16 juni 2009
Achtergronden
‘Pannenkoek’. Deze kwalificatie kreeg San Marco een poosje geleden naar z’n hoofd geslingerd van een teleurgestelde Ajax-fan. Eén wedstrijd voor het einde van de competitie gooide van Basten met een stijlvolle actie de handdoek in de ring. Co Adriaanse had hem er jaren geleden al op een venijnige wijze op voorbereid: een raspaard (topvoetballer) ontpopt zich niet zomaar tot een succesvolle ruiter (trainer/coach). “We zullen zien of we van toegevoegde waarde kunnen zijn”, zei de gediplomeerde trainer van Basten toen-ie net zijn speciale opleiding tot voetbalcoach had afgerond. Iedereen deugt, maar waarvoor?
Deze vraag nam wijlen Leo van der Burg in zijn boek ‘menselijke kwaliteit in organisaties’ als uitgangspunt voor het schetsen van een landkaart van talent en karakter. De ‘paard en ruiter-metafoor’ wordt daarin als denkkader gebruikt om de samenhang tussen biologisch, psychisch en geestelijke aspecten van het mens-zijn te verduidelijken.
Dit integrale mensbeeld, waarbij wordt uitgegaan van de totale persoonlijkheid, heeft indirect gezorgd voor het landschapskampioenschap van AZ. Niet het geld van Scheringa, maar het vakmanschap van Gerbrands en van Gaal hebben van de spelers(ploeg) winnaars gemaakt. Het gedachtegoed van Leo van der Burg ligt nadrukkelijk ten grondslag aan het handelen van de beide architecten achter het succes van AZ. Maar dit terzijde.
Terug naar het talentdenken. Van der Burg’s landkaart is even mooi als simpel. Het ‘paard in de mens’ zijn de eigenschappen die je met je geboorte meekrijgt. Aard en (genetische) aanleg vormen het (vitale) voertuig van de persoonlijkheid in kwestie. Door invloed van milieu, opvoeding en ervaring worden de vermogens en motieven van het karakter, ‘de ruiter in de mens’ – gevormd. Het remt, stemt of temt de (nog) ongestuurde, vitale levensenergie. Het ´ik´ tenslotte registreert, waardeert en bepaalt de gerichtheid van de besturing. Het fungeert daarbij als het innerlijke geweten van de ruiter. En net zoals niet elk paard voor allerlei omstandigheden even geschikt is, zo is het ook gesteld met mensen. Belgische werkpaarden zijn minder geschikt voor een springconcours.
Aard (temperament), aanleg (wiskundeknobbel) en gerichtheden (denkgewoontes, intuïtie) zijn moeilijke of deels veranderbaar. De vermogens (leerstijl, discipline) en motieven (waardevoorkeur, ambities) zijn op basis van zelfinzicht eenvoudig(er) te veranderen. Wij mensen moeten ons uiterste best doen om erachter te komen op welk paard we zitten, wat voor ruiter we zijn en voor welke omstandigheden ´het paard + ruiter in ons´ het meest geschikt zijn. Hoe minder het (specifieke) talent, hoe meer het karakter en het (ik) moeten compenseren om de top te bereiken. Natuurlijk kon van Basten een nog (veel?) betere voetbalcoach werden. Of-ie daar in net zo’n uitblinker zou worden als die hij als stervoetballer was, ‘that’s the question’.
Gemeenschappelijke kenmerken van bewezen talenten
In hun zoektocht naar ‘Het geheim van de uitblink’ hebben de psychologen Busato en van Harreveld bij achttien ‘gerijpte’ talenten op het gebied van sport, cultuur, wetenschap en ondernemerschap op een open associatieve wijze interviews afgenomen. Op zoek naar dat wat deze specialisten op uiteenlopende terreinen met elkaar gemeen hadden. Al pratend, reflecterend en interpreterend over hun jeugd, hun drijfveren, hun discipline, hun mazzel en hun eerzucht, konden er uiteindelijk bij de geïnterviewden veertien factoren als gemeenschappelijk gekenmerkt worden.
Een zevental zal ik kort aanstippen:
• men koestert een haast obsessieve liefde voor het eigen vakgebied;
• een duidelijk aangeboren talent gaf een voorsprong op anderen;
• allen streefden naar perfectie en hadden oog voor details;
• men kende de eigen tekorten en wisten die te compenseren;
• haast moeiteloos wisten ze de noodzakelijke discipline en ‘deliberate practice’ op te brengen;
• men verkent voortdurend grenzen en durft die grenzen steeds meer te verleggen;
• uitblinkers waren niet gericht op succes op zich, maar richten zich op het verkrijgen van innerlijk meesterschap.
Het heeft al met al een prettig leesbaar boek opgeleverd, vol met verhelderende anekdotes. Wist u bijvoorbeeld dat de vader van Hans Teeuwen gymnastiekleraar was? Het boek eindigt met een prikkelende vraag: ‘Hoe bovenstaande ingrediënten te combineren tot iets speciaals, blijft een raadsel’. Want zegt u nu zelf, als het recept voor een uitblinker echt zo eenvoudig zou zijn samen te stellen, waarom blinkt u dan niet in die mate uit als de uitblinkers in dit boekje?
De Talentsom tot besluit
Iemand kan meer of minder talentvol zijn op bepaald domein (sport, muziek, schilderen, leiding geven, etc.). De ontwikkeling van talent is situationeel en cultureel bepaald. Het bewezen talent is opgebouwd uit de combinatie van verschillende factoren. Die factoren zijn onder te verdelen in vier componenten. Die vier basisonderdelen vormen samen de Talentsom (zie www.twijnstragudde.nl). Allereerst is er talent dat je meekrijgt bij je geboorte, dit is je gave. Ten tweede is er de wil om het te ontwikkelen, je ambitie. In de derde plaats is er veel oefening en doorzettingsvermogen voor nodig om het te laten rijpen, je discipline. Ten slotte moet je de mogelijkheid krijgen/creëren om je talent zelfbewust te leren vervolmaken.
Talentsom = gave x ambitie x discipline x mogelijkheid
Leo van der Burg onderscheidt zeven opklimmende leerniveaus waarop mensen hun vermogens via het ‘Steigerungs-prinzip’ kunnen ontwikkelen: het ene niveau omvat het voortgaande. Uitblinkers zijn ruiters die op het allerhoogste niveau hun (stuur)vermogens hebben ontwikkeld en in perfecte harmonie gebruik maken van de specifieke mogelijkheden van hun paard.
Leestips:
- Multi-talenten zijn uiterst schaars. Of met Bart Jungman in zijn column over Marco van Basten te spreken: ‘Als een paard zoveel heeft betekend, moet hij niet eens een ruiter willen zijn’ (Volkskrant, 9 mei 2009)
- Van der Burg, L. (2006) Menselijke kwaliteit in organisaties. Amsterdam Prentice Hall.
- Busato, V. en van Harreveld, F. (2007) Het geheim van de uitblinker. Amsterdam. Prometheus
Adri Broeke (1946) verdient(de) de kost als bollenpeller, bakkersknecht, gymleraar, beroepsopleider, consultant, lector en als onderzoeker. Momenteel werkt hij aan de afronding van zijn proefschrift: ‘Innovatief Sportbusiness Managen’. Zijn favoriete boek is: ‘De A.F.C.’ers’ van J.B. Schuil. Voor meer informatie: adri.broeke@home.nl
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.