Het sportbeleid van vandaag is zelden nog een kwestie van alleen plannen maken. Gemeenten, sportbonden en ministeries willen vooral weten: werkt het ook echt? Bereiken subsidies de juiste doelgroep? Wordt een regeling gebruikt waarvoor die bedoeld is? En wat verandert er als beleid wordt aangepast? Juist daar komt het werk van het Mulier Instituut in beeld.
4 juni 2026
BRANDED CONTENT
“Monitoring klinkt soms wat technisch”, zegt David Rappange, hoofd Kwaliteitscentrum en senior onderzoeker bij het Mulier Instituut. “Maar uiteindelijk gaat het erom dat je volgt wat er in de praktijk gebeurt. Dat je kunt zien of beleid daadwerkelijk landt en wat nog bijsturing nodig heeft.” Samen met senior onderzoeker Wikke van Stam en tal van andere collega’s houdt hij zich bezig met het monitoren van sportbeleid. Dat gebeurt lokaal, provinciaal en landelijk. Van het Sportakkoord tot het bewegingsonderwijs en van verenigingsbeleid tot contributies van sportaanbieders.
"Kloppen de doelen die vooraf op papier zijn gezet nog met wat er in de praktijk gebeurt?"
Wikke van Stam
“Wij werken voornamelijk voor overheden”, vertelt Van Stam. “Gemeenten en de rijksoverheid zijn de belangrijkste opdrachtgevers. Ook themagericht onderzoek vindt plaats, zoals naar bewegen binnen het onderwijs en toegankelijkheid van sport voor mensen met een beperking.” Het monitoren van beleid betekent volgens haar veel meer dan alleen cijfers verzamelen. “Je houdt bij hoe beleid wordt uitgevoerd. Kloppen de doelen die vooraf op papier zijn gezet nog met wat er in de praktijk gebeurt? We volgen hoe processen lopen, spreken met beleidsmakers én uitvoerders en proberen te begrijpen waar dingen goed gaan of juist lastig zijn.”
Dat gebeurt met verschillende methoden, zoals vragenlijsten, interviews en focusgroepen. Soms gaat het om grote landelijke onderzoeken, soms om lokaal maatwerk. Rappange noemt het Sportakkoord als voorbeeld. “Daarvoor hebben we alle Nederlandse gemeenten vragenlijsten gestuurd. Daarnaast organiseren we focusgroepen met gemeenten en sportbonden. We proberen zo het beleid van verschillende kanten te bekijken.”
Vooraf worden vaak indicatoren opgesteld waarmee ontwikkelingen gevolgd kunnen worden. Van Stam: “Dat kunnen langetermijnindicatoren zijn, bijvoorbeeld hoeveel mensen bewegen of hoeveel gebruik wordt gemaakt van bepaalde regelingen. Een voorbeeld daarvan is de Brede Regeling Combinatiefuncties (BRC), die we jaarlijks monitoren. Daarbij kijken we bijvoorbeeld hoeveel buurtsportcoaches actief zijn en hoe gemeenten de regeling inzetten.”
"Een monitor loopt soms jarenlang door, terwijl politieke keuzes en subsidieregelingen tussentijds verschuiven. Juist dat maakt langdurig onderzoek interessant"
Wikke van Stam
Monitoring draait vaak om beleidsdoelstellingen, maar die blijken in de praktijk niet altijd even concreet. “Soms zijn doelstellingen helder geformuleerd” ziet Van Stam. “Dan kun je goed bekijken of ze gehaald worden. Maar er zijn ook beleidsstukken waarin doelen vrij algemeen blijven. Dan is het moeilijker om zwart-wit te zeggen of iets succesvol is geweest. Het maakt dat monitoring in feite altijd maatwerk is. Bovendien verandert beleid voortdurend. Een monitor loopt soms jarenlang door, terwijl politieke keuzes en subsidieregelingen tussentijds verschuiven. Juist dat maakt langdurig onderzoek interessant.”
Van Stam wijst opnieuw op de BRC-regeling. “Zo’n regeling loopt vier jaar. Daarna kunnen onderdelen veranderen. Wij kennen die veranderingen goed, omdat we al die jaren blijven meten. Een voorbeeld is dat vakleerkrachten bewegingsonderwijs binnenkort niet meer vanuit de regeling mogen worden vergoed. Omdat we al langer monitoren, zien we de afgelopen jaren een afname van BRC-inzet op deze vakleerkrachten..”
Volgens Rappange is het telkens zoeken naar de juiste balans tussen continuïteit en vernieuwing. “Bij monitors zoals het Sportakkoord ligt de basis vier jaar vast, maar bij andere onderzoeken, zoals de verenigingsmonitor, kijk je iedere ronde opnieuw of de vragen nog aansluiten bij de actualiteit. Soms wil je trends blijven volgen, terwijl er tegelijkertijd nieuwe thema’s ontstaan die ook relevant zijn.”
Die verenigingsmonitor is misschien wel het bekendste voorbeeld van langlopende monitoring binnen het Mulier Instituut. Het onderzoek bestaat inmiddels al 25 jaar. De monitor laat zien hoe sportverenigingen ervoor staan en welke ontwikkelingen zichtbaar zijn binnen de georganiseerde sport. “Sportverenigingen vormen nog altijd het hart van ons sportstelsel”, zegt Rappange. “Met deze monitor krijgen we inzicht in hoe vitaal die verenigingen zijn.” Daarbij gaat het om veel meer dan alleen ledenaantallen. “We kijken bijvoorbeeld naar de organisatiestructuur, bestuur, vrijwilligers en beleid, maar ook naar de financiële situatie van verenigingen. Daarnaast voegen we regelmatig thematische blokken toe, bijvoorbeeld op het gebied van duurzaamheid of sociale veiligheid.”
Wikke van Stam
David Rappange
Juist de lange looptijd maakt de monitor volgens hem waardevol. “Omdat we al zo lang meten, kun je echte ontwikkelingen zichtbaar maken. Je ziet hoe indicatoren zich over de jaren ontwikkelen.” Gemeenten gebruiken die informatie om lokaal sportbeleid vorm te geven. “Zij willen weten hoe vitaal verenigingen in hun gemeente zijn”, zegt Rappange.
Gelijktijdig werkt het Mulier Instituut regelmatig in opdracht van gemeenten aan lokale verenigingsmonitoren voor meer diepgang en om lokale trends te definiëren. Van Stam: “Sommige gemeenten laten na een paar jaar opnieuw onderzoek doen, zodat ze ontwikkelingen kunnen vergelijken met eerdere metingen én met landelijke cijfers.”
Ondanks het brede pallet aan monitors ziet het Mulier Instituut nog genoeg nieuwe terreinen om te verkennen. Vooral de groeiende commerciële sportsector trekt de aandacht. Rappange: “We hebben sportverenigingen inmiddels goed in beeld, maar ondernemende sport wordt steeds belangrijker binnen het totale sportaanbod. Daar zouden we graag meer inzicht in krijgen.”
"Als je kijkt naar de afgelopen 25 jaar zie je dat ondernemende sport een steeds groter onderdeel van het sportaanbod is geworden"
David Rappange
In overleg met Platform Ondernemende Sportaanbieders (POS) onderzoekt het instituut momenteel hoe dat mogelijk gemaakt kan worden. “Bijvoorbeeld via brancheorganisaties of panels met sportondernemers", aldus Rappange.
Volgens hem past die verschuiving bij de veranderingen binnen de sportsector zelf. “Als je kijkt naar de afgelopen 25 jaar zie je dat ondernemende sport een steeds groter onderdeel van het sportaanbod is geworden. Bij het eerste Sportakkoord was POS nog geen strategische partner. Bij het tweede Sportakkoord wel. Dat laat zien hoe de positie van ondernemende sport in relatief korte tijd is veranderd.”
Deel dit bericht:
Door: Emilie Maclaine Pont
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.