10 mei 2016
Nieuws
Maarten Ducrot (1958) reed als wielrenner vijf keer de Tour de France en won in 1985 een etappe. Daarnaast studeerde hij psychologie in Utrecht. Toen hij in 1991 stopte als wielrenner ging hij aan de slag als organisatieadviseur. In 2004 keerde hij als commentator bij de NOS terug in zijn geliefde wielersport. Ducrot is uitgesproken en conflicten met autoriteiten vormen een rode draad. “Wielrennen is een metafoor voor het leven”, zegt hij. In dit gesprek komt alles aan bod.
door: Leo Aquina | 10 mei 2016
1. Je bent als student psychologie profwielrenner geworden en je hebt je studie en topsportcarrière lange tijd gecombineerd. Hoe was dat mogelijk?
“Ik kon niet anders. Ik haatte school. Nu weet ik waarom, maar toen nog niet. Ik was slim genoeg en ik was braaf dus ik deed mijn best en ik haalde goede cijfers, maar de laatste dag van de vakantie huilde ik bittere tranen omdat ik weer naar school moest. Daar zat ik weer acht uur per dag in een bankje te leren wat andere mensen vonden dat ik moest weten. Mijn vrijheid werd afgepakt en mijn natuurlijke nieuwsgierigheid werd ontkend. Op de universiteit veranderde dat niet. Daar stond iemand van honderd jaar oud voor de collegezaal een boek voor te lezen. Dat had ik snel gezien. Ik moest dus niet in de collegezaal zijn, maar gewoon dat boek uit mijn hoofd leren. Het is downloaden en reproduceren. Vraag studenten vooral niet om zelf na te denken.”
“Mijn passie in het leven is onderweg zijn. Toen ik begon met fietsen, ging ik gewoon naar Frankrijk met bagage. Niets plannen, maar gewoon kijken wat je onderweg tegenkwam. Ik moet altijd lachen om mensen die gaan kamperen en dan een vaste plek plannen. Dan kun je dus nooit onderweg denken: ‘Hee, het bevalt me hier wel, we blijven eens staan.’ Op mijn twintigste ben ik serieuzer gaan fietsen. Ik vond het heerlijk om te doen en ik vond het materiaal ook mooi. Het is uit de hand gelopen. Op mijn 21ste ben ik wielrenner geworden. Ik móest gewoon fietsen. Zonder inspiratie geen prestatie en 'onderweg zijn' was mijn passie. Ik voelde me wel schuldig als ik op de fiets zat terwijl ik eigenlijk moest studeren, maar ik kon niet anders. Mijn moeder heeft altijd gezegd dat het een vlucht naar voren was. Het was mijn manier om mijn eigen geluid te laten horen.”
“De eerste vier jaar was ik amateur. Ik verdiende er dus geen geld mee en na vijf jaar draaide mijn vader de geldkraan dicht. Toen moest er iets gebeuren en ben ik prof geworden. Ik had eigenlijk al een jaar eerder prof kunnen worden, maar ik wilde in 1984 de Olympische Spelen in Los Angeles meemaken. In 1985 tekende ik bij Kwantum. Ik was op mijn 21ste begonnen met wielrennen en vijf jaar later reed ik mijn eerste Tour. Ik had inmiddels mijn hele studie af, behalve mijn scriptie. Maar ik heb altijd braaf doorgestudeerd, braaf mijn collegegeld betaald en uiteindelijk ben ik in 1989 ook afgestudeerd."
"In 1991 ben ik gestopt met wielrennen en ik ben blij met wat ik allemaal heb meegemaakt, dat ik me als zijinstromer heb kunnen handhaven in die bizar harde wereld, waarvan mijn vader altijd zei: ‘Mijn zoon hoort daar niet thuis.’ Wij waren van huis uit PPR, semi-socialisten met solidariteit hoog in het vaandel. De VVD was het andere kamp. Mijn vader kende wielrennen als een sport van dopinggebruikers en oplichters. Hij dacht dat degene die het hardste fietst, altijd wint. Dat is niet zo, je moet ook slim zijn en profiteren. Als wielrenner moet je de VVD-er in jezelf opzoeken en dat is niet per se fout.”
2. Veel ex-topsporters vallen na hun actieve carrière in een zwart gat. Hoe is het jou vergaan?
“Toen ik in 1991 stopte met wielrennen, was ik er helemaal klaar mee. Ik zat met tegenzin op de fiets, maar ik wist niet waarom. Achteraf ben ik dat gaan begrijpen. Er was een omslag in het wielrennen. De renners bepaalden niet langer wat er in de koers gebeurde, maar de ploegleiders. Iemand voor wie ik totaal geen respect had, zei tegen mij als Jean-Paul van Poppel gaat pissen, ga jij ook pissen. Daar kwam ik tegen in opstand. Dat is een rode draad in mijn carrière. Als ik mijn eigen geluid wil laten horen, kom ik in botsing met de autoriteiten, maar op het moment dat ik het niet meer weet, gaat de telefoon.”
“Op het moment dat ik in de clinch lag met Cees Priem, belde mijn oude scriptiebegeleider. De enige leraar die me tijdens mijn studie zelf liet nadenken. Hij bood me een baan aan bij zijn organisatieadviesbureau. Op 16 oktober reed ik mijn laatste koers en op 1 november zat ik in pak op kantoor. Zwart gat? Dat kun je wel zeggen. Mensen vonden het altijd zo knap van wielrenners dat we acht uur per dag op de fiets konden zitten. ‘Nou’, dacht ik dan bij mezelf: ‘Wat knap dat jullie iedere dag acht uur zonder daglicht onder neonlampen op kantoor kunnen zitten.’ Ik panikeerde wel een beetje, als ik dat nog dertig jaar zou moeten doen…”
“De ene helft van Nederland adviseert de andere helft van Nederland, dus daar deugt iets niet. We komen om in papieren tijgers. We maken plannen, schrijven op hoe het anders moet, maar we doen het niet. Als je iets wil veranderen, doe je dat door gedrag te veranderen. Uiteindelijk heb ik mijn eigen organisatieadviesbureau opgericht: 'Presteren van Binnenuit'. Als de inspiratie niet uit mensen zelf komt, krijg je trekpoppen. Er zijn mensen die in hun vrije tijd trektochten naar Timboektoe organiseren en overdag bij de belastingdienst iedere dag zonder na te denken braaf hun taakjes afvinken.”
“Met Presteren van Binnenuit gingen we de sportwereld bedienen. Dat heb ik zes jaar lang gedaan, samen met Hans van Breukelen. Wij hadden het idee dat het daar nogal amateuristisch aan toe ging en wij wilden helpen. Dat zagen we goed, maar uiteindelijk kregen we ruzie met de gevestigde orde. Wij begeleidden sporters. Dat betaalden we zelf met eigen sponsors, voor wie die sporters dan weer wat terug konden doen. We keken naar het primaire proces. Wat zijn nou de omstandigheden waarin die sporter optimaal presteert? Daarvoor maakten we afvinklijsten. Koos Moerenhout was een van die sporters. Leuke jongen, geweldige testresultaten op de fiets, maar als het ging regenen dacht hij dat hij de enige was die nat werd. Dat was een probleem en dat hebben we hem ook gezegd. Daar kun je overheen groeien, maar dat gaat niet zomaar. En verdomd na een jaar of tien wordt hij dertiende in de Ronde van Spanje en hij wordt twee keer Nederlands kampioen. Ik vind het mooi dat we het toen al goed zagen.”
3. Naast organisatieadviseur werd je wielercommentator. Hoe ben je in dat vak gerold en wat zijn daarin je ambities?
“Mart Smeets heeft mij er in 2004 bijgehaald. Dat was niet vanzelfsprekend. Ik schreef in die tijd een column en ik was het vaak met Mart oneens. Toen ik weer eens wat rottige dingen over hem had geschreven belde hij me op: ‘Als je het dan allemaal zo goed weet, waarom kom je dan zelf geen commentaar geven?’. Daar was ik best zenuwachtig over want ik was al bijna vijftien jaar weg uit het wielrennen. Maar ik ben Mart nog altijd heel dankbaar en we zijn ook nader tot elkaar gekomen. Hij noemt mij zijn vriend. Ik vind het een beetje moeilijk om zo’n instituut mijn vriend te noemen, maar het is iemand met wie ik dingen bespreek die er toe doen in het leven, een vriend dus. De echte Mart Smeets is de moeite waard. Hij is natuurlijk al 35 jaar met zijn snuit op televisie. Voor veel mensen is hij dat plaatje. Zodra hij ergens is, moet hij zichzelf spelen. Zodra hij de echte Mart Smeets laat zien, is hij weerloos. Dat is zijn tragiek.”
“Het vertrek van Mart is onvermijdelijk. Wat er verloren gaat? Wielerverslaggeving is iets anders dan de uitslagen opsommen. Je moet het verhaal vertellen en er zijn honderden verhalen. Mart Smeets kan dat als geen ander. Hij kan iemand typeren als mens en als renner. Dat heeft hij ook met Lance Armstrong gedaan. Het publiek is hem daarmee gaan vereenzelvigen en heeft hem altijd als een Armstrongvriendje gezien. Nou, dat moet je Armstrong zelf maar eens vragen… Al in 2010 hebben wij het benoemd, de fysieke bewijzen, in de uitzending. Natuurlijk heeft Mart verhalen met Armstrong gemaakt in Texas, heeft hij hem neergezet als de rockster die hij was. Maar hij heeft hem ook neergezet als de trailer trash, de penose die hij óók was. Ik ben blij dat Mart inmiddels van dat plaatje af is. Het residu dat overblijft, is de verhalenverteller. Mart is onnavolgbaar, zijn kennis is enorm, hij weet echt alles.”
“Mijn ambitie als commentator zit ook in dat verhaal. Wielrennen is een metafoor voor het leven. Ik heb als commentator de prachtige positie om dat primetime live te kunnen verslaan. De impact daarvan is nauwelijks te overschatten. Ik doe mijn uiterste best om boven de uitslagen uit te stijgen. Ik blijf altijd vragen stellen. Mijn voornaamste ambitie is twijfel zaaien, omdat er nu eenmaal zoveel verschillende verhalen en invalshoeken zijn. Dat roept weerstand op want ik trek de kenners de broek van hun kont. Ik doe niet mee aan het standaardplaatje en hoe dieper de kenner in de wielerwereld zit, hoe meer hij onderdeel uitmaakt van dat plaatje.”
“Dat ik zelf deel heb uitgemaakt van het peloton, helpt omdat ik het zelf heb meegemaakt. Dat geeft overtuigingskracht. Maar inmiddels ben ik een soort Jean Nelissen geworden. Jongeren weten niet eens meer dat ik zelf heb gefietst en ik put in mijn commentaar ook steeds minder uit die verhalen. Het helpt dat ik het heb meegemaakt, maar het helpt ook dat ik afstand heb genomen. Als je een bankier vraagt hoe het zit met die bonussen, krijg je een ander antwoord dan van een ge-excommuniceerde bankier. Ik ben een ge-excommuniceerde wielrenner. In 2000 was ik echt persona non grata voor Peter Winnen en Steven Rooks. Nu ben ik met mezelf in het reine en ik heb afstand.”
4. Wielrennen stond lang synoniem met dopinggebruik. Dat lijkt tegenwoordig minder prominent, terwijl andere sporten juist meer in het verdachtenbankje komen. Heeft het wielrennen de slag tegen doping gewonnen?
“Als je niet oppast, wordt het een plaatje, terwijl er echte mensen op de fiets zitten die hun leven wagen. Doping is het symptoom van het feit dat iedereen het is gaan zien als een spelletje, de renners zelf ook. Ze zien zichzelf als auto waar je goede benzine in kan gooien. Vervolgens hebben we regels, maar die vangen het niet. Vraag het maar eens na bij Contador. Sommige renners gebruiken, anderen niet. Sommige worden betrapt en anderen niet. Je hebt echter ook schone renners die worden betrapt. Ik denk dat de groep renners die niet hebben gebruikt, maar wel worden betrapt, minstens zo groot is als de groep die wel heeft gebruikt en wordt betrapt. Dan laat ik de gebruikers die er mee wegkomen nog buiten beschouwing.”
“In het verleden heb ik gezegd: ‘Ik heb nooit een koers gereden waarin ik betrapt kon worden, ook al hadden ze ernaar gezocht. Maar ik heb toen ook dingen gedaan die nu verboden zouden zijn.‘ Dat laatste hebben de media eruit geknipt. Ik heb destijds testosteron gebruikt onder doktersbegeleiding. Juridisch was daar toen niets mis mee, maar zou je het je zoon ook geven? Toen werd ik wakker. Het is geen juridisch probleem, het is een ethisch probleem.”
“Als je dat ethische probleem wil oplossen, moet je terug naar het primaire proces. Waarom willen wielrenners koersen? Omdat ze een innerlijke drang hebben. Als het een spelletje wordt en als geld de voornaamste drijfveer is, glijd je af. Daarom vind ik het mooi om te zien dat er nu veel jonge renners zijn die het echt schoon willen doen. Zuiverder dan zuiver, ze hebben zelfs over het lichaam getatoeëerd: ‘Ik rij schoon’. Het antwoord komt uit het peloton zelf, uit de mensen in het primaire proces. Natuurlijk zullen er altijd mensen zijn die door rood rijden als er een stoplicht staat. Moet je dan het stoplicht afschaffen? Dan rijdt er niemand meer door rood en soms zijn er ook nog eens minder ongelukken, maar niet altijd."
"Moet je doping vrijgeven? Niet zonder meer. De vraag die leidend zou moeten zijn, is niet of je erop kan worden gepakt, maar of je het ook aan je kinderen zou geven. Je moet kijken naar het menselijke aspect. Hoe begeleid je mensen? Hoe creëer je omstandigheden waarin mensen optimaal kunnen floreren? Er wordt nu niet alleen minder doping gebruikt omdat het veel ethischer is geworden, maar ook omdat de pakkans veel groter is.”
5. Tijdens de afgelopen voorjaarskoersen hebben we je regelmatig horen klagen over het saaie koersverloop. Maar ook veiligheid is belangrijk. Wat moet er gebeuren om het wielrennen minder saai én veiliger te maken?
“Iedereen die meedoet, moet kunnen winnen. Armstrong won de Tour niet omdat hij doping gebruikte, dat deed iedereen, maar omdat hij erin slaagde al zijn concurrenten in zijn eigen ploeg te laten rijden. Vroeger was het ondenkbaar geweest dat Jan Janssen, Joop Zoetemelk, Hennie Kuiper en Jan Raas als knecht voor Eddy Merckx gingen rijden. Daarmee maak je de koers dood. Wout Poels maakt in Luik-Bastenaken-Luik optimaal gebruik van een ultradom koersverloop. Wielrennen is profiteren van de ander. Dan moet je dus niet met je hele ploeg tweehonderd kilometer op kop gaan rijden, zodat iedereen naar de vaantjes is als de finale begint. Team Sky had het eindelijk begrepen en wat doet die domme Valverde? Gaat met zijn hele ploeg op kop rijden, gratis energie weggooien. Sky doet dat in de Tour ook en dan werkt het, omdat andere ploegen hun tweede en derde plaats gaan verdedigen. Ga nou gewoon eens koersen, misschien win je wel.”
“Teambazen willen tegenwoordig de volledige controle hebben. Ze laten niets meer aan de renners over. Ik had het al over die omslag. Het heeft ook te maken met het puntensysteem dat Hein Verbruggen indertijd heeft ingevoerd. Ploegbazen gingen een bedrijf runnen. Om sponsors binnen te halen, moesten ze renners hebben die punten achter hun naam hadden. De ploegleiders trokken aan de touwtjes en de renners hadden het nakijken. Hinault sloeg Pellier op zijn bek omdat hij demarreerde nadat Adje Wijnands was gevallen. Daarvoor zou hij nu uit koers worden genomen. De autonomie van het peloton bestaat niet meer en daarmee is ook de erecode en het zelfreinigend vermogen uit het peloton verdwenen.”
“Valpartijen met dertig, veertig man had je in onze tijd niet of nauwelijks. Als iemand een stommiteit uithaalde en een valpartij veroorzaakte, hoefde hij zich voorlopig even niet meer vooraan te melden. Dan werd je aan het zadel naar achteren getrokken: ‘jij wint voorlopig even niet meer.’ Tegenwoordig zijn de renners trekpoppen geworden. Het gaat me niet om die oortjes, je kan de telefoon ook niet tegenhouden. Het gaat mij wel om de figuren die daar van alles in zitten te schreeuwen. Als er één oor dichtzit en er zit ook nog eens constant iemand in te schreeuwen dat je naar voren moet, wordt het niet veiliger. Ik weet dat ploegleiders en renners zelf vinden dat het met oortjes veiliger is, maar als je aan een bankier vraagt wat hij van de bonussen vindt, weet je ook wat voor antwoord je krijgt.”
“Als je iets wil verbeteren in het wielrennen, moet je met kleinere ploegen starten en je moet investeren in de kwaliteit van de ploegleiders. Iedereen prijst Steven de Jongh dat hij nu een cursus doet, maar dat is toch vreemd? Hij was allang ploegleider. Alsof een multinational een bestuurder aanstelt en hem daarna nog even opgeeft voor een cursus leidinggeven. Zie ik daar een rol voor mijzelf? Ik zou de ploegleiders best eens een aantal dilemma’s voor willen houden. Ze houden krampachtig vast aan controle omdat ze bang zijn dat de renners het niet zelf kunnen. Maar ze zouden die renners meer vertrouwen moeten geven. Leidt ze op om zelf hun vrijheid te kunnen nemen, dan wordt de koers weer leuk.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.