6 maart 2012
Achtergronden
In de handzame publicatie ‘Praktijkonderzoek - Motor voor verandering in organisaties’ maken de schrijfsters M. Smit en S. Verdonschot duidelijk dat je onderzoek kunt zien als zwemmen, snorkelen en duiken. Bij zwemmen blijf je dicht aan de oppervlakte. Je kijkt naar dat wat er is en hoe een en ander in het water weerspiegelt. Snorkelen helpt om een behoorlijk uitgestrekt gebied onder het wateroppervlak af te struinen. En bij duiken zoek je een afgebakend klein gebied tot op de bodem uit. Of je nu zwemt, snorkelt of duikt, met goed onderzoek breng je iets in beweging. Lukt het nu bijvoorbeeld ook 'onze' sportlectoren om het beroepsveld ondersteunend te activeren?
Na de invoering van het Angelsaksische bachelor-master systeem in Europa bleef in ons land de scheiding tussen hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs vreemd genoeg gehandhaafd. Dat zat Frans Leijnse - de toenmalige voorzitter van de HBO-raad (= de vereniging van hogescholen) - bepaald niet lekker. Als succesvolle 'poor men's university' - twee op de drie studenten studeerde aan een hogeschool!- verdiende het hbo in zijn ogen juist een innovatieve kwaliteitsimpuls. Om de komende jaren aan de eisen van de snel veranderende kenniseconomie te blijven voldoen zou het personele kennisniveau en de externe kennisbijdrage van het hbo op een hoger plan gebracht moeten worden.
In 2001 lukte het Leijnse cs om voor dit doel flink wat extra geld los te peuteren bij het ministerie van OCW. Voor het opkrikken van de kennisfunctie van hogescholen werden lectoraten in het leven geroepen. De Stichting Kennis Ontwikkeling (SKO) moest voor de invoering, verdeling en monitoring van de SKO-lectoraten aan de ruim veertig hogescholen zorg dragen. Als lector sportmanagement behoorde ik begin 2002 tot het eerste cohort op het beroepsdomein sport en bewegen. Mijn belangrijkste opdracht was om het 'body of knowledge' van de nieuwe praktijkdiscipline uit te bouwen en het sportmanagementonderwijs binnen de hogeschool naar internationale maatstaven vorm te geven. De lector en zijn daaraan verplicht gekoppelde professionele kenniskring dienden met het oog hierop bestaande kennis te mobiliseren en nieuwe kennis te ontwikkelen. Praktijkgericht onderzoek werd beschouwd als een mogelijk onderdeel van de kennisproductie-cyclus.
Sinds 2007 vallen lectoren onder de reguliere lump sum financiering. Voor cofinanciering van praktijkgericht onderzoek kunnen hogescholen nog wel meedingen naar een subsidiebijdrage uit de zogenoemde RAAK-gelden. RAAK staat daarbij voor 'Regionale Aandacht en Actie voor Kenniscirculatie'. Die gelden zijn bedoeld om de kennisuitwisseling tussen het regionale midden- en kleinbedrijf en het hoger beroepsonderwijs te stimuleren. Sedertdien staat het werk van de momenteel ruim vijfhonderd lectoren vooral in het teken van subsidies binnenhalen en contractonderzoek uitvoeren. Net als op de universiteiten gaat voor hen het aantal publicaties en citaties steeds meer tellen. Lectoraten worden door validatiecommissies strenger dan ooit afgerekend op de 'outcome' en 'impact' van hun onderzoeksactiviteiten. De hogescholen heten voortaan ‘Universities’. Ter onderscheiding van de 'echte' dan wel met als toevoeging 'of Applied Sciences'. Is daarmee de unieke beroepsgerichtheid ingeruild voor tweedehands wetenschappelijkheid?
De oude SKO-lectoren zijn in de loop der tijd grotendeels vervangen door een nieuwe generatie onderzoekslectoren en ‘spooklectoren’. Bij hen is vooralsnog van actieve bemoeienis met de onderwijsontwikkeling weinig sprake. De ‘spooklectoren’ hebben daarvoor een te kleine aanstelling (hooguit een dag in de week). Het lectorschap is voor hen niet veel meer dan een bijbaantje dat hen vanwege hun interessante netwerk of landelijke bekendheid is aangeboden. De echte 'onderzoekende' lectoren doen - meestal in deeltijd - vooral het kunstje dat ze eerder voor hun andere werkgever(s) - de universiteit, een onderzoeksinstituut of een adviesbureau - ook al deden: het uitvoeren en begeleiden van onderzoek. Nu dan als 'associate' professor bij een aan een hogeschool verbonden kenniscentrum. Men is daar op uiteenlopende gebieden met de meest fantastische namen in de weer met toegepast (praktijk)onderzoek. Ook in het beroepsdomein sport.
Praktijkonderzoek binnen het beroepsdomein sport
Het klassieke datagebaseerde empirische onderzoek kan volgens velen gewoon het best aan de daarvoor uitstekend toegeruste en getrainde universiteiten verricht (blijven) worden. Het onderzoek aan hogescholen daarentegen legitimeert zich doordat het diep geworteld is in de beroepspraktijk. Die verankering in de professionele praktijk zou je bij ' onze' sportlectoren in voldoende mate terug moeten zien. In de publicatie 'Sport, haar lectoren en kenniskringen' worden de werkzaamheden van de lectoren die zich bezig houden met sport en bewegen in kaart gebracht. De praktijkgerichtheid van dit gezelschap geeft te denken .
De zeventien geïnterviewden zijn allemaal in het bezit van een academische doctorstitel. Op een enkele uitzondering na heeft niemand in de beroepspraktijk de nodige (werk)ervaring opgedaan als gymleraar, sportcoach, sportmanager o.i.d. De meesten hebben niet eerder op een sportgerelateerde hbo lesgegeven. Het doordacht werken aan een 'body of knowledge' voor een praktijkdiscipline op het gebied van bewegingsonderwijs, training/coaching, sportbeleid etc. is geenszins aan de orde . Ze zijn voornamelijk met het uitvoeren en begeleiden van contractonderzoek bezig op themagebieden met fantasierijke namen als: ‘Innovatieve beweegstimulering en sport’; ‘iMotion in sportbusiness’ of ‘Fysieke activiteit en gezondheid’. Veel hap-snap-werk, zowel inhoudelijk als organisatorisch voor een buitenstaander geen peil op te trekken. Het belang van de particuliere opdrachtgever is blijkbaar groter dan dat van de sportgerelateerde generieke praktijkdiscipline. Van door contractonderzoek opgedane kennis wordt de (toekomstige) praktijkprofessional helaas meestal niet veel wijzer.
Voor een derde van de te boek gestelde lectoraten is ‘sport en bewegen’ duidelijk bijzaak. Lector' Participatie en Maatschappelijke Ontwikkeling' Stijn Verhagen bijvoorbeeld spreekt onverbloemd over 'de bijvangst van sport'. Zelf heeft hij een volledige aanstelling en een kenniskring van veertien leden. Ze doen in de sociale sector onderzoek naar het verbeteren van het pedagogisch klimaat en de interetnische contacten bij twee amateurvoetbalverenigingen. Als je al 'snorkelend' uitvist welke interventies ze feitelijk inzetten om de sfeer en het omgangsklimaat binnen de club te bevorderen, dan levert dat weinig nieuws op. Een fairplay cup uitreiken, jeugdspelers een scheidsrechtercursus aanbieden, een theatervoorstelling van de stichting 'Positief Coachen' bijwonen: een beetje sportbeleidsprofessional staat hierbij zeker niet met de oren te klapperen. Edoch, u bent gewaarschuwd kenniswerkers van sportgerelateerde hbo’s. De 'sociale' werkers en de aan hun gelieerde opleidingen kenniscentra en onderzoeksbureaus hebben de sport ontdekt als onderzoeksobject en subsidiebron. De 'sport'-studies spelen binnenkort wat onderzoek naar onder meer de maatschappelijke waarde en sociale effecten van sport betreft de tweede viool....
De andere wel primair aan sport en bewegen gerelateerde lectoraten blijken op onderzoeksgebied vooral voor paramedische thema's te kiezen. Het is een en al voeding, gezondheid, leefstijl en welzijn wat de onderzoeksklok slaat. Ze zijn bovendien bijna allemaal bezig met het 'meten van evidence-based interventies'. Veel tijd, geld en ruimte wordt daarbij gestopt in het aantrekken en faciliteren van aan een bevriende universiteit afstuderende promovendi. Dit terwijl binnen het hbo de methodologie van praktijkonderzoek en de ontwikkeling van activerende onderzoeksmethoden gericht op het en/of vernieuwen van het (eigen) professionele handelen eigenlijk de hoogste prioriteit moet hebben. Het gaat hogescholen immers om de professionalisering van praktijkgericht onderzoek en de ontwikkeling van professionele onderzoeksactiviteiten door en voor beroepsbeoefenaren.
Het verhogen van de professionaliteit is het doel. De kerntaak van een sportgerelateerde hbo-instelling is het opleiden van onderzoekende sportprofessionals en het ontwikkelen van bruikbare praktijktheorieën voor het betreffende beroepsdomein. De eigentijdse professional scholar beschikt naast professioneel vakmanschap tevens over een innovatief onderzoekend vermogen. Professieondersteunend onderzoek is een middel om nieuwe kennis te ontwikkelen en in de praktijk te brengen. In het boek Praktijkonderzoek worden in dit verband diverse activerende onderzoeksmethoden uitgebreid besproken. Stuk voor stuk methoden die niet alleen bruikbaar zijn om iets te weten te komen, maar ook - en vooral - om iets te leren of iets te veranderen als persoon, team of organisatie. Voor wie wat onderzoekend wil veranderen in organisaties volgens mij verplichte kost.
De nieuwsgierige sportprofessional
Tijdens de verspreiding van mijn publicatie 'Ik ben benieuwd' raakte ik in gesprek met twee honours-studenten die deelnamen aan een bijeenkomst van de Groningse kenniswerkplaats 'De nieuwsgierige sportprofessional'. Ze vroegen zich af hoe vroeger - toen er nog geen lectoraten waren - de kennisontwikkeling op de ALO verliep. Enthousiast vertelde ik dat op de vroegere ALO's bijna alle praktijkdocenten ervaren topspecialisten waren op het gebied van bewegingsonderwijs en/of training in een tak van sport. De theorielessen werden veelal verzorgd door academisch geschoolde psychologen, fysiologen e.d. met een 'sporthart'. De colleges waren best pittig en deden qua niveau weinig onder voor die vakken op de universiteit. Van de hbo-studenten werd met name een nieuwsgierige onderzoekende houding gevraagd. Aan kwantitatief empirisch onderzoek werd niet gedaan. Wel leerde je onderzoeksresultaten gebruiken en praktijkproblemen kritisch analyseren. Soms moest je tijdens je stages zelf iets uitzoeken op de werkplek met behulp van een eenvoudig observatie- of vragenlijstje. Iedereen volgde toentertijd qua studiebelasting eigenlijk een soort honours-traject. In het binnenkort te verschijnen Canon van de Lichamelijke Opvoeding kun je opzoeken wat in de loop der jaren op die manier aan praktijkkennis is opgebouwd, zei ik mijn verhaal afrondend. ‘We zijn benieuwd’, antwoordden ze beleefd bijna in koor. Zo keken ze niet.
Leestips
- Smit, M en S. Verdonschot (2010). Praktijkonderzoek. Motor voor verandering in organisaties. Houten. Springer Uitgeverij
- Breedveld, K en N. van Veldhoven (red.) (2011). Sport, haar lectoren en kenniskringen. Sportonderzoek op het hbo. Deventer. DaM uitgeverij.
- Broeke, A en K. Faber (red.) (2012). Ik ben benieuwd. Over docenten en studenten als nieuwsgierige sportprofessional. Groningen. Instituut voor Sportstudies.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.