een beetje gewend geraakt aan de Apocalyps. Ik geloof wel dat het ooit weer goed komt, maar of dat is voordat de Olympische Spelen naar Nederland komen?”

“Feyenoord heeft natuurlijk een prachtige historie en de club was er als een van de eerste in Nederland bij om daar met de ‘Home of History’ ruimte voor te maken in het eigen stadion. Dat kan natuurlijk nog veel mooier en groter, maar clubs hebben veel aan het hoofd. Feyenoord rent net als Ajax van crisis naar crisis, dan heb je niet veel tijd voor een mooi museum. Bovendien moet je natuurlijk ook altijd rekening houden met veiligheidseisen. De Kuip krijgt ooit last van metaalmoeheid. Als dat gevaar oplevert, vindt ook de sporthistoricus dat je geen risico moet lopen op een ramp met duizenden doden. Maar je moet niet te licht denken over de stap naar een nieuw stadion. Kijk naar wat er in Amsterdam is gebeurd. Als je te gemakkelijk over de emotionele band van de supporters met een stadion heenstapt, kun je jezelf zomaar definitief de das omdoen.”

« terug

Reacties: 1

joop barneveld
28-02-2016

geachte heer

ik ben een hobby fotograaf en kwam per toeval op uw website en daar zag ik een paar foto's van de bouw in 1935 van o/a de kuip in rotterdam nu mijn vraag zou ik die mogen gebruiken voor mijn website http://www.fotojoop.nl waar ik probeer een overzicht te maken een pagina van het ontstaan en bouw van de kuip uiterraad vermeld ik uw naam erbij. zou het zeer fijn vinden om er toestemming voor te krijgen.

met vriendelijke groet

joop barneveld

email=joop@fotojoop.nl

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst