Fusies komen veel voor in de sport en dat is al heel lang zo, maar makkelijk gaat het zelden. Jan Janssens deed uitgebreid onderzoek naar fusies van sportverenigingen en schreef op basis daarvan een boek: Samen sterk. Handboek voor fusie van sportverenigingen, dat later deze maand verschijnt. In serie van drie artikelen geeft hij alvast een voorproefje van de inhoud.
In dit eerste deel staat hij stil bij de vraag hoe vaak er eigenlijk in de sport wordt gefuseerd en maakt hij een vergelijking tussen fusies in de sport en in het bedrijfsleven. In het tweede deel gaat hij in op de redenen die clubs hebben om te fuseren, op fusievarianten en alternatieven. In het derde deel komt de aanpak van fusieprocessen aan bod. Wat zijn de belangrijkste do’s en don’ts?
4 juni 2026
Achtergronden
Ook al is de sportwereld vertrouwd met fusies, sportbestuurders zijn dat niet. Er bestaat nogal wat weerstand en koudwatervrees. De meeste clubbestuurders maken hooguit een enkele keer tijdens hun bestuurlijke loopbaan een fusie mee. Hoewel het misschien de belangrijkste bestuurlijke en organisatorische kwestie is die sportbestuurders meemaken in hun club, maakt de eenmaligheid van deze gebeurtenis ook dat er geen kennis en ervaring wordt opgebouwd, laat staan dat routines worden ontwikkeld. Het spreekwoordelijke wiel wordt dus steeds opnieuw uitgevonden. Met als gevolg dat fusieprocessen vaak (veel) langer duren dan voorzien, een moeizaam verloop kennen en niet zelden ook vastlopen, met alle frustraties van dien.
Er wordt niet elke dag een fusie van sportverenigingen voltrokken, maar er zijn wel altijd en overal in de sport fusieprocessen aan de gang. Vaak, maar lang niet altijd, monden deze ook daadwerkelijk uit in fusies. Sowieso gaat er doorgaans heel wat tijd overheen voordat een fusie wordt beklonken.
"Uit onderzoek in het bedrijfsleven is bekend dat de fusies daar vaak niet succesvol zijn"
Jan Janssens
Op basis van recente onderzoeksgegevens van het Mulier Instituut kan worden becijferd dat jaarlijks ongeveer 150 tot 200 sportverenigingen bezig zijn om te fuseren. Afgezet tegen het totaal aantal sportverenigingen, is dat minder dan 1 procent. Dat lijkt misschien verwaarloosbaar, maar dat is het niet. Wanneer een langere periode in beschouwing wordt genomen, is het duidelijk dat er in de sport toch wel heel veel is en wordt gefuseerd.
Wanneer we bijvoorbeeld inzoomen op de historie van de bekendste sportclubs van het land, de 38 clubs uit het betaalde voetbal voor mannen, blijkt dat ongeveer 80 procent van deze clubs voortgekomen is uit een fusie en/of betrokken is geweest bij één of meer fusieprocessen. Voor zover bekend zijn PSV, Sparta, Heracles Almelo, Go Ahead Eagles, SC Cambuur, Top Oss en FC Volendam de uitzonderingen op de regel.
Nu vormen de clubs die op het hoogste niveau uitkomen natuurlijk geen doorsnee van alle clubs. Ze hebben bijvoorbeeld vaker een verleden dat verder teruggaat in de tijd. Maar van alle circa 4.700 voetbalverenigingen die sinds het einde van de 19de eeuw werden opgericht en in competitie hebben gespeeld, hebben er bijna 1.700 een of meer fusies meegemaakt. Dat is ongeveer 36 procent. Niet alleen in de voetballerij, ook in andere takken van sport, zoals bijvoorbeeld korfbal, volleybal en gymnastiek komen veel fusies voor.
Ook buiten de sport wordt veel gefuseerd. Denk aan bedrijven, onderwijsinstellingen, organisaties in de sfeer van zorg en welzijn, culturele instellingen, maar ook aan kerken, vakbonden en woningbouwcorporaties. Bij die fusies gaat het vaak om bundeling van organisaties die andere rechtsvormen kennen: vennootschappen, stichtingen, coöperaties, eenmanszaken en maatschappen. Om verschillende redenen zijn dergelijke fusies vaak minder goed vergelijkbaar met de fusies in de sport waar hoofdzakelijk verenigingen bij betrokken zijn. Toch is het interessant om te kijken wat kan worden geleerd van de fusie-ervaringen in het bedrijfsleven, al is het maar omdat, anders dan in de sport, in het bedrijfsleven wel veel onderzoek is gedaan naar fusies.
Uit onderzoek in het bedrijfsleven is bekend dat de fusies daar vaak niet succesvol zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de ontwikkeling van de beurswaarde. Van beursgenoteerde bedrijven die betrokken zijn bij een fusie, gaan de koersen vaak even omhoog, maar vervolgens nog harder weer omlaag. Dit is echter niet de enige aanwijzing. Een belangrijker gegeven is dat ongeveer de helft van alle fusies in het bedrijfsleven binnen tien jaar wordt teruggedraaid. Geschat wordt dat in maar liefst 70 procent van alle gevallen het fusieproces niets oplevert, dat 15 procent van de fusies overwegend negatieve gevolgen heeft en dat slechts 15 procent van alle fusies kan worden gekwalificeerd als een succes.
"Ik durf voorzichtig te concluderen dat fusies in de sport relatief succesvol zijn"
Jan Janssens
Vergelijkbaar grootschalig kwantitatief onderzoek is niet gedaan in andere maatschappelijke sectoren, dus er kan geen slagingskans worden gegeven van fusies in de non-profitsector of meer specifiek het verenigingsleven in de sport. Op basis van mijn eigen onderzoek kan ik echter wel wijzen op belangrijke overeenkomsten en verschillen tussen fusies in het bedrijfsleven en fusies in de sport en ik durf voorzichtig te concluderen dat fusies in de sport relatief succesvol zijn.
Zowel in het bedrijfsleven als in de sport wordt er nog wel eens te makkelijk gedacht over een fusie. De voordelen van een fusie worden vaak te rooskleurig ingeschat en de complexiteit van een fusieproces wordt juist weer onderschat. In beide gevallen is de wijze waarop het fusieproces wordt vormgegeven bepalend voor het resultaat en is succes niet verzekerd.
Waar bedrijfsleven en sport van elkaar verschillen, is het tempo waarin fusies worden opgepakt en de aandacht voor harde en zachte kanten van het fusieproces. Bedrijfsfusies komen relatief snel tot stand en in de aanloop daarnaartoe ligt de focus vooral op juridische aspecten, financiële verhoudingen en zeggenschap, terwijl er (te) weinig aandacht is voor cultuurverschillen. Bij de fusieprocessen in de sport is het eerder andersom. Die vergen veel meer tijd en daar is juist relatief veel aandacht voor cultuurverschillen.
De verschillen hangen samen met de aard van de betreffende organisaties. Bij sportverenigingen zijn vaak veel meer verschillende actoren betrokken bij een fusieproces, dan in het bedrijfsleven. Naast de fusiepartners zijn dat bijvoorbeeld ook vaak de gemeente, de bond en de sponsors. Bovendien spelen binnen de betrokken sportverenigingen niet alleen de bestuurders maar ook de vrijwilligers een rol bij de fusie, terwijl aan de algemene ledenvergaderingen, waarin alle leden stemrecht hebben, het laatste woord is. Ten slotte moeten er bij fusie van sportverenigingen niet alleen organisatiedoelen, maar ook meer normatieve opvattingen en identiteitskwesties met elkaar worden verzoend. Al deze aspecten kunnen de onderhandelingen tussen fusiepartners danig compliceren. Dat fusies van sportverenigingen ingewikkelder zijn, wil echter niet per se zeggen dat ze minder succesvol zijn.
"Een typisch geval van 'operatie geslaagd, patiënt overleden'"
Jan Janssens
Het tegendeel lijkt eerder het geval. Waar in het bedrijfsleven de helft van de fusies binnen tien jaar wordt teruggedraaid, gebeurt dat bij verenigingsfusies zelden. Het komt voor, maar in mijn eigen onderzoek van ongeveer tweehonderd fusieprocessen in de sport ben ik slechts een handvol voorbeelden tegengekomen van fusies die na verloop van tijd ongedaan werden gemaakt. Hiertegenover kunnen enkele honderden fusies worden geplaatst die wél stand hielden.
Maar laten we niet te vroeg juichen. Dat fusies in de sport niet vaak worden teruggedraaid, wil nog niet zeggen dat ze ook altijd echt succesvol zijn. Het meest sprekende voorbeeld van een geslaagde fusie die toch geen succes was, is ongetwijfeld de fusie van FC Huiswaard en Go Ahead ’18 in Alkmaar. In de jaren negentig van de vorige eeuw werden liefst drie vergeefse pogingen gedaan om een fusie tot stand te brengen. Uiteindelijk lukt het dan toch in 2002. Gezamenlijk werd een nieuwe club opgericht: DFS (Door Fusie Sterk) Alkmaar. Maar anders dan die naam suggereert, was de fusieclub geen lang leven beschoren. Na vier jaar hield zij op te bestaan, een typisch geval van ‘operatie geslaagd, patiënt overleden’.
Kortom, geslaagde fusies zijn nog geen garantie voor succes, maar dat betekent niet dat fusies moeten worden ontmoedigd. Ze kunnen zeer wenselijk of zelfs noodzakelijk zijn en als verenigingen het goed aanpakken, kunnen ze na een fusie wel degelijk samen sterk staan. Daarover meer in de volgende delen van dit drieluik.
Jan Janssens is zelfstandig onderzoeker, adviseur, procesbegeleider, spreker en auteur. Hij houdt zich al vele jaren bezig met maatschappelijke en organisatorische aspecten van sport. Dat deed hij eerder onder andere als directeur van het Mulier Instituut en als lector Sportmanagement & Ondernemen aan de Hogeschool van Amsterdam. Naast zijn professionele werkzaamheden op dit vlak heeft hij ook als vrijwilliger en bestuurder in sport en welzijn zijn sporen ruim verdiend.
Deel dit bericht:
Door: Jan Janssens
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.