Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Achtergronden
Op zoek naar een kwaliteitsimpuls voor sportmanagers en sportleiders

Op zoek naar... een kwaliteitsimpuls voor sportmanagers en sportleiders

12 maart 2013

Achtergronden

door: Adri Broeke

In zijn overweldigende road-roman 'Zen en de kunst van het motoronderhoud' (1974) ontvouwt Robert Pirsig een boeiende kijk op kwaliteit aan de hand van een motortocht dwars door de Verenigde Staten. Er zijn volgens hem twee benaderingswijzen. In de klassieke benadering staan de objectieve eigenschappen centraal. 'De motor is een ding, een voertuig dat gewoon goed moet functioneren'. Vanuit de romantische invalshoek daarentegen gaat het om de subjectieve beleving. 'De motor is een verlengstuk van mezelf, hij geeft me een gevoel van vrijheid'. Beide visies schieten in zijn ogen tekort. Kwaliteit is een overstijgend gebeuren waarbij we ervaren dat objectieve kenmerken en subjectieve maatstaven met elkaar versmelten. Ieder mens weet diep in zijn hart wat goed is en wat niet. Kwaliteit met een hoofdletter K is niet vast te leggen in empirische specificaties en criteria. 'Wat goed is - beste mensen - en wat niet goed is... Moeten we iemand vragen ons dat te vertellen?' vraag ik me met Pirsig steeds vaker af.

'Wie is er niet gek van sport en zou van bezig zijn met sport niet zijn of haar dagelijks werk willen maken? Sportmanager, een droombaan toch?'. Met deze retorische vragen opent Philip Wagner (voorzitter executive MBA sportmanagement te Groningen) zijn voorwoord bij het rijk geïllustreerde gloednieuwe Basisboek Sportmanagement.

De professionalisering van onze sportsector bevindt zich midden in de fase van volwassenwording. Een goed tijdstip om de door de Groningse sportmanagement community in de loop der jaren opgebouwde vakkennis om te zetten in een pittig (studie)boek. Met deze kleurrijk vormgegeven kennisgids voorzien de samenstellers - Ben Hattink en Adri Broeke - de huidige en aankomende praktijkgemeenschap van een solide professionele kennisbasis.

Het basisboek is stevig geworteld in de Europese/Rijnlandse opvattingen over sport, management en organiseren. Begrippen als duurzaamheid, vakmanschap,verbinding en vernieuwing passeren regelmatig de revue. In tegenstelling tot de meeste - veelal op Amerikaanse leest geschoeide - vakliteratuur wordt het domein sportmanagement dit keer niet opgedeeld in geijkte subdisciplines als financieel management, human resource management, facility management en dergelijke.

Broeke c.s. kiezen ook in deze publicatie consequent voor een holistische invalshoek: die van de sportmanager nieuwe stijl. Iedere eigentijdse manager in de sport krijgt in meer of mindere mate te maken met zogenoemde integrale taken op het gebied van management, ondernemerschap en leiderschap (= mol-taken). Regelen, doelen stellen, coördineren horen bij de traditionele rol van de manager. Initiatieven tonen, nieuwe uitdagingen aangaan, risico's durven nemen vallen onder de rol van de ondernemer. Mensen inspireren, richting geven, onderlinge betrokkenheid versterken zijn onder de noemer leiderschap te scharen.

Een professional op het gebied van sportmanagement is in staat deze drie basisrollen zowel binnen als buiten de sportsector te vervullen! Soms in een bepaalde volgorde, vaak ook tegelijkertijd.

Tot zijn of haar professionele kennisbasis behoren zowel de meer theoretische opvattingen over management, ondernemerschap en leiderschap (= theorie met een grote T) als de meer praktisch-methodische werkmodellen (= theorie met een kleine t). In het eerste deel van het basisboek worden de grote T en de kleine t van de drie onderscheiden basisrollen ieder in een apart hoofdstuk uitgebreid behandeld. Daarbij wisselen meer traditionele managementopvattingen zich af met nieuwe managementconcepten als gedeeld leiderschap en duurzaam ondernemen.

In de nieuwe sportbusiness gaat het erom de balans te bewaken tussen de financiële waardegebieden (Profit), de ecologische belasting (Planet) en de menselijke maat (People). In de Nieuw Business Modellen (NBM) draait het niet langer alleen om het maximaliseren van financieel gewin. Steeds vaker vinden ook in de sportsector tussen verschillende partijen allerlei transacties plaats met gesloten beurzen. De sportmanager nieuwe stijl bemiddelt daarbij en streeft zoveel mogelijk naar meervoudige waardecreatie. Naast de behoeften van de klant / het clublid (klantwaarde), wordt ook rekening gehouden met de wensen van de medewerkers/vrijwilligers (medewerkerswaarde) en de belangen van de externe omgeving (stakeholders-waarde). Managen gaat verder dan effectiviteit en bedrijfsmatigheid. Goed sportmanagement moet ook deugd doen en voor alle betrokkenen van waarde zijn.

Waardevolle sportmanagement praktijken
Volgens Harvard -'Good Work'- professor Howard Gardner wordt het tijd dat we de drie keer M (Money, Market & Me) mentaliteit inruilen voor duurzaam drie keer E (Excellence, Engagement & Ethical work) gedrag. Goed werk vraagt om goed management.

Wat goed is ligt allereerst besloten in de beroepspraktijk zelf. In de routines, de verzwegen kennis en het handelingsrepertoire van de betreffende praktijkgemeenschap. Beroepsbeoefenaren dienen al doende de impliciete 'standards of excellence' van professionaliteit te ervaren, eigen te maken en waar nodig verbeteren. De basis daartoe wordt gelegd tijdens de beroepsopleiding. Gedurende de verdere loopbaan verbreedt de kennisbasis en verdiept de bekwaamheid van de sportmanagement professional zich. De versterking van de (eigen) professionele identiteit is een doorlopend proces.

In het tweede deel van het basisboek staan de kenmerken en kwaliteiten van vier gevestigde sportmanagementpraktijken centraal. Aan deze beroepspraktijken van achtereenvolgend de sportverenigingsmanager, de sportbeleidmanager, de sportbedrijfsmanager en de sportevenementenmanager worden vier overeenkomstige hoofdstukken gewijd. Per hoofdstuk wordt steeds een korte schets gegeven van de historische gegroeide eigenheid en de recente ontwikkelingen ten aanzien van het betreffende beroepsveld. Vervolgens wordt ingegaan op de contextspecifieke mol-vraagstukken die vandaag de dag om een passende aanpak vragen. Afsluitend wordt aangegeven wat in de nabije toekomst van de toekomstige beroepsbeoefenaar mogelijk gevraagd wordt aan competenties en kwaliteiten in de onderscheiden beroepscontexten.

Het gaat in deze nieuwe publicatie duidelijk om meer dan een studieboek voor de individuele sportmanager. Het is een oproep en impuls tot het verder professionaliseren van de verschillende beroepspraktijken waarbinnen die individuen werkzaam zijn. De kwaliteit van de productie, marketing en innovatie van sportdiensten dient volgens de samenstellers op een hoger plan gebracht te worden. De beroepsbeoefenaren dienen op eigen kracht en van binnenuit ideeën uit te wisselen met elkaar, gezamenlijk nieuwe kennis te ontwikkelen en waar mogelijk op gericht praktijkonderzoek uit te voeren.

In het laatste hoofdstuk wordt met het oog hierop ingegaan op een relatief nieuwe kwaliteit van de managing professional op sportgebied: die van praktijkonderzoeker. De uitgangspunten en het gebruik van onder meer de studieteammethode, actieonderzoek en de waarderende onderzoeksbenadering worden met praktijkvoorbeelden helder uiteengezet. De inhoud van dit basisboek sportmanagement is niet alleen voor Groningers dubbel en dwars de moeite van het eigen maken waard.

Naar excellente sportleiders
Een kwart eeuw geleden was kwaliteitsmanagement een heuse hype in de maakindustrie. Later ook in de softe sector. Als hogeschool kregen we in die tijd uit de Rijkskas miljoenen om het integrale kwaliteitsbeleid op te tuigen. Met militaire precisie werd door een nieuw in het leven geroepen stafdienst een uniform kwaliteitssysteem uitgerold. Recentelijk ontvingen we weer een pot met subsidiegeld. Ditmaal voor het op poten zetten van instellingsbrede excellentieprogramma's. Werken aan excellentie is momenteel in. Kwaliteit is een inwisselbaar bulkproduct geworden. Alleen met het predicaat excellent kun je je blijkbaar nog onderscheiden. Reken maar dat de devaluatie van dit predicaat ook niet lang op zich laat wachten.

In het voorwoord van Excellente trainer/coaches voor excellente sport verwijst Jo Lucassen naar een gesprek dat wij beiden hadden in 1987. Een proefschrift schrijven was iets voor nerds en andere wereldvreemde wetenschappers vonden we. Praktijkmensen zoals wij hadden er meestal niet veel aan dachten we toen. Maar net als ik in 2010 kon ook Jo Lucassen het niet laten Onlangs besloot hij zijn gedachten en onderzoeksactiviteiten samen te ballen tot een proefschrift. Het resultaat mag er zijn. Een dikke pil van liefst 427 pagina's. Met twee keer excellent in de titel en Guardiola op de cover wordt hoog ingezet. Overtreft hij mijn verwachtingen?

Helaas moet ik het antwoord op deze vraag schuldig blijven. Ik kan de integrale kwaliteit van deze indrukwekkende dissertatie onmogelijk goed beoordelen. Zeker niet in dit bestek. Ik heb het gevoel dat ik minstens vijf miniproefschriften langs de meetlat moet leggen. Een minidissertatie over respectievelijk het kwaliteitsbeleid van (inter)nationale sportorganisaties, het verschil in dienstverlening tussen sportverenigingen en fitnesscentra, de ontwikkelingen op het gebied van competentiegericht opleiden en human resource management en een casestudy naar de succes en faalfactoren bij de invoering van een innovatief serviceconcept voor sportleiders. Dit alles inclusief bijbehorende vraagstellingen, conceptuele kaders en databronnen.

Feitelijk te veel van het goede. Bij elkaar vormt een en ander een van eruditie getuigend maar weinig coherent geheel. 'In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister'. Ik beperk me hier daarom tot één door de Mulier-promovendus aangesneden probleemgebied: de ontwikkeling en uitvoering van een kwaliteitsassessment voor sporttrainers en begeleiders. Ik ben me bewust dat ik hem daarmee onvoldoende recht doe.

Sportleider (instructeur, trainer, coach) is een complexe functie. Primair gaat het daarbij om het geven van trainingslessen. Daaromheen moet ook van alles georganiseerd en gecommuniceerd worden. Bovendien moet een trainer betrouwbaar handelen en normen en waarden op het gebied van veiligheid en gezondheid bewaken. Hiermee rekening houdend zijn er verschillende typen trainers te onderscheiden. Van een sportleider in de recreatiesport tot een topcoach uit de internationale topsportcompetitie. De taakomgeving van sportleiders is de afgelopen jaren sterk veranderd. De traditionele sportclub is allang de enige werksetting niet meer. Sportleiders werken ook voor overheidsinstellingen of allerlei indoor en outdoor sportbedrijven. Voor deze heterogene groep beroepsbeoefenaren zijn de afgelopen tien jaar onder leiding van de senioronderzoeker verschillende kwaliteitsinstrumenten ontwikkeld en verspreid.

Het wetenschappelijk meten van kwaliteit
In 2003 werd het kwaliteitsinstrument IK Trainer geïntroduceerd. Na jarenlang onderzoek en uittesten was het eindelijk zover: een zelfbeoordelingstest voor alle sportleiders. Medio 2007 hadden zo'n 900 sportleiders de betreffende vragenlijst ingevuld. Op deze databestanden liet de promovendus allerlei statistische analyses los.

Veel wijzer word je daar niet van. Hoewel het instrument redelijk door de wetenschappelijke beugel kon, werd erin de sportpraktijk weinig mee gedaan. De meeste trainers zijn meer doeners dan 'reflective practitioners'. Om een tijdrovend kwaliteitsassessment zat niemand te springen. Sportclubs en sportbonden doen zoals bekend van oudsher al weinig aan competentiemanagement en planmatig kwaliteitsbeleid. IK Trainer droeg in deze taakomgeving weinig bij aan de verhoging van de professionele kwaliteit van de gemiddelde trainer/coach. Zonde van alle er in gestoken geld en energie. Toch als wetenschappers te veel aanbodgericht te werk gegaan?

In opdracht van NOC*NSF en NL coach werd - tegen beter weten in? - nogmaals aan het instrumentarium gesleuteld. Dat leverde twee nieuwe competentiescans op: Trainerscan en Trainerscan 360. Daarin werd beter aangesloten op de vijf niveaus van sportleidercompetenties uit de nieuwe Kwalificatie Structuur Sport (KSS). Met de 360 graden scan kon tevens van meerdere kanten feedback gegeven worden op het functioneren van de trainer/coach. Die gegevens zouden aanleiding kunnen geven tot een dialoog en/of competentieontwikkeling gesprekken met de leercoach, manager of opleider van de sportleider. Dat zou misschien eventueel kunnen, maar ja...

Een klaterend succes zijn deze 'innovatieve' diensten uiteindelijk niet geworden. In de periode 2003-2011 maakten in totaal 1.150 personen gebruik van de IK Trainer test. De Trainerscan bleef sedert 2008 tot nu toe steken op enkele honderden gebruikers. Het bestaan van Trainerscan 360 bleef zelfs grotendeels onopgemerkt. In het meest recente NOC*NSF-masterplan 'Een leven lang coachen' is de financiering van het speerpunt Werving en Behoud zelfs niet eens geregeld. Het loopbaan- en HR-beleid in de wereld van de vrijwillig bestuurde (participatie)sport stelt nog altijd niet veel voor. Bestuurders blijken niet echt geïnteresseerd in wetenschappelijke kwaliteitsmetingen als ondersteuningsmiddel voor de professionalisering van sportleiders. Alleen het werk van topcoaches wordt in toenemende mate wetenschappelijk en financieel ondersteund.

Jo Lucassen blijft ondanks alles in zijn eindconclusies optimistisch over de (toekomstige) waarde van dit soort onderzoek op het gebied van trainerskwaliteit en excellente professionaliteit bij sportorganisaties. Dat siert hem. Zelf heb ik er een hard hoofd in. Zeker in de zachte sector zijn kwaliteitzorg, excellentiebeleid en straks wellicht trending topics als duurzaam ondernemen veelal sterk subsidie gedreven. De meeste belanghebbende opdrachtgevers hoppen daardoor van project naar project. Op hen moeten wetenschappers en praktijkmensen niet al te veel rekenen. Echte professionele kwaliteit komt op den duur van binnenuit. Vanuit de praktijkgemeenschap zelf. Dat is maar goed ook.

Leestips:
• Broeke, Adri & Hattink, Ben (2013). Basisboek Sportmanagement. Managing professionals in sport en bewegen. Assen: Koninklijke Uitgeverij van Gorcum.
• Lucassen, Jo M.H. (2012). Excellente trainer/coaches voor excellente sport. Ontwikkeling en invoering van een kwaliteitsassessment voor sportleiders. Utrecht: Mulier Instituut.

Adri Broeke (1946) verdiende de kost als bollenpeller, bakkersknecht, gymleraar, beroepsopleider, consultant, lector en als onderzoeker. Op 25 maart 2010 is hij gepromoveerd. De titel van zijn proefschrift: ‘Professioneel Sportmanagement Vernieuwen’. Zijn favoriete boek is: ‘De A.F.C.’ers’ van J.B. Schuil.

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.