Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Achtergronden
Op zoek naar de vereniging van wetenschap en praktijk

Op zoek naar… de vereniging van wetenschap en praktijk

19 oktober 2010

Achtergronden

door: Adri Broeke

Alles en iedereen moet en zal op 'Olympisch niveau' gebracht worden. Het sportonderzoek kan niet achter blijven. Een aselect? groepje sportwetenschappers maakt zich daar de laatste tijd sterk voor. Voor de door hen uitgezette onderzoekslijnen en plannen willen ze de komende jaren vijftig miljoen extra subsidie binnen fietsen.

De recente publicatie 'Sport en haar professoren' maakt onderdeel uit van de veelbelovende interventiestrategie. Het door NOC*NSF, Innosport.nl en het W.J.H. Mulier Instituut geredigeerde boek geeft een uiterst positief beeld van de staat waarin het Nederlandse sportonderzoek heden ten dage verkeert:

'Er wordt gepubliceerd in toonaangevende tijdschriften, er worden netwerken en samenwerkingsverbanden aangelegd die ertoe doen en er wordt onderzoek uitgevoerd dat internationaal de kritiek ruimschoots kan doorstaan, en in sommige opzichten zelfs toonaangevend genoemd mag worden (p. 14-15)'.

Onze dertien geportretteerde topsportwetenschappers lijken op grond van deze lovende woorden allang op de top van de Olympus te bivakkeren. Alleen een Nobelprijs ontbreekt nog in hun academische medaillekast...

Sport en haar professoren
Als voorbereiding op een kennisdebat over sporttalent met Pieter Huistra (coach FC Groningen) en Chris Visscher (jeugdsportprofessor) las ik het dertig pagina's dikke hoofdstuk over jeugdsport met stijgende verbazing door. Zijn dit de bevindingen waarmee onze toonaangevende jeugdsportprofessoren zich meten met de internationale toponderzoekers?

Aan de Vrije Universiteit Amsterdam heeft men via experimenteel onderzoek ontdekt dat: een hockeykeeper bij een strafcorner beter kan uitlopen omdat hij daarmee zijn doel verkleint (p. 78). Boeiend.

Aan de Universiteit Utrecht was een onverwachte uitkomst van een onderzoek naar gymlessen dat: kinderen liever in groepjes met goede sporters zitten dan met vriendjes als het om het leveren van prestaties gaat ( p. 68). Interessant.

Aan de Universiteit Groningen blijkt uit een soort kennistoets voor tactische vaardigheden dat: een hogere score op de zelfbeoordelingsschaal 'positiekeuze en besluitvorming' bij getalenteerde voetballers voor 70% kan voorspellen of ze later een profcontract zullen tekenen (p. 59). Echt waar?

Is deze in tachtig jaar gegroeide kloof tussen wetenschappelijke kwaliteit en praktische bruikbaarheid nog wel te overbruggen?

De bijziendheid van evidence based practice
Bij uit de oorspronkelijk natuurkundige kennisbron puttende academische disciplines (farmacologie, geneeskunde, bewegingswetenschappen e.d.) is de evidence based aanpak al jarenlang ingeburgerd. Het handelen van professionals dient in de praktijk zoveel mogelijk gebaseerd te zijn op de resultaten van stringent wetenschappelijk onderzoek. Daar heeft geen weldenkend mens bezwaar tegen. Van elke behandeling of interventie van een arts, chirurg of de sporttherapeut moet op voorhand duidelijk zijn dat de behandelingsmethode voldoende 'gestandaardiseerde' bestanddelen bevatten die 'bewezen' effectief zijn.

Binnen de gedrags- en maatschappijwetenschappen (psychologie, beleidskunde, sportsociologie e.d.) daarentegen wil de uit de medische wereld afkomstige kennisclaim - beleidsinterventies en de werkwijzen van beroepskrachten vereisen een objectief wetenschappelijke onderbouwing - maar moeizaam wortel schieten.

Lector Jan Steynaert en zijn kenniskring vragen zich af hoe het komt dat in de sociale sector de wereld van het wetenschappelijk bewijs en die van het op de in-de-praktijk-werkzame-factoren gebaseerde dagelijks werk van 'professionals' aantoonbaar gescheiden (blijven) opereren. Aan de hand van een zestal tot de verbeelding sprekende praktijkvoorbeelden komt hij tot conclusies die ook voor de toekomst van de sportwetenschap van belang zijn.

1. Het normatieve, dwingende uitgangspunt van de 'verwetenschappelijking'.
Wetenschappers moeten niet als een schoolmeester met een opgeheven vingertje praktijkwerkers voorschrijven hoe hun taken uitgevoerd moeten worden. Vanuit het betweterige oogpunt van de aanbieders van wetenschappelijk bewijs zijn mensen uit de praktijk niet goed 'onderzoekswijs'. Het zijn evenwel eerder de naar statistisch wetmatigheden zoekende onderzoekers die van de 'wisdom of practice' zijn losgezongen.

2. Het echte leven staat veraf van 'gecontroleerde' laboratoriumsituaties.
In onderzoek wordt vrijwel altijd geabstraheerd van de individuele praktijksituaties. In het beroep van zorgverleners, leraren, jeugdtrainers, voetbalcoaches en sportmanagers zit per definitie een grote dosis 'persoon'. Aan de (inter)persoonlijke variaties in de interactie tussen de verpleegkundige en de patiënt, tussen de coach en de pupil of de leidinggevende en de kenniswerker kun je niet voorbijgaan. Professionals leren niet van databases en contextloze onderzoeksconclusies.

3. Engelstalige A1 publicaties in wetenschappelijke tijdschriften worden door praktijkmensen niet gelezen.
Onder wetenschappers en universiteiten is een 'publish or perish' cultuur ontstaan. De kwaliteitstoets door andere onderzoekers (blind peer review) is voor de individuele carrière van gepromoveerden of de status van hun academische werkgevers doorslaggevend. De toegankelijkheid en bruikbaarheid voor praktijkmensen in uitvoerende organisaties is van ondergeschikt belang. De communicatiekloof tussen wetenschap en praktijk wordt daardoor eerder groter dan kleiner.

4. De pleitbezorgers van de noodzaak van 'evidence based practice' zijn bijziend.
Op bewijs gebaseerde kennis is maar één van de factoren die van invloed zijn op welke (praktijk)interventie wordt ingezet en welke niet. De populariteit van een methode of werkwijze hangt sterk af van andere factoren. Charismatische 'ambassadeurs' van een bepaalde methodiek alsook de aansluiting bij de aanwezige waarden en/of routines in de beroepspraktijk zijn 'vage' krachten die meer dan de objectieve feiten daadwerkelijk vormgeven aan het professionele handelen en de toekomstige beroepsinnovatie.

Never the twain shall meet?
Na afloop van het eerdergenoemde, levendige verlopen kennisdebat sprak een vader van een voetbaltalent me aan. Hij vroeg zich af wat ze in de jeugdopleiding van de FC eigenlijk met al die door 'studenten' uitgevoerde testen en metingen doen. Aan de oefenstofkeuze en de benadering van de jeugd is de afgelopen tijd geen spier veranderd, vertrouwde hij me toe. 'Heeft u daar een verklaring voor?' Ik gaf hem voorzichtig antwoord dat ik slechts een vermoeden had. Als pleister op de wonde beloofde ik hem een kopietje te mailen van het hier besproken hoofdstuk over jeugdsport. Of de vraag achter zijn vraag daarmee wordt beantwoord, zal nader onderzoek mogelijk uitwijzen. Of niet natuurlijk.

Leestips:
• van Veldhoven, N. (red.) (2010). Sport en haar professoren. Sportwetenschap in ontwikkeling. Deventer: daM uitgeverij.
• Steyaert, J. (red.) (2010). De bijziendheid van evidence based practice. Beroepsinnovatie in de sociale sector. Amsterdam: Uitgeverij SWP.

Adri Broeke verdedigde op donderdag 25 maart jl. zijn proefschrift ‘Professioneel Sportmanagement Vernieuwen’ aan de Rijks Universiteit Groningen. Hij verdient(de) de kost als bollenpeller, bakkersknecht, gymleraar, beroepsopleider, consultant, lector en onderzoeker. Zijn favoriete boek is: ‘De A.F.C.’ers’ van J.B. Schuil.

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.