14 mei 2013
Achtergronden
“Sportorganisaties en met name internationale federaties hebben vaak in hun statuten zinnen staan die erop neerkomen dat zij zullen bijdragen aan de wereldvrede”, zegt Marjan Olfers, hoogleraar Sport en Recht aan de Vrije Universiteit. “Dat is nogal wat. De sport moet ervoor waken beloftes te doen die zij niet kan waarmaken.” Olfers onderkent de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de sport, maar vindt dat sportorganisaties zich in eerste instantie moeten richten op hun primaire taak: het organiseren en reguleren van wedstrijden en competities. Tijdens die wedstrijden en competities worden sportorganisaties echter geconfronteerd met incidenten, zoals agressie op en om het veld. Onlangs werden er in Amsterdam jeugdleden van een aantal clubs geroyeerd. Hoe ver reikt de verantwoordelijkheid van de sport? Jeugdvoorzitter Jaap de Groot van Geinburgia vindt - net als Marjan Olfers - dat clubs te snel overgaan tot royement.
De mogelijkheden van sportorganisaties om de wereldvrede te bevorderen zijn uiterst beperkt en juist dat is de reden dat Olfers de sport waarschuwt: “Maatschappelijke betrokkenheid is wel degelijk nodig, maar als je als sportbond zegt dat je een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebt als het gaat om bijvoorbeeld agressie, doe je in wezen het publiek de belofte dat je die agressie op de velden kan beteugelen. De middelen die je tot je beschikking hebt, zijn echter maar zeer beperkt. De KNVB heeft bijvoorbeeld alleen maar wat te zeggen over zijn eigen leden. Bovendien dreig je een speelbal van de overheid te worden. Die zal overal waar een bal rolt naar jou wijzen, maar er zijn dingen die een sportorganisatie nu eenmaal niet kan, je bent bijvoorbeeld geen politie en dat moet je ook niet willen zijn.”
Vrijwilligers
Voetbalclubs zijn ook geen opvanghuizen voor moeilijk opvoedbare kinderen. Zij hebben daarvoor de expertise noch de mankracht in huis. Geinburgia toont als club maatschappelijke betrokkenheid door in samenwerking met scholen mee te werken aan een project om kinderen in beweging te krijgen. Jeugdvoorzitter Jaap de Groot van Geinburgia realiseert zich echter terdege dat de mogelijkheden van een voetbalclub beperkt zijn. “Wij zijn geen pedagogen en daar hebben wij ook de middelen niet voor. Wij zijn allang blij als we iedereen hier zorgeloos aan het voetballen krijgen. Wij werken hier met vrijwilligers en die mensen zijn vaak niet geschoold om signalen op te vangen wanneer het dreigt mis te gaan met lastige jongens. Op dat gebied zouden wij wel meer steun willen vanuit bijvoorbeeld de KNVB of het stadsdeel, waar ze professionals in huis hebben die onze trainers zouden kunnen trainen.”
Royement
Het Parool maakte op 6 april melding van een aantal incidenten rond jeugdteams op de Amsterdamse velden. Spelers van OSC en Zuidoost United werden naar aanleiding daarvan geroyeerd. Voorzitter Ronald Esajas van Zuidoost United vindt dat de rol van een voetbalclubs na ernstig wangedrag van een (jeugdspeler) is uitgespeeld: ‘Daar zijn wij niet voor’, zegt hij in Het Parool. ‘Je komt als bestuur al tijd en handen tekort om al je leden te laten spelen en trainen. Dit is iets voor professionals. Er is maar één middel: dit soort mensen weren.’ De KNVB vindt dat clubs te snel overgaan tot royement. In hetzelfde Parool-artikel zegt medewerker tuchtzaken Maurice Simonis: ‘Door royement is er geen sprake van correctie. Het is makkelijk, want je verschuift het probleem.’
De KNVB lijkt dus deels verantwoordelijkheid te willen nemen voor het corrigeren en opvoeden van (jeugd)leden en daarmee komt de bond op het gladde ijs dat Olfers schetst. Mag de bond van voetbalclubs verwachten dat zij hun (jeugd)leden opvoeden en corrigeren? Legt de bond daarmee niet een te grote verantwoordelijkheid bij de clubs? Zijn de clubs in staat de impliciete belofte waar te maken? Hebben zij daarvoor überhaupt wel de middelen in huis? Wat het antwoord op deze vragen ook is, Olfers vindt net als de KNVB dat clubs heel terughoudend moeten zijn met het uitspreken van een royement. “Als het om minderjarigen gaat, heb ik er veel moeite mee. Royement is het zwaarste middel, daarbij moet je heel goed de proportionaliteit in de gaten houden.”
Spagaat
Sportclubs zijn er om mensen onbezorgd te laten sporten en zij moeten niet pretenderen de wereld te willen verbeteren. Maar aan de andere kant kunnen sportclubs de problemen die zich op en om de velden voordoen niet negeren en kunnen zij (jeugd)leden niet bij het eerste het beste incident wegsturen. Jaap de Groot worstelt met die spagaat. De jeugdvoorzitter van Geinburgia vindt ook dat royeren vaak een veel te zwaar middel is.
“Die kinderen wegsturen is wel erg makkelijk want dan ben je van het probleem af. Het gaat hier om kinderen, jongens van veertien jaar. Heel normale leuke jongens die een heel domme fout hebben gemaakt. Daar zouden ze dan voor de rest van hun leven voor worden gestraft, want als ze bij ons geroyeerd worden, komen ze er ook bij andere clubs ook niet meer in. Maar het is wel moeilijk want ik ben ook enorm geschrokken van wat er gebeurd is en ik schaam me rot. Maar als wij die jongens wegsturen, gaan ze de straat op en dan weet je al helemaal niet waar ze terecht komen. Daarbij moet ik ook rekening houden met de andere leden. Er zijn bijvoorbeeld ouders die gezegd hebben dat zij hun kinderen van de club afhalen als deze jongens lid blijven.”
De Groot probeert zoveel mogelijk om oplossingen te zoeken binnen de club. “Als jongens over de schreef zijn gegaan, zoeken we vrijwilligerstaken die ze moeten doen, bijvoorbeeld een aantal wedstrijden fluiten. Op die manier hopen we dan dat ze meer begrip krijgen voor de scheidsrechter. En we geven ze altijd duidelijk te verstaan dat het niet nog een keer moeten gebeuren.”
Voorbeeldfunctie sportDeel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.