18 september 2012
Achtergronden
door: Marjan Kok
De werkelijkheid is complex. Wonderbaarlijk is het hoe we in staat zijn om in complexe patronen de weg te vinden. Hoe kunnen automobilisten feilloos navigeren over een druk verkeersplein om uiteindelijk op de juiste weg richting bestemming uit te komen? Van de Olympische Spelen is mij o.m. het snelle positiespel in het hockey bijgebleven. Hoe weet Naomi van As via de rechterflank Kim Lammers te vinden, die precies op tijd verschijnt voor een tip-in?
Het is lastig als je minder bekend bent met een bepaald patroon dan anderen. Komt u het verkeersplein in Londen - met alle linksrijders - ook nog zonder kleerscheuren over? En: probeer als turnster maar eens mee te trainen met goede hockeyers. Uit eigen ervaring kan ik vertellen dat je letterlijk 1-0 achter staat nog voordat je begrepen hebt hoe de oefenvorm gespeeld moet worden; waar moet de bal wanneer heen? Waar moet ik vervolgens naartoe lopen? Krijg ik de bal nog terug? Moet ik daar nog iets voor doen? Hoe komt het dat ervaren spelers beter gedijen in complexe patronen? En welk voordeel halen zij hier uit?
Onderzoek uit de jaren zestig en zeventig naar de verschillen tussen schaakexperts en beginnende schakers brengt ons dichter bij een antwoord op deze vragen. In dit onderzoek keken schakers kort naar de positie van de stukken op het speelbord. De bekeken opstelling was representatief voor de middenfase van het spel. Experts bleken beter in het reproduceren van de specifieke posities van de stukken dan beginners, en presteerden zo goed als foutloos (de Groot, 1965).
In een vervolgonderzoek (Chase & Simon, 1973) kwam een interessante bevinding naar voren: als de stukken op een willekeurige plek op het schaakbord werden geplaatst, was het verschil in prestatie tussen experts en beginners op slag verdwenen. De superioriteit van experts gold dus alleen bij het herkennen en onthouden van spelspecifieke configuraties. Hieruit is op te maken dat het succes van experts waarschijnlijk niet te verklaren is door een grotere geheugencapaciteit, maar dat zij door ervaring in staat zijn hun geheugen slimmer te gebruiken. Zij keken niet naar de positie van elk stuk afzonderlijk, maar zagen een patroon: ze keken naar de functies van de verschillende stukken en de mogelijke zetten die gedaan konden worden. Domeinspecifieke ervaring lijkt ervoor te zorgen dat je in een veelheid van informatie betekenisvolle gehelen herkent. Hierdoor wordt de situatie minder complex en is deze makkelijker te onthouden.
Tijdwinst door patroonherkenning?
Hebben experts voordeel van hun vermogen om patronen te herkennen? Zo ja, waar bestaat dit voordeel dan uit? Terug naar de schaakonderzoek van de Groot (1965): op het moment dat de schaakexperts een fout maakten in het reproduceren van de spelspecifieke posities, zetten zij vaak een configuratie neer die in het spel zou kunnen volgen op de ‘juiste’ opstelling. De fout bestond uit het feit dat ze onbewust één of meerdere zetten vooruit dachten. Een opvallende bevinding, die er op zou kunnen wijzen dat het herkennen van patronen ervoor zorgt dat er geanticipeerd kan worden op het vervolg van het spel. Als dit ook het geval zou zijn voor balsporten, kan een speler die spelpatronen herkent, eerder beslissingen maken en heeft deze meer tijd om op een goede positie te verschijnen. Zodra Naomi van As herkent dat Maartje Paumen de ‘press’ opvoert op het middenveld, kan zij ervoor kiezen om positie te zoeken in de diepte, nog voor het moment dat Paumen de bal daadwerkelijk in bezit heeft. Op deze manier lijkt een speler die het spel goed kan lezen alle tijd van de wereld te bezitten.
Patroonherkenning in basketbal
Nu is schaken niet zo dynamisch als een balsport. In balsporten veranderen spelpatronen niet per beurt, maar continu. Gorman e.a. (2012) onderzochten of de verschillen die in het schaakonderzoek gevonden werden tussen beginners en experts bevestigd konden worden in het basketbal.
Hiervoor selecteerden zij zestien ervaren basketballers met gemiddeld 11,8 jaar ervaring in de regionale en nationale competitie, en zestien onervaren basketballers. Met behulp van zeer ervaren basketbalcoaches werden beelden van spelsituaties geselecteerd die basketbalspecifieke spelpatronen bevatten. De beelden waren opgenomen vanaf een verhoogd platform op het midden van het veld en lieten een half basketbalveld zien. Op deze speelhelft waren tien spelers actief (vijf aanvallers en vijf verdedigers). Tijdens het onderzoek zaten de basketballers in een stoel op ruim vier meter afstand van een groot scherm, waarop het beeldmateriaal werd getoond. Zowel de ervaren als onervaren basketballers werden in twee condities getest.
In de ene conditie keken zij naar een statische afbeelding van een spelsituatie. Na zeven seconden werd dit beeld vervangen door een leeg speelhelft vanuit identiek perspectief. De taak van de basketballers was om de posities van de aanvallers, verdedigers en de bal te reproduceren door deze met behulp van een muis op het beeldscherm weer te geven. Dit deden zij in totaal voor twaalf spelsituaties. In de andere conditie keken de spelers niet naar statische beelden, maar naar korte filmpjes van dezelfde twaalf spelsituaties. De filmpjes werden na zeven seconden vervangen door een leeg speelveld. De basketballers moesten vervolgens de posities weergeven van het moment waarop de film stopte. De volgorde van de twee condities werd afgewisseld tussen de verschillende proefpersonen.
Met deze onderzoeksopzet konden de onderzoekers het vermogen om spelpatronen te reproduceren vergelijken tussen beginnende en gevorderde spelers. Ook was het mogelijk te kijken of het uitmaakt als gebruik gemaakt wordt van statische afbeeldingen (vergelijkbaar met schaken) of dynamische beelden (meer vergelijkbaar met balsporten). Om te kunnen achterhalen of - en in hoeverre - de spelers onbewust ‘vooruit keken’, vergeleken de onderzoekers de antwoorden van de basketballers niet alleen met de antwoordsleutels van de posities op de statische afbeelding of op het laatste moment van de film, maar ook met antwoordsleutels van aparte filmframes die (één per veertig milliseconden) gedurende twee seconden na het moment van stoppen gemaakt werden. Dit resulteerde in 51 antwoordsleutels die vervolgens per spelsituatie vergeleken werden met de gegeven antwoorden van de basketballers.
Als de antwoorden van de ervaren en onervaren basketballers werden vergeleken met de eerste antwoordsleutel (daadwerkelijk getoonde configuratie) bleek dat de ervaren basketballers beter presteerden dan de beginners. Deze verschillen waren significant en aanwezig in beide condities (statische beelden en filmpjes). Ervaren spelers waren dus - net als de geoefende schakers in eerder onderzoek - beter in staat om patronen te herkennen en te reproduceren dan beginners. Verder waren de antwoorden van de beginners waren minder accuraat als ze gegeven waren op basis van filmpjes dan op basis van statische beelden. Bij de ervaren basketballers was dit verschil niet aanwezig. Dit zou erop kunnen wijzen dat de informatie in de filmpjes te complex was voor de spelers die weinig ervaring hadden met de spelpatronen.
Als gekeken werd met welke van de antwoordsleutels de antwoorden van de beginners en gevorderden het beste overeen kwamen, dan bleken deze voor zowel de beginners als gevorderden ‘in de toekomst’ te liggen. Het antwoord van de beginners kwam gemiddeld het beste overeen met het beeld dat 117,5 milliseconden (bij de statische beelden) en 67,5 milliseconden (bij de filmpjes) na het laatste beeld zou liggen. Voor gevorderden lagen deze waarden nog verder ‘in de toekomst’ (respectievelijk 167,6 en 185,0 milliseconden). Dit verschil tussen beginners en gevorderden was wederom significant en wijst erop dat de ervaren basketballers in plaats van wat er op het moment zelf gebeurt, zien wat ‘er zal gaan gebeuren’ en dus intuïtief lijken te anticiperen.
Implicaties voor de (sport)praktijk
Hoewel de basketballers in het onderzoek niet echt participeerden in de spelsituatie - maar er als elfde man naar keken - komt dit onderzoek meer in de buurt van de echte balspelsituatie dan het geval was in voorgaand onderzoek. Het onderzoek van Gorman e.a. (2012) wijst er sterk op dat het kunnen herkennen van spelpatronen een belangrijke vaardigheid is voor balsporters. Door patronen te herkennen, lees je het spel beter en kun je het verloop van het spel beter voorspellen om hier vervolgens weer je voordeel mee te doen. Dit voordeel betaalt zich het beste uit als je moet presteren onder tijdsdruk, zoals bijvoorbeeld in basketbal, waarbij de aanvallende partij binnen 24 seconden tot een doelpoging moet komen.
Gorman e.a. (2012) geven geen aanwijzingen om patroonherkenning te trainen. Op basis van de inzichten die het artikel in patroonherkenning verschaft, kun je de volgende suggesties overwegen:
• laat sporters zoveel mogelijk ervaring opdoen in de verschillende systemen en spelpatronen die zich binnen een bepaald domein van sport voordoen;
• help sporters om ‘betekenisvolle eenheden’ te ontdekken door de taal van de sport te spreken. Begrippen als ‘mandekking’ en ‘zoneverdediging’ e.d. zouden kunnen helpen om structuur te herkennen in de ’tien mannen die in het veld rondrennen met één bal’. Zo leren de sporters gehelen, functies en mogelijkheden zien, net als de schakers in het onderzoek uit de jaren zestig en zeventig.
Noot: hoewel de uitkomsten van dit onderzoek tot kansen leiden in de context van balsporten, bevatten zij misschien minder goed nieuws voor het interpreteren van ooggetuigenverklaringen in complexe situaties, zoals bijvoorbeeld in grote menigten. Misschien heeft de ooggetuige wel onbewust in de toekomst gekeken.
Bronnen
Chase, W.G., & Simon, H.A. (1973). Perception in chess. Cognitive psychology, 4, 55-81. In: Gorman, A.D., Abernethy, B. Farrow, D. (2012). Classical pattern recall tests and the prospective nature of experts performance. The quarterly journal of experimental psychology, 65 (6), 1151-1160.
Gorman, A.D., Abernethy, B. Farrow, D. (2012). Classical pattern recall tests and the prospective nature of experts performance. The quarterly journal of experimental psychology, 65 (6), 1151-1160.
Groot, de A.D. (1965). Thought and choice in chess. The Hague, The Netherlands: Mouton. In: Gorman, A.D., Abernethy, B. Farrow, D. (2012). Classical pattern recall tests and the prospective nature of experts performance. The quarterly journal of experimental psychology, 65 (6), 1151-1160.
Marjan Kok werkt bij EXPOSZ, het opleidings-, advies- en onderzoekscentrum voor Sport en Zorg dat verbonden is aan de Faculteit der Bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit. Marjan is gespecialiseerd in het onderwerp motorisch leren en richt zich hierbij vooral op het maken van de vertaalslag van wetenschappelijke kennis naar de sportpraktijk. Dit deed ze in haar werk als hogeschooldocent op de Haagse Academie voor Lichamelijke Opvoeding, nu doet ze dat bij EXPOSZ door sportcoaches en docenten LO te scholen. Voor meer informatie: m.j.kok@vu.nl
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.